Wijze lessen uit historische poep- en piesgrappen

Case

Wijze lessen uit historische poep- en piesgrappen

Scabreuze grappen over poep en pies zijn van alle tijden. Bas Jongenelen vond alleen al in literaire schrijfsels uit het jaar 1561 genoeg voorbeelden voor een promotieonderzoek. Tot zijn verrassing ontdekte hij nergens sporen van de toenmalige maatschappelijke onvrede.

Bas JongenelenBas Jongenelen (foto: Fontys)

Het is niet per definitie allemaal hoogstaande literatuur wat is overgeleverd uit het jaar 1561, maar wel leerzaam. Er wordt gelachen om seks – en om het mislukken daarvan – en er wordt heel wat afgedronken. De teksten schetsen oergezellige taferelen, feest vieren was populair. Een man constateert na urenlang zuipen in een café dat zijn geld op is. Is het daarmee uit met de pret? Zeker niet, want dan mag je “naer myn oomken” gaan, zoals Eduard de Dene schrijft in zijn ‘Liedeken Vander Benauthe’. ‘Mijn oom’ staat in dit gedicht voor de lommerd, aan wie je je bezittingen verpatst om door te kunnen drinken. “Hoe leuk is dat niet? Want bij de pandjesbaas kom je natuurlijk nog veel meer dronkenlappen tegen die hetzelfde doen”, legt Bas Jongenelen (1968) uit. “Met het geld kun je gezellig nog meer bier drinken, tot je niks meer hebt.”

Voor de docent Nederlands aan de Fontys Hogeschool ging een wereld open toen hij in de overgeleverde teksten dook uit het midden van de zestiende eeuw. De loftrompet voor verwerpelijk gedrag, zoals in bovenstaand voorbeeld, is daarin een merkwaardig, maar veelvoorkomend thema. Kennelijk lag de bedoeling in het inzichtelijk maken van een onverstandige handelwijze. Want soms wordt een coupletje toegevoegd met een moralistische waarschuwing: doe zoiets toch maar liever niet.
 

Poephumor was voor zestiende-eeuwers ook een onuitputtelijke bron van vermaak. Een man komt thuis, maar is zo dronken dat hij omgekeerd bij zijn vrouw in bed kruipt. In plaats van haar borsten te kussen begint hij bij haar billen. “Blijkt ze toevallig juist buikloop te hebben”, vertelt Jongenelen. “Je ziet het al aankomen. Na een enorme scheet zit zijn hele gezicht onder de poep.”

Wist u dat? Mensen maakten destijds liefst grapjes over ‘veilige’ onderwerpen, waarmee ze niemand tegen het hoofd stootten. Zeker geen geestelijken.

Welke wijze les we hieruit kunnen trekken? In ieder geval dat mensen destijds liefst grapjes maakten over ‘veilige’ onderwerpen, waarmee ze niemand tegen het hoofd stootten. Zeker geen geestelijken, want die waren immers ongetrouwd. “Dat was een jaar later op het liedjesfestival van Brussel wel anders. Daar was openlijke maatschappelijke kritiek op koning Philips II en de kerk te horen.”

Literaire festivals

Jongenelen, die van NWO een promotiebeurs voor leraren kreeg, had twee hoofdredenen om uitgerekend het jaar 1561 uit te kiezen. In de eerste plaats is er uit dat jaar een zee aan bruikbare teksten overgeleverd. Eduard de Dene bracht zijn ‘verzameld werk’ uit. Bovendien vonden er twee literaire festivals plaats, waarvan de teksten later werden gepubliceerd. Het grootschalig poëziefestival van het Antwerpse Landjuweel was een spektakel met literatuur, muziek, vuurwerk en een soort carnavalsoptocht. Het gratis toegankelijke poëziefestival van Rotterdam had een iets bescheidener opzet – een soort Poetry International avant la lettre. Maar ook dit festival mocht zich verheugen in massaal bezoek vanuit het hele graafschap Holland. Zowel de hogere standen als de arbeidersklasse zagen het als een leuk dagje uit in de buitenlucht. 

Kennelijk was in 1561 de druk nog niet hoog genoeg, maar een jaar later wel
- Bas Jongenelen

Tweede reden is dat het jaar 1561 pal voor het begin van de Tachtigjarige Oorlog ligt. Slechts vijf jaar later zou de Beeldenstorm zorgen voor de lont in het kruitvat. Het kan dus eigenlijk niet anders dan dat er toen al iets gistte. Wat zou je daarvan terug kunnen vinden in de overgeleverde teksten? Eigenlijk helemaal niets, constateert Jongenelen tot zijn grote verbazing na zes jaar onderzoek. Geen sneren naar de Spanjaarden, Inquisitie, adel of katholieke kerk. “In de teksten hangt een sfeer van ‘er is niks aan de hand, we gaan lekker bier drinken’. Maar als je zoiets heel hard roept, is er natuurlijk juist wél iets aan de hand ”, denkt hij. “Kennelijk was in 1561 de druk nog niet hoog genoeg, maar een jaar later wel.”

Humor 1561

‘De mast staat al overeind’

In de teksten die hij bestudeerde kwam hij juist voorbeelden tegen van het tegendeel van kritiek: (zelf)censuur. Een van origine Franse tekst kwam hij in ‘gekuiste’ versie tegen in een van de Hollandse boekwerken. Het origineel bespotte twee leden van de machtige orde der Franciscaner monniken. Bij de oversteek met een veerpont maken ze seksuele toespelingen op de veerpontbeheerster. “De mast staat al overeind.” De vrouw weet er wel raad mee. Ze wil “geen twee stuurmannen op één boot”, het is beter om twee privéontmoetingen te organiseren. Daarom vaart ze langs twee eilandjes waar ze hen een voor een afzet. In plaats van terug te varen, peddelt de vrouw naar het dorp om een stel potige mannen op te halen. Die geven de monniken een geweldig pak slag. Jongenelen: “In de Nederlandse tekst gebeurt precies hetzelfde, maar zijn de ‘monniken’ in ‘mannen’ veranderd. De auteurs durfden het dus niet aan om vertegenwoordigers van de Rooms-katholieke kerk te bespotten.” Was de auteur misschien een katholiek? Nee, schrijver Johan Fruytiers uit Leiden zou later als protestant vluchten naar Emden. Ter verduidelijking: ketterij was in die jaren een vergrijp waarvoor je op de brandstapel belandde.

Kamagurka

Was het eigenlijk allemaal potsenmakerij op die zestiende-eeuwse festivals? Zeker niet. Het overgrote deel van de toneelteksten en gedichten behandelen serieuze, religieuze en tragische onderwerpen. Toch richtte Jongenelen zich volledig op de literaire humor. Waarom eigenlijk? “Omdat absurde humor van mensen als Kamagurka, Wim T. Schippers en Monty Python me altijd dat speciale gevoel heeft gegeven dat ík alleen het kon begrijpen”, vertelt Jongenelen. “In zestiende-eeuwse teksten kom ik soms net zulke rare dingen tegen. Mensen die dat destijds waardeerden, zullen waarschijnlijk ook de ontdekking hebben gedaan dat er anderen waren die het snapten. Het ‘wij tegen de rest’- gevoel dat je dan krijgt, bestond eeuwen geleden natuurlijk ook.”
Daarom verbaast het hem dat er nooit eerder iemand op het idee kwam om dit soort humoristische pareltjes aan de vergetelheid te ontrukken - en nader te bestuderen. “Maar misschien duurt het ook wel vijfhonderd jaar voordat er iemand een proefschrift aan André van Duin wijdt.”

Bas Jongenelen promoveerde op dinsdag 12 november 2019 om 14:30 in de Academiezaal van de Radboud Universiteit. Zijn proefschrift is verkrijgbaar via ISBN 9789402198690.

Tekst: Edo Beerda