Nieuwe slimme vormen van bestuur

Impressie Slotbijeenkomst NWO-programma Smart Governance

Vijf onderzoeksconsortia van wetenschappers en praktijkexperts kwamen op 4 oktober 2019 samen voor de uitkomsten van het NWO-programma Smart Governance. De vijf bestudeerde sturingspraktijken bleken verschillende gemene delers te hebben. Zo blijkt slimme sturing vooral afhankelijk te zijn van de mate waarin actoren in staat zijn om nieuwe rollen aan te nemen en over hun eigen grenzen heen te werken.

Kantoorgebouw met veel ramen

Marlies van de Meent, programmamanager bij NWO Sociale en Geesteswetenschappen, opende de middag. ‘Het zal niet vaak voorkomen dat we met zo'n uiteenlopend gezelschap van mensen uit zoveel verschillende sectoren en achtergronden over zoveel verschillende vormen van sturing praten. De vraag is hoe we de verhouding tussen overheid, burgers en andere partijen beter kunnen toesnijden op de maatschappelijke opgaven van deze tijd. Vanmiddag maken we een reis langs allerlei sectoren in de samenleving. Het is geweldig dat we dat met zowel wetenschappelijk onderzoekers als experts uit de praktijk van bijvoorbeeld het projectmanagement, de aannemerij en de zorg kunnen doen.’

Hulpverlening tussen overheid, hulporganisaties en burgers

Kees Boersma (VU) sprak over zijn project rond disastermanagement, zowel in de Nederlandse als de humanitaire context in het buitenland. Centraal stond de ‘netcentrische’ benadering, waarin officiële instanties samenwerken met vrijwilligers en burgers die door rampen getroffen worden. Boersma: ‘Online platforms blijken waardevol te zijn vanwege de verrijking van de informatie, nieuwe vormen van coördinatie, de flexibiliteit en de toetreding van nieuwe partijen. Maar niet iedereen neemt deel en de ervaringen zijn moeilijk op te schalen, want heel situationeel van aard. Ook bestaan er vragen over de duurzaamheid van de nieuwe verbindingen. Als overheid moet je vooral de kansen zien en niet teveel willen integreren. Investeer in aanpassingsvermogen en zoek de sturing in verbindingen leggen en ‘grenzenwerk’.’ Reflectant Joop Koppenjan (EUR) benadrukte dat dit onderzoek onder meer van belang is om het romantische beeld (‘VPRO Tegenlicht’) van het werken met bottom up-initiatieven wat recht te zetten. Hij noemde ook het dilemma dat je als overheid altijd verantwoordelijk blijft en dus wilt weten wat voor vlees je in de kuip hebt, als je samenwerkt met vrijwilligers. Dit werd in de zaal herkend. De vraag is hoe je als overheid tegelijkertijd verantwoordelijk kunt zijn en los moet laten.

Samenwerken op basis van vertrouwen

Joop Koppenjan (EUR) ging in op verschillende vormen van publiek-private samenwerking, die zijn project bestudeerde. Ook hier komt de vraag naar de precieze rollen van de overheid aan de orde: sturen of alleen faciliteren en meer op afstand blijven. De huidige maatschappelijke context lijkt minder sturing te vereisen, maar ‘aan de achterkant’ is die vaak toch nog wel gewenst en nodig. Daarbij geldt dat er naast harde sturingsinstrumenten, zoals contracten, ook altijd zachte, relationele elementen – vertrouwen! –  nodig zijn. Koppenjan: ‘Er zijn vooral combinaties van sturingsbenaderingen nodig. Die geven richting en versterken initiatieven, maar moeten ook zorgen voor bescherming en afwegingen in inclusie/exclusie, externe effecten, legitimiteit en democratisch gehalte.’ André Salomonson van Resetmanagement en bij het project betrokken als praktijkpartner, vertelde aansluitend hoe de lessen uit het project momenteel meegenomen worden in verschillende communities en een intuïtief werkmodel om samenwerking tussen overheid en private partners te structureren. Reflectant Katrien Termeer (WUR) vroeg aandacht voor politieke factoren zoals macht en controle. En, vroeg zij zich af, kunnen de relationele aspecten als vertrouwen ook echt cultuur worden of zijn die te afhankelijk van individuele mensen en interpersoonlijk contact?

Inschakeling van het netwerk van zorgvragers

Rob Jagtenberg (EUR) vertelde over de sturingspraktijk van de zorg aan bewoners met problemen in gemeenten. Gemeenten moeten erop toezien dat daar waar gewenst en nuttig het persoonlijke netwerk van hulpvragen wordt ingeschakeld. Vroeger was het ‘doctor knows best’, daarna kwam er meer ‘self-governance’ in de vorm van de bestudeerde praktijk van de Eigen Kracht-conferenties en nu zitten we in fase drie, aldus Jagtenberg: die waarin de nieuw opgerichte wijkteams moeten kijken hoe ze de activering van het netwerk vorm gaan geven – al dan niet met inschakeling van de Eigen Kracht Centrale. ‘We hebben bij ons onderzoek met Rotterdamse respondenten gezien dat er een enorme stapeling van persoonlijke problemen is: bij de Eigen Kracht-cliënten nog meer dan bij de wijkteam-cliënten. Deze twee groepen hebben we vergeleken. In 62% van de gevallen – in beide groepen! – is er zowel sprake van steun uit het eigen netwerk als professionele hulp. De wijkteams stimuleren dat echter nog niet zo. Er  is nog weinig gezamenlijke zorgregie. Bovendien is steun uit het eigen netwerk in de praktijk om verschillende redenen niet altijd mogelijk.’ Reflectant Kees Boersma (VU) trok parallellen met zijn eigen project op het gebied van de methodologische problematiek waar de onderzoekers tegenaan liepen.

Grensoverschrijdende samenwerking in de regio

Carlo Colombo (destijds UvT nu UM) ging in op de sturingspraktijk van de multi-partiete samenwerking in de regio. Naast Brainport in Noord-Brabant waren er drie andere Europese samenwerkingsverbanden betrokken. De samenwerkingsverbanden organiseerden workshops bij elkaar op locatie om kennis en ervaring uit te wisselen. Colombo: ‘Bij de samenwerkingsverbanden gaat het altijd om grensoverschrijdende opgaven die een gemeente niet alleen kan oplossen; alleen in Berlijn was er sprake van een initiatief in de stad zelf. We hebben bij alle vier gekeken naar  effectiviteit en legitimiteit en dat gaf een wisselend beeld. Ook bleek bij de workshops dat de verschillende regio’s liever over inhoudelijk beleid praten dan over governance. En het bleek effectief om een nieuw perspectief van een partij ter tafel te brengen; hierdoor gingen regio’s hun eigen ambities en aanpak anders bekijken. Effectief betrekken van burgers bleek in alle gevallen een uitdaging.’ Rob Jagtenberg (EUR) stelde in zijn reflectie een vraag over de toegevoegde waarde van de buitenlandse blik. Drie van de vier regio’s waren niet zo geneigd burgers te betrekken. Het Berlijnse initiatief dat dichter op de burger zat, zette de andere initiatieven hierover toch aan het denken, antwoordde Colombo.

Duurzame certificering van productieketens

Katrien Termeer (WUR) presenteerde het project over de duurzaamheidscertificering van productieketens zoals die van palmolie, vis en hout. ‘Het blijft lastig om te bewijzen dat producten echt duurzaam tot stand zijn gekomen. Interessant is ook de roep om meer wet- en regelgeving op dit terrein. De overheid had tot nu toe heen sterke rol, en dat is precies waarom er indertijd van dit soort private initiatieven zijn ontstaan. We hebben een kader ontwikkeld waarmee we konden toetsen in welke mate standaardiseringsorganisaties in staat zijn om met verschillende uitdagingen om te gaan. Deze toetsing werd door deze organisaties zeer op prijs gesteld. De praktijk van de ‘traceability’ bleek echter flink weerbarstig: inzicht krijgen in de totstandkoming van producten is niet eenvoudig. Verder is het zo dat niet alle betrokken actoren in gelijke mate profiteren van, of beslissen over, de instrumenten die er zijn. Ook zijn er dilemma’s rond privacy versus openheid van data. De traceability-wereld is ondertussen een industrie op zichzelf geworden. Misschien is er een vorm van ‘meta-governance’ nodig en zou de EU die kunnen leveren.’ Reflectant Carlo Colombo (UM) vroeg naar de juridische aspecten van de certificeringsproblematiek. Termeer: ‘We zijn inmiddels een samenwerking aangegaan met collega-onderzoekers op dat terrein, waarmee we ons onderzoek voortzetten.’

Onderzoeken wat nog niet bestaat

De grote gemene delers tussen de vijf bestudeerde sturingspraktijken lagen volgens de deelnemers in de veranderende rollen van alle verschillende actoren en de noodzaak tot grensoverschrijdend denken en werken. Erik-Hans Klijn (hoogleraar aan de EUR en betrokken bij het project van Koppenjan) observeerde dat geen enkel maatschappelijk initiatief op termijn kan overleven zonder bemoeienis van de overheid. Salomonson bracht in dat er meer geëxperimenteerd moet worden met nieuwe rollen van de overheid en ‘grenswerk’. ‘In feite moeten we onderzoek doen naar dingen die nog niet bestaan.’ Gepco de Kruijff van HollandDelta die zich bezighoudt met de inrichting van de Nationale Parken opperde ten slotte dat ook de benadering van de ‘commons’ een goede aanvulling kan zijn op de bestudeerde sturingspraktijken. Het programma Smart Governance werd zo waardig afgesloten met kennis en inspiratie voor nieuwe sturingspraktijken.

Gehouden presentaties

 

Contact

Ymkje de Boer Ymkje de Boer +31 (0)20 637 6537 ymkje@ymba.nl

Contact

Mw. drs. E.M. van de Meent-Nutma Mw. drs. E.M. van de Meent-Nutma +31 (0)70 3494560 m.vandemeent@nwo.nl