De groei van de academische chemie: 1956-1976

Na de Tweede Wereldoorlog kampte Nederland met een ernstig tekort aan chemici en bijbehorende infrastructuur. Ook was de samenwerking marginaal. Wetenschappelijk raakte Nederland achterop, en de groei van de snel groeiende chemische industrie stond onder druk. Het tij keerde met de oprichting van de Stichting Scheikundig Onderzoek in Nederland (SON), die geld wist aan te trekken en het onderzoek wist te coördineren waardoor de essentiële expansie van het chemisch onderzoek mogelijk werd.

Tekort aan mensen en middelen

Nederland kende in de periode 1870 tot 1940 een ‘Tweede Gouden Eeuw’ van de natuurwetenschappen, met verscheidene Nobelprijzen voor Nederlandse onderzoekers, waaronder twee op het gebied van de scheikunde: Van ’t Hoff (1901) en Debye (1936). Na de Tweede Wereldoorlog leek de glorietijd van de Nederlandse natuurwetenschap voorbij te zijn. Universiteiten kampten met ernstige tekorten op het gebied van personeel en instrumentarium. Landelijke samenwerking was van oudsher marginaal en de wetenschappelijke staf klein. Er was weinig geld beschikbaar om de schaars beschikbare posities met assistent-onderzoekers te vullen. Vlak na de oorlog telde de chemie per universiteit één of twee hoogleraren, ondersteund door evenzoveel lectoren. Afgestudeerde chemici verkozen een behoorlijk betaalde positie in de chemische industrie boven een verder verblijf aan de academie, waar ze als assistent-onderzoeker een schamel salaris verdienden en maar weinig kans hadden op een academische carrière. De chemische industrie zat te springen om nieuwe chemici. Ze had de draad na de oorlog weer snel opgepakt en begon aan een stormachtige groei. Al snel werd duidelijk dat de instroom van chemici verreweg te laag was voor de noden van de industrie. Decanen van natuurwetenschappelijke faculteiten en de KNAW constateerden dat de natuurwetenschap overal ter wereld hard groeide maar dat Nederland een achterstand had opgelopen.5

Groei van de chemie

De overheid erkende dit probleem, met als gevolg dat de middelen voor universitair onderzoek en onderwijs tot 1970 spectaculair toenamen. Het aantal hoogleraren groeide explosief en de universitaire werkgelegenheid groeide sterk. Er kwamen twee technische hogescholen bij: de Technische Hogeschool Eindhoven (1956, later Technische Universiteit Eindhoven) en de Technische Hogeschool Twente (1964, later de Technische Universiteit Twente). Ook de universitaire chemie groeide hard. Naast de reeds bestaande scheikundeopleidingen startte de Katholieke Universiteit Nijmegen in 1962 met een scheikundeopleiding. In Groningen (1960) werd de afstudeerrichting ‘chemische technologie’ geïntroduceerd. Daarnaast dienden stafleden voortaan ook minstens 40% van hun tijd aan onderzoek te besteden. Als gevolg hiervan steeg in de jaren zestig de onderzoektijd aan de universiteiten enorm. Universiteiten kregen er op deze manier een extra taak bij. Bovenop de groeiende onderwijstaak voor het opleiden van de broodnodige chemici kwam er daarbij steeds meer behoefte aan extra middelen ten behoeve van deze groeiende onderzoekstaak.

De oprichting van SON

In een poging tot het terugdringen van het tekort aan jonge academische chemici richtte de KNCV al in 1949 een ‘Commissie ter bevordering van het wetenschappelijk-chemische onderzoek door jonge Nederlandse chemici’ op. De KNCV leverde hiertoe middelen, voor een groot gedeelte verkregen uit de chemische industrie. Maar slechts weinig gegadigden meldden zich, en daarvan kwamen ook nog maar weinigen in aanmerking voor een stipendium volgends de Commissie. In 1953 hief deze commissie zichzelf op, en de KNCV besloot langs andere weg het beoogde doel te bereiken.

Dagelijks bestuur SON, 1990. Zittend, vlnr: Prof. dr. Rutger van Santen (Anorganisch Chemie en Katalyse TUE, vice-voorzitter, van 1994 tot 1998 voorzitter), Prof. dr. Binne Zwanenburg (organische chemie RU, voorzitter SON 1985-1990), Prof. dr. Ab van Kammen (moleculaire biologie WUR, secretaris, van 1991-1994 voorzitter), staand vlnr het SON-bureau: dr. Theo Hesselink (directeur SON 1985-2003), dr. Frans Martens, dr. Wim Pijper.

Inmiddels kwam vanuit de overheid meer geld voor wetenschappelijk onderzoek beschikbaar. Om de groeiende geldstroom in goede banen te leiden werd in 1950 de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO, vanaf 1988: NWO) bij wet opgericht. Op de huishoudelijke algemene vergadering van de KNCV op 22 december 1953 deelde het Algemeen Bestuur van de KNCV mee dat het ‘streefde naar het tot stand doen komen van een stichting, welke het gehele universitaire en hogeschoolleven op chemisch gebied zou omvatten met het doel om in onderlinge samenwerking het fundamentele wetenschappelijk-chemische onderzoek hier te lande te bevorderen.’ Enkele KNCV-leden hadden goede ervaringen opgedaan met de in 1946 opgerichte natuurkundestichting FOM.

Prof. dr. Jan de Boer nam het voorbereidend werk op zich, en eind 1955 werd definitief besloten tot de oprichting van de stichting. Het bestuur van de afdeling Natuurkunde binnen de KNAW ging akkoord, en op 13 maart 1956 werd de Stichting Scheikundig Onderzoek in Nederland (SON) opgericht. Het bestuur van SON bestond uit de voorzitter van de KNCV, en vier tot acht andere leden. De leden werden benoemd door het bestuur van de Afdeling Natuurkunde van de KNAW. Op 24 mei werd het eerste bestuur gevormd door prof. dr. Harm Gerding (UvA, KNCV-voorzitter), prof. dr. Pieter Heertjes (TUD), prof. dr. Jan Ketelaar (UvA), prof. dr. Hendrik Westenbrink (UU), prof. dr. Johan Wibaut (UvA, voorzitter) en dr. Theunis van der Linden (UvA, secretaris/penningmeester). De voorzitter vormde met de secretaris/penningmeester het dagelijks bestuur. Het secretariaat was gevestigd bij de KNCV te Den Haag. Pas in 1963 kreeg SON een voltijds (uitvoerend) secretaris toen Bernard van Geelen, directiemedewerker bij ZWO, in dienst trad. Dit vormde de start van het SON-bureau, dat daarop verplaatst werd naar het kantoor van ZWO aan de Lange Voorhout 60 te Den Haag. Uitvoerend secretaris Van Geelen werd op 1 januari 1965 benoemd tot de eerste directeur van de Stichting SON. Met de toename van activiteiten van SON en de uitbreiding tot nieuwe gebieden van de scheikunde namen ook de taken van het bureau toe. Naast van Geelen en diens secretaresse A. Geradts kwam drs. Wim Pijper op 1 maart 1970 het SON-bureau versterken.

“Een stichting, welke het gehele universitaire en hogeschoolleven op chemisch gebied zou omvatten met het doel om in onderlinge samenwerking het fundamentele wetenschappelijk-chemische onderzoek hier te lande te bevorderen.”

SON richtte zich op ‘de bevordering van het fundamenteel onderzoek aan universiteiten, hogescholen en andere instituten’ en op de samenwerking tussen onderzoekers. Maar naast het fundamentele onderzoek is de nauwe samenwerking met het bedrijfsleven vanaf de oprichting van SON sterk verweven met de chemie bij NWO.

Organisatie en expansie van het onderzoek

Prof. dr. Thyman Jan de Boer, hoogleraar organische scheikunde aan de UvA en voorzitter SON van 1976 tot 1983, benadrukt bij het 25 jarig bestaan van SON (1981) het belang van de werkgemeenschappen voor het chemisch onderzoek.

Om haar doel te bereiken ging SON over tot het instellen van werkgroepen ter bestudering van bepaalde wetenschappelijke onderwerpen, onafhankelijk van hun locatie of grootte. Werkgroepen verenigden zich in een aantal werkgemeenschappen, de voorgangers van de huidige studiegroepen. In 1956 waren de eerste werkgemeenschappen Spectroscopie en Eiwitonderzoek.

SON diende ieder jaar een begroting in bij ZWO. Deze kwam tot stand doordat onderzoekers hun plannen voorlegden aan het bestuur van hun werkgemeenschap. Het bestuur van de werkgemeenschappen maakte ieder jaar een begroting op basis van de door hen goedgekeurde onderzoeksplannen en stuurde deze aan het SON-bestuur. De begrotingen van de werkgemeenschappen vormde de basis voor de SON-begroting welke ieder jaar werd ingediend bij ZWO. ZWO keerde vervolgens een bedrag uit aan SON, die overigens altijd meer middelen vroeg dan ZWO kon leveren. Het was aan het SON-bestuur om te beslissen hoe het tekort over de werkgemeenschappen werd verdeeld en welke onderzoekers konden beschikken over middelen. Aanvragers van SON-steun moesten duidelijk maken dat het geld voor hun onderzoek niet via het ‘normale budget’ (de eerste geldstroom) te verkrijgen was. Werkgemeenschappen ontwikkelden hun eigen instrumentarium voor de beoordeling van onderzoeksplannen, en verzochten steeds vaker externe referenten om advies. In 1970 werd duidelijk dat er steeds vaker beduidend meer middelen werden aangevraagd dan beschikbaar. Voor het eerst gingen de werkgemeenschapsbesturen voorstellen structureel prioriteren, mede op basis van twee anonieme beoordelingsrapporten. De werkgemeenschap Nucleïnezuren ging dit systeem als eerste hanteren, kort daarop volgden ook de andere werkgemeenschappen. Al snel ontwikkelde de werkgemeenschappen zich sterk, met als gevolg een toenemende coördinatie van het chemisch onderzoek in Nederland en daarmee samenhangend een groeiende beschikbaarheid van middelen voor dit onderzoek. Van meet af aan werden de middelen voor het grootste gedeelte gebruikt voor tijdelijke onderzoeksposities, (promovendi, postdoctoraal onderzoekers en analisten). Een klein deel werd gereserveerd voor instrumentarium, dat in de loop van de tijd steeds verder groeide aangezien de scheikunde de eerste tien jaar van het bestaan van SON in toenemende mate een ‘duur vak’ werd dat steeds vaker gebruik ging maken van nieuwe en kostbare instrumenten.

“SON heeft een fantastisch overzicht en inzicht over wat er leeft aan ideeën en wat er nodig is voor de verdere bevordering van het onderzoek.”

SON-directeur Theo Hesselink: ‘SON koppelt chemici’. Cover van het Chemisch Magazine, januari 1988.

In 1957 – het eerste jaar dat SON van ZWO subsidie ontving – was het budget een kleine 120.000 gulden, waarmee 10 onderzoekers werden betaald, en was er 65.000 gulden voor materiaal beschikbaar. In 1968 was er ruim 5 miljoen gulden beschikbaar voor 200 onderzoekers, en een kleine 2 miljoen voor materiaal. In 1976 was er ruim 17 miljoen beschikbaar, voor 270 medewerkers en 3 miljoen voor apparatuur. Samenhangend daarmee organiseerde het chemisch onderzoek zich in toenemende mate in werkgemeenschappen, tegenwoordig voortgezet in de studiegroepen. In 1957 waren er drie werkgemeenschappen (Spectroscopie, Eiwitonderzoek, en Electrochemie), in 1976 veertien. Twintig jaar na de oprichting van SON kende de chemie een georganiseerd en bloeiend onderzoeksveld . Prof. dr. Ab van Kammen, voorzitter SON van 1991 tot 1994, merkte op: ‘SON heeft een fantastisch overzicht en inzicht over wat er leeft aan ideeën en wat er nodig is voor de verdere bevordering van het onderzoek.’ SON was een doorslaand succes.

1 B. Willink, De Tweede Gouden Eeuw. Nederland en de Nobelprijzen voor natuurwetenschappen 1870-1940 (Amsterdam 1998).
2
W. Hutter, ‘Chemie, chemici en wetenschapsbeleid’, in: Homburg & Palm, De geschiedenis van de scheikunde in Nederland 3 (Delft 2004) 19-35, m.n. 24.
3
‘De Stichting Scheikundig Onderzoek in Nederland (SON)’, in: TNO-Nieuws 13 (1958), 109-111, m.n. 109.
4
Zie onder andere: Centraal Laboratorium Staatsmijnen Jaarverslag 1948 t/m 1953.
5
Zie noot 2.
6
Zie noot 2, p. 25.
7
E. Homburg, Speuren op de tast: een historische kijk op industriële en universitaire research, oratie (Maastricht 2003) 42-43; E. Homburg & L. Palm, De geschiedenis van de scheikunde in Nederland 3 (Delft 2004), 8.
8
E. Homburg & L. Palm, De geschiedenis van de scheikunde in Nederland 3 (Delft 2004), 5; W. Hutter, ‘Chemie, chemici en wetenschapsbeleid’, in: E. Homburg & L. Palm, De geschiedenis van de scheikunde in Nederland 3 (Delft 2004) 19-35, m.n. 25-26; N. Velthorst, ‘Een voortdurende uitdaging: het scheikundeonderwijs’, in: Homburg & Palm, De geschiedenis van de scheikunde in Nederland 3 (Delft 2004) 37-59, m.n. 45.
9
Zie noot 3.
10
Zie noot 2, 20-21.
11
‘Stichting voor Scheikundig Onderzoek in Nederland’, Chemisch Weekblad 52, nummer 24, 16 juni 1956, p. 429-431.
12
Zie noot 11.
13
Verslag over 1964 van de Stichting Scheikundig Onderzoek in Nederland, (Den Haag 1965) 1-64, m.n. 3.
14
SON Jaarverslag 1973, p. 11.
15
Zie noot 2, 22-24. In 1998 is het SON overgegaan in de afdeling Chemische Wetenschappen van NWO.
16
Zie noot 11.
17
SON Jaarverslag 1973, p. 14-15.
18
SON Jaarverslag 1966/1967, p.12.
19
E. Verweij, ‘Algemene beschouwing’, in: SON Jaarverslag 1966/1967, 5-9, m.n. 6.
20 Interview met Ab van Kammen, in: ‘Recource’, 11 september 1996; http://resource.wur.nl/nl/show/-Het-afscheid-van-een-gedreven-pionier.htm, geraadpleegd op 28 september 2016.

Voor meer informatie over dit artikel kunt u contact opnemen met Marijn Hollestelle, tel. 070-3440968, email: m.hollestelle@nwo.nl.