Beeld: Vijselaar en Sixma

Ontstijg de opiniefabriek

Tijdens een maatschappelijke crisis raken wetenschap en politiek sterk verweven. Hoe doe je als wetenschapper op een zinvolle manier mee aan het debat en hoe bewaak je je integriteit? Vier stellingen voor vier wetenschappers die niet bang zijn om van zich te laten horen.

Beeld: Vijselaar en Sixma
Tekst: Amanda Verdonk, beeld: Vijselaar en Sixma

1. Wetenschappers moeten zich in een crisisdebat mengen

Knoeff: ‘Ik vind dat het onze morele plicht is om ons uit te spreken. Maar het valt mij op dat er in crisistijd wel veel meningen zijn en juist weinig debat. Er ontstaat een opiniefabriek waarin iedereen zijn of haar zegje doet, maar we praten niet mét elkaar. Iedereen blijft in het eigen disciplinaire hokje hangen. En dat is jammer, want een crisis is een wicked problem – een veelkoppig monster dat vraagt om een brede aanpak. Niet alleen van medici en economen, maar ook van geesteswetenschappers.’

Helsloot: ‘Helemaal mee eens. Ik heb mij ook duidelijk uitgesproken in de media en berekend dat we door de huidige crisisaanpak op de lange termijn honderdduizenden gezonde levensjaren verliezen. Dat weegt wat mij betreft niet op tegen de duizenden levensjaren die we op korte termijn gespaard hebben. Die constatering leverde mij veel kritiek op, ook op mijn eigen faculteit. Maar merkwaardig genoeg kreeg ik juist veel steun van artsen die zeiden: goed dat je dit zegt, want ik durf het niet. En ook van natuur- en wiskundigen, die mijn berekeningen direct begrepen.’

Romeijn: ‘Het viel mij op dat enkele statistici al vroeg aan de bel trokken en hun inzichten deelden met de samenleving. Dat doen zij vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en ik vind het goed dat zij het publiek deelgenoot willen maken. Maar ik ben kritisch over het gebruik van sociale media zoals Facebook en Twitter. Als je dat verkeerd gebruikt, is dat koren op de molen van twijfelzaaiers. Die twijfel kan worden uitgebuit en omslaan in verlammende twist, zoals je dat ook ziet bij de tabakslobby of klimaatsceptici.’

2. In crisistijd staat de wetenschappelijke integriteit onder druk

Gopalakrishna: ‘Door deze crisis heeft open science een grote impuls gekregen. Er is een complete explosie van preprints – conceptartikelen die op open science-platforms worden gepubliceerd, zonder de gebruikelijke peer review. Het is goed dat kennis hierdoor sneller beschikbaar is, maar we weten niet welke kwaliteit deze onderzoeken hebben. Gecombineerd met sociale media en de stress van een crisis is dat een giftige cocktail. Slecht uitgevoerde studies, zoals over een malariamedicijn dat zou helpen tegen COVID-19, gingen daardoor viral. Ook zijn er conflicterende studies, waardoor er over sommige onderwerpen nog geen consensus is. Gelukkig is er sprake van een sterk zelfcorrigerend vermogen van de wetenschappelijke gemeenschap, die als bemiddelaar en scheidsrechter optreedt. Het is belangrijk dat wetenschappers zich blijven uitspreken tegen slecht onderzoek en dat media en publiek de beperkingen van preprints begrijpen.’

Romeijn: ‘Ik ben blij dat de huidige crisis laat zien dat de politiek zich baseert op wetenschappelijk onderzoek. Ik vind dat een wetenschapper alle onzekerheden moet rapporteren, zodat een beleidsmaker die kan meenemen in een beslissing. Maar voor politieke besluitvorming zijn alleen de feiten en oorzakelijke verbanden niet genoeg, het gaat ook om een waarde-inschatting. Je moet rekening houden met de gevoelens van mensen en de disruptie van het sociale leven. Toch kun je daarmee op een rationele manier een kosten-batenanalyse maken. De vraag is alleen hoe je – als je snel moet reageren – ook voor wetenschappelijke transparantie kunt zorgen. Het is jammer dat de data waarop het crisisteam zich baseert niet beschikbaar zijn. Dat zou wel passen in deze tijd van open science. Maar voor het brede publiek is dat misschien ingewikkeld. Want hoe laat je op een verantwoorde wijze zien wat je nog niet weet?’

3. Een wetenschapper is geen beleidsadviseur

Romeijn: ‘In crisistijd legt de politiek een grote verantwoordelijkheid neer bij experts. Maar die moeten zich beperken tot de feiten. Als een beleidsmaker een wetenschapper vraagt welke strategie verstandig is, dan zit daar een waarde-inschatting in. Want: wanneer is iets verstandig? Welke belangen willen we dienen? Het is goed dat wetenschappers om tafel gaan met beleidsmakers, maar de politiek moet uiteindelijk de beslissing nemen. Daar ligt immers de democratische legitimering. Dit zie ik ook in de rechtspraak: het kan aantrekkelijk lijken voor rechters om zich volledig op een forensisch psychiater te baseren, maar de rechter moet uiteindelijk zelf het oordeel vellen.’

Helsloot: ‘Sommige collega’s vinden dat hun taak ophoudt bij het presenteren van de feiten, maar ik hou van stoere wetenschappers die wél advies geven. Het past ook bij de valorisatiegedachte. Ik merk dat veel van mijn collega’s zich op dat vlak weinig permitteren. Ze zeggen bijvoorbeeld: ik ben specialist en heb geen zin om een integrale afweging te maken en die verantwoordelijkheid te nemen. Anderen zeggen: daar zijn wij niet voor, advies geven is niet onze taak. Maar wie moet het dan doen? Je wilt toch dat iemand met kennis van zaken adviseert? Wij hebben de morele verantwoordelijkheid om ons uit te spreken. Natuurlijk kun je niet alles zelf weten, maar dan haal je er een collega bij. Dat is toch de kern van de multidisciplinaire aanpak die we nastreven?’

4. Tunnelvisie ligt op de loer

Knoeff: ‘In een gezondheidscrisis zijn vooral de medici aan het woord en vervolgens de economen. De geesteswetenschappen staan buiten de discussie. Dat vind ik onterecht, want zij kunnen veel toevoegen aan het debat als het gaat om reflectie en betekenisgeving. Hoe kun je morele keuzes maken? We kunnen bijvoorbeeld veel uit het verleden leren over maatschappelijke structuren. In elke crisis zie je terugkomen dat top-down opgelegde maatregelen in eerste instantie zorgen voor begrip, maar uiteindelijk tot protest leiden, omdat de fundamentele vrijheden van mensen worden aangetast en sociaaleconomische verschillen toenemen. Dat gebeurde tijdens de cholera-opstanden in de negentiende eeuw toen dokters het onderspit dolven, en bij de boerenopstanden na het uitbreken van de pest in de late Middeleeuwen. Uiteindelijk hebben die geleid tot maatschappelijke veranderingen. Ook kunnen we veel leren uit het verleden over het omgaan met onzekerheid, ziekten en dood. Deze crisis is namelijk niet een medisch, maar vooral een maatschappelijk vraagstuk.’

Gopalakrishna: ‘Deze pandemie is inderdaad een crisis van alle sectoren, maar de gezondheidszorg is de basis, dus het is logisch dat medici de leiding nemen. Wel denk ik dat het heel goed is om in een latere fase andere expertises toe te voegen.’

Helsloot: ‘Elke crisis kenmerkt zich door drie elementen: grote onzekerheid, snelle besluitvorming en grote maatschappelijke schade. Een goede crisisbesluitvormer kijkt vooruit en neemt de tijd om de kosten en baten voor iedereen op een rij te zetten, ook op de lange termijn. Maar dit is de eerste keer in de geschiedenis dat we crisisbesluitvorming op rijksniveau hebben. Meestal wordt dat overgelaten aan burgemeesters en veiligheidsregio’s. Ministers maken dit maar eens in hun carrière mee. Ze laten zich er totaal door verrassen en schieten in de veiligheid-boven-alleskramp. Het is jammer dat een multidisciplinair advies daardoor niet tot stand komt.’

Onderzoek 4. Debat gaat altijd door.