Toekenningen

Medio juli 2017 heeft NWO voor het eerst negen projecten in het NWO-pilotprogramma Replicatiestudies toegekend. Replicatie zorgt ervoor dat voortgebouwd wordt op eerder aangetoonde en bevestigde wetenschappelijke bevindingen.

Hieronder staan samenvattingen van de negen toegekende projecten, alfabetisch gesorteerd op de achternaam van de aanvrager.

Conservatieve versus liberale zuurstoftoediening in patiënten op de intensive care

Prof. dr. E. (Evert) de Jonge (m) (LUMC)

Zuurstoftherapie zonder kunstmatige ventilatie is een gebruikelijke interventie bij patiënten op de intensive care. Hoewel dit levensreddend kan zijn, heeft deze therapie ook schadelijke effecten. Eerder is aangetoond dat gebruik van lagere zuurstoftargets uitvoerbaar en veilig is. De Jonge gaat nu een Italiaans onderzoek repliceren. Deze RCT (Randomized Controlled Trial), in 2016 gepubliceerd in JAMA, laat lagere sterfte zien bij patiënten op de intensive care bij wie de druk van zuurstof in de aderen lager werd gehouden dan gebruikelijk. Deze replicatie is noodzakelijk om de bevindingen te valideren in verschillende Nederlandse intensive care units.

Zullen we nog maar eens opscheppen? Een replicatiestudie over de neurobiologische mechanismen die bepalend zijn voor zelfbeheersing

Dr. ir. L.N. (Nynke) van der Laan  (v) – Universitair Medisch Centrum Utrecht, Radiologie, Radiotherapie en Nucleaire Geneeskunde, Divisie Beeld, Image Sciences Institute

Disciplines: Biologische en medische psychologie, Sociale psychologie en organisatiepsychologie

In een grensverleggende studie van Hare en collega’s (Science, 2009) wordt voor het eerst een verklaring gegeven voor de neurale onderbouwing van succesvolle zelfbeheersing bij mensen. Hun primaire bevindingen waren: 1) beslissingen zijn gebaseerd op neurale verbanden in de ventromediale prefrontale cortex (vmPFC) en (2) succesvolle zelfbeheersing houdt verband met de modulatie van deze waarde door de dorsolaterale prefrontale cortex (dlPFC). De studie had sindsdien met meer dan 1000 citaties een enorme impact op theorievorming omtrent de psychologische en neurobiologische aspecten van het nemen van beslissingen.
De huidige onderzoekers gaan in een moderne laboratoriumomgeving met state-of-the-art apparatuur de studie repliceren. De resultaten vormen een controle op de onderbouwing van theorieën en veelgebruikte onderwijsstof. Replicatiestudies in de neurowetenschappen zijn nog zeldzaam. Deze studie heeft dus ook een voorbeeldfunctie.

Leidt het roken van elektronische sigaretten tot het roken van tabak bij jongeren in Nederland?

G. (Gera) Nagelhout PhD, (v) (Universiteit Maastricht) gaat het onderzoek van de Amerikaan Leventhal et al. , dat in 2015 werd gepubliceerd in JAMA, opnieuw uitvoeren in Nederland.  Het onderzoek onder Amerikaanse jongeren toonde aan dat zij een grotere kans hadden om binnen een jaar tabaksproducten te gaan roken wanneer zij al geëxperimenteerd hadden met de e-sigaret.

In Nederland zegt 39% van de 14-jarigen dat ze e-sigaretten hebben gebruikt. Nagelhout gaat kijken hoeveel van die jongeren 6 maanden na start van het onderzoek ook tabak heeft gebruikt. De resultaten van het onderzoek zullen belangrijke implicaties hebben voor nationaal beleid, schoolbeleid en onderwijs.

Schildklierziekte en het risico van vroeggeboorte: het opzetten van een internationaal replicatieplatform

Prof. dr. R. P. (Robin) Peeters (m) (Erasmus MC)

Goede beschikbaarheid van het schildklierhormoon gedurende de zwangerschap is cruciaal. Verschillende studies laten zien dat een abnormaal functionerende schildklier samenhangt met onder andere vroeggeboorte, miskraam, laag IQ en autisme bij het kind. Geen van de studies die de basis vormen voor internationale richtlijnen zijn gerepliceerd. Dat komt doordat er veel verschillende methoden zijn gebruikt, (waaronder die voor het meten van de schildklierfunctie), inadequate statistische kracht en niet geanalyseerde data. Peeters gaat daarom gepubliceerde en ongepubliceerde data uit diverse onderzoeken over de invloed van het schildklierhormoon op de zwangerschap analyseren.

Wat is de optimale methode om volgroeide tweelingen te baren? Geplande keizersnee of vaginaal baren.

P. (Parvin) Tajik MD PhD (v) (AMC)

Tajik repliceert The Twin Birth Study. Deze studie uit 2013 van Jon D. Barrett van het Sunnybrook Research Institute in Toronto was de eerste grote internationale studie die aantoonde dat sterfte of ziekte bij tweelingen rond de geboorte niet werd verbeterd door de toepassing van de keizersnee. Hoewel dit een geruststellend resultaat was waardoor vrouwen zelf konden kiezen voor de manier van bevallen, moet er rekening mee worden gehouden dat aan deze studie vrouwen deelnamen met een zwangerschapsduur tussen de 32 en 38 weken. Net iets minder dan de helft van het aantal deelnemende vrouwen beviel prematuur (voor 37 weken zwangerschap).  Het relatief hoge aantal sterfte en ziektegevallen bij vroeggeboorte in combinatie met de vaker voorkomende vroeggeboorten bij tweelingen kan het werkelijke effect van de manier van bevallen bij een voldragen zwangerschap maskeren.

Stressherstel tijdens blootstelling aan natuurlijke en stedelijke omgevingen: Een multi-lab replicatie

Dr. K. (Karin) Tanja-Dijkstra  (v) - Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit der Gedrags- en Bewegingswetenschappen, Psychologie, Klinische Psychologie

Discipline: Biologische en medische psychologie

Verblijf in een natuurlijke omgeving heeft een belangrijk stress-verlagend effect, zo wordt alom gedacht. Een van de eerste en invloedrijkste experimenten om dit vermoeden daadwerkelijk te toetsen dateert uit 1991, uitgevoerd door Ulrich, Simons, Losito, Fiorito, Miles en Zelson. 120 proefpersonen kregen eerst een enerverende speelfilm te zien en daarna een tien minuten durende video van natuurbeelden dan wel van een stedelijke omgeving. Zowel uit fysiologisch oogpunt als uit de zelfrapportages van de deelnemers, bleek stressherstel bij het zien van natuurbeelden sneller bereikt. Deze studie had een groot en langdurig effect op het denken over omgevingspsychologie.
Het experiment wordt nu herhaald in 11 laboratoria met meer dan duizend proefpersonen uit Nederland, Zweden, Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Dit wordt het grootste experiment op het gebied van omgevingspsychologie ooit uitgevoerd.

Leert de bedrieger van morele vermaningen?

Dr. B.J. (Bruno) Verschuere (m) – Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen, Klinische Psychologie

Discipline: Sociale psychologie en organisatiepsychologie

Bedriegen en oplichten – je niet aan ‘morele’ gedragsregels houden – is een wijdverspreide ondeugd en levert een enorme kostenpost op voor de samenleving. Mazar, Amir en Ariely (2008; Experiment 1) toonden aan dat ‘morele standaards’ voorhouden aan mensen een vermindering van bedrog oplevert van 28 procent. Herinnering aan de Tien Geboden van Mozes zorgde voor het terugbezorgen van schoolboeken aan de High School, aldus het experiment. Het gaat hier om een standaard theoretisch model uit de economie omtrent ‘de grenzen van het fatsoenlijke’: een balans vinden tussen maximaliseren van winstbejag, maar tegelijkertijd handhaving van het zelfbeeld van een ‘eerlijk persoon’.
Het artikel werd 1124 maal geciteerd; de bevindingen stonden in alle kranten. Beleidsmakers baseren hun strategie erop, ofschoon de onderzoekers zelf noteerden dat ‘the idea that any reminder can decrease dishonesty seems strange’ (p. 635).
De huidige onderzoekers gaan het experiment repliceren volgens een protocol dat door de oorspronkelijke onderzoekers is goedgekeurd. Twintig onderzoeksteams gaan data verzamelen. Op die manier moet een robuuste benadering van het zogenoemde Tien Gebodeneffect te behalen zijn.

Stereotiepe bedreiging en wiskundige prestaties bij vrouwen; een grootschalige geregistreerde replicatie

Dr. J.M. (Jelte) Wicherts (m) – Tilburg University, Tilburg School of Social and Behavioral Sciences, Methoden en Technieken van Onderzoek

Disciplines: Sociale psychologie en organisatiepsychologie, Psychometrie

Een veelgehoorde verklaring uit de sociale psychologie voor het verschil in aantal vrouwelijke en mannelijke wiskundigen is de Stereotype Threat (ST): de angst om in een groep aan een stereotiep beeld te beantwoorden. Experimenten tonen aan dat in ‘veilige’ situaties – zonder die bedreiging – vrouwen betere wiskundige prestaties vertonen, de studie van Spencer et al. (1999) voorop. De wetenschappelijke impact van deze studie was groot, naast de invloed op diverse beleidsbepalende stukken.
Twijfels rezen echter rond de grootte van de samples van ST-experimenten en de vooraf getoetste rekenvaardigheden bij de proefpersonen.
De huidige onderzoekers gaan een grootschalige, internationale replicatiestudie verrichten van een prominent, representatief high-quality ST-experiment, zoals verricht door Johns, Schmader, & Martens (2005).

Replicatiestudie van 'pupilgrootte gerelateerd aan de interesse in visuele stimuli' (Hess & Polt, 1960)

Dr. ir. J.C.F. (Joost) de Winter (m) – Technische Universiteit Delft, Faculteit Werktuigbouwkunde, Maritieme Techniek en Technische Materiaalws. (3ME), Biomechanical Engineering

Discipline: Psychonomie en cognitieve psychologie

De oogpupil vernauwt bij lichtinval en verwijdt als reactie op cognitieve activiteit. Sommige onderzoekers zien ook verband tussen pupilgrootte en de psychologische term ‘valence’: alle emoties die een gebeurtenis, object of situatie teweeg kan brengen, negatief of positief. Hess and Polt (Science, 1960) ligt hieraan ten grondslag: het artikel stelt dat de pupil zich aanpast aan (on)plezierige visuele stimuli. Men beschreef een test met 4 mannen en 2 vrouwen die naar plaatjes keken waaronder die van een baby, van een moeder met een baby en van halfnaakte personen. De pupillen van de vrouwen verwijdden bij de babyfoto’s en de halfnaakte man, die van de mannen alleen bij een halfnaakte vrouw.
Het artikel baarde veel opzien, maar meteen was er ook kritiek op de kleine sample en de controle op lichtintensiteit in de ruimte. Desondanks is Hess’ artikel nog steeds toonaangevend als het gaat om het verband tussen pupilgrootte en de persoonlijke interesse.
De huidige onderzoekers gaan Hess and Polt (1960) repliceren, met gebruikmaking van het originele fotomateriaal en dezelfde taakinstructies, maar in twee afzonderlijke experimenten: een met moderne apparatuur en een met een replica van de apparatuur die Hess gebruikte, met gebruikmaking van maar liefst 200 proefpersonen per experiment.