Symposium Stemhulpen: zegen of onzin?

Stemhulpen zijn geen onzin – dat is misschien wel de belangrijkste conclusie van het symposium 'Stemhulpen: zegen of onzin?' dat op 4 november plaatsvond in de raadzaal van het stadhuis te Utrecht. Een zegen is misschien te sterk uitgedrukt, maar de algemene evaluatie door wetenschappers, gemeenten en gebruikers was dat stemhulpen als Stemwijzer en Kieskompas toegevoegde waarde hebben, zeker bij de gemeenteraadsverkiezingen: ze voorzien burgers van informatie en verhogen de opkomst bij de verkiezingen.

Symposium Stemhulpen: zegen of onzin?

Het symposium, dat werd georganiseerd door de gemeente Utrecht en onderzoekers uit het Begrijpelijke taal-project over stemhulpen, stond in het teken van de geslaagde samenwerking tussen de gemeente en het onderzoeksteam. Rond de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2014 hebben de onderzoekers intensief samengewerkt met de gemeente Utrecht om de ontwikkeling, het gebruik en de effecten van stemhulpen te bestuderen.

Burgers betrekken bij de politiek

Burgemeester Jan van Zanen opende het symposium, en wees in zijn openingswoord op het belang van betrokkenheid van burgers bij de politiek en een zo hoog mogelijke opkomst bij verkiezingen. Van Zanen legde uit dat stemhulpen om die reden door de gemeente worden gekocht. Na zijn inleiding presenteerden de onderzoekers de belangrijkste bevindingen met betrekking tot de gemeenteraadsverkiezingen.

Een van deze bevindingen was dat stemhulpen tijdens gemeentelijke verkiezingen de belangrijkste bron van politieke informatie zijn: bijna 80% van de geënquêteerde inwoners gaf aan een stemhulp te hebben gebruikt. Verder werden landelijke media over het algemeen vaker geraadpleegd dan lokale media (onder deze groep betrokken burgers bleek 65% de nationale radio en TV te volgen om zich over lokale politiek te informeren en slechts 35% volgt lokale radio en TV).

De onderzoekers mochten gebruikers van de Utrechtse Kieskompas, na het advies, enkele vragen stellen. Op basis daarvan konden ze een typologie van gebruikers maken. Hieruit bleek dat 21% van de gebruikers de politiek goed volgt, weet welke partij zij willen stemmen en deze keuze in Kieskompas controleert. Deze gebruikers kunnen als checkers worden omschreven. De grootste groep met 67%, seekers gedoopt, is minder geïnteresseerd en op de hoogte en gebruikt Kieskompas vooral om meer inzicht te krijgen in de lokale politiek. De derde groep, de doubters, is het kleinst met 12% van de gebruikers. Zij zijn ook minder geïnteresseerd, cynischer over politiek en willen vooral horen op welke partij zij moeten stemmen. Afgezien van de doubters vinden gebruikers dat Kieskompas hun inzichten vergroot en hen motiveert zich verder te verdiepen. De checkers zeggen niet te zijn beïnvloed door het stemadvies, maar de groepen minder geïnteresseerde gebruikers geven vaak aan wel aan het twijfelen te zijn gebracht. Sommigen van hen zeggen zelfs hun stemkeuze te hebben laten bepalen door Kieskompas.

Symposium Stemhulpen: zegen of onzin?

Formulering van stellingen

Daarnaast presenteerden onderzoekers de resultaten uit een groot veldexperiment in samenwerking met Kieskompas en de gemeente Utrecht. Tijdens de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen ontwikkelden de onderzoekers 4 extra versies van Kieskompas, waarin de kopjes boven de vraag en de formulering van de vraag (positief of negatief) gevarieerd waren. De resultaten van die veldstudie, waaraan ruim 40,000 Utrechtenaren deelnamen, wijzen uit dat de kopjes boven de vraag een zeer beperkte invloed hebben op de antwoorden en het stemadvies. Het positief of negatief formuleren van de vraag bleek wel een effect te hebben: mensen waren het bijvoorbeeld vaker oneens met de stelling 'De meest vervuilende auto's (ouder dan Diesel Euro 3 en Benzine Euro 0) moeten uit de binnenstad worden geweerd', dan dat ze het eens waren met 'De meest vervuilende auto's (ouder dan Diesel Euro 3 en Benzine Euro 0) moeten in de binnenstad worden toegelaten'. De onderzoekers hadden verwacht dat het positief of negatief formuleren van de vraag ook een effect zou hebben op het aantal 'geen mening' antwoorden. Meer specifiek was de verwachting dat negatieve vragen moeilijker zijn en daarom meer 'geen mening' antwoorden zouden genereren. In veel gevallen bleek dat er inderdaad een effect was op het aantal 'geen mening' antwoorden. Echter, een negatieve vraagstelling bleek niet structureel meer 'geen mening' antwoorden op te leveren. De onderzoekers ontdekten dat vaker 'geen mening' geantwoord wordt als de vraag in termen van de status quo wordt geformuleerd. Zo werd er vaker 'geen mening' geantwoord op de vraag of vervuilende auto's in de binnenstad moeten worden toegelaten.

Formuleren van stellingen

Deze bevindingen hebben implicaties voor het ontwikkelen van stemhulpen; stemhulpbouwers moeten zich bewust zijn van de effecten die de formulering van de vraag kan hebben. Vooralsnog lijkt het advies voor stemhulpbouwers om vragen in termen van een verandering ten opzichte van de status quo te formuleren. Het aantal 'geen mening' antwoorden is/blijft dan relatief beperkt en het stemadvies wordt op zoveel mogelijk thema's gebaseerd.

Ruimte voor verbetering?

Ruimte voor verbetering?

In een afsluitend debat gaven stemhulpbouwers, politici, pers en onderzoekers hun visie op stemhulpen. Hoe kunnen dit soort tools verder verbeterd worden? Deelnemers suggereerden om bij elke stelling de argumenten weer te geven van verschillende partijen om voor of tegen de stelling te zijn, maar dan zonder vermelding van de partijnamen. Zo kunnen de tools nog beter de kennis over politiek vergroten.

Het symposium trok een breed publiek van wetenschappers, betrokken politici en gemeenteambtenaren uit Utrecht, maar ook griffiers van andere gemeenten en journalisten. Naar aanleiding van het congres stonden er berichten in Trouw, Tubantia en het Reformatorisch Dagblad en werden onderzoekers Bregje Holleman, Claes de Vreese en André Krouwel geïnterviewd op Radio 1 en op RTV Utrecht.

* Bregje Holleman, Naomi Kamoen (beiden Universiteit Utrecht), Jasper van de Pol en Claes de Vreese (beiden Universiteit van Amsterdam)