'Sex and romance' onder Nederlandse pubers in kaart

Case

'Sex and romance' onder Nederlandse pubers in kaart

Project STARS heeft voor het eerst in een meerjarig onderzoek ontwikkelingen in romantische relaties en seksualiteit van Nederlandse tieners in kaart gebracht. Opmerkelijk: pubers denken meer aan verliefdheid en relaties dan aan seksueel contact, aldus de dagboeken die ze voor de onderzoekers bijhielden.

Hoe verloopt de relationele en seksuele ontwikkeling van jongeren tijdens de adolescentie? Welke verschillen zijn er tussen jongens en meisjes? Welke rol spelen puberteit, persoonlijkheid, opvoeding? Leeftijdgenoten en internet? Project STARS (Studies on Trajectories of Adolescent Relationships and Sexuality) heeft de afgelopen jaren hieromtrent een schat aan informatie voortgebracht, die kan helpen antwoorden te vinden op deze vragen.

Rond een onderwerp waar we (bijna) allemaal in onze tienertijd mee te maken krijgen – ontluikende romantische en seksuele gevoelens én ‘handelingen’ – was in Nederland nooit eerder zo’n grootschalig en meerjarig onderzoek gedaan. En dat was een serieuze lacune. Immers, tussen je tiende en je achttiende levensjaar gebeurt er op het gebied van lichamelijke, verstandelijke en sociaal-relationele ontwikkeling zoveel dat bepalend is voor de rest van je leven! Door het longitudinale Project STARS is er meer begrip ontstaan over Nederlandse adolescenten in deze cruciale levensperiode.

Jongste deelnemers waren uit groep 8

Projectleider Maja Deković: ‘Tot we met Project STARS begonnen waren studies naar seksualiteit onder Nederlandse jeugd veelal van beschrijvende aard, niet-theoretisch, met weinig aandacht voor de context. Als je de bepalende factoren van relationele en seksuele ontwikkeling goed wilt begrijpen, moet je onderzoek doen waarin de sociaal-emotionele ontwikkeling en omgevingsfactoren een plaats hebben. En dat dan over meerdere jaren uitgesmeerd.’

Gedurende vier jaar bestudeerden de onderzoekers bijna 1.300 jongens en meisjes, in aanvang tussen 11 en 15 jaar, met verschillende opleidingsniveaus. De jongste kinderen namen al deel toen ze in groep 8 van de basisschool zaten. Het onderzoek werd verdeeld in vier specifieke thema’s: individuele karakteristieken in relatie tot relationele en seksuele ontwikkeling, de rol van ouders en leeftijdgenoten daarin, de rol van internet én individuele levenslopen binnen seksuele ontwikkeling op de lange termijn. Tezamen genereerden deze vier deelprojecten een unieke en veelzijdige dataset: verschillende invalshoeken die over meerdere jaren zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens opleverden.

Foto: Hollandse Hoogte

Zo vond de onderzoeksgroep dat jongeren die een lage opleiding volgen eerder beginnen met seksuele ontdekkingstochten. En dat geldt voor meisjes zowel als voor jongens. Hoe hoger je opleiding als adolescent, hoe later je vuurdoop, zo bleek. Maja Deković: ‘Het zijn interessante kwesties. Waarom heeft het ene kind al verkering, terwijl het andere nog nooit verliefd is geweest? Doel is om een manier te vinden adolescenten optimaal te begeleiden naar een gezonde en positieve seksuele ontwikkeling.’

Verliefd op een afstandje?

Wieke Dalenberg bestudeerde 183 adolescenten die op verzoek een dagboek bijhielden. Adolescenten blijken vooral op ‘romantisch’ of relationeel niveau hun seksuele ontwikkeling te beleven. Zij zijn minder geneigd tot fysieke handelingen over te gaan dan je zou verwachten, althans veel minder dan de traditionele bezorgdheid van ouders rechtvaardigt. De dagelijkse beleving van seksualiteit bestaat vooral uit aantrekking, iemand leuk vinden, amoureuze gevoelens en ervaringen binnen romantische relaties, zonder een expliciet seksueel doel te hebben, aldus de dagboekstudie. En wie eenmaal contact heeft gemaakt met zijn of haar liefdesobject voelt zich ronduit happy. Wie verliefd is op een afstandje, zónder contact, is minder duidelijk over geluksgevoelens.

Wist u dat? 60% van de jeugd tussen 15 en 18 jaar heeft wel eens getongzoend

Wieke Dalenberg: ‘Adolescenten voeren weinig gesprekken met hun ouders over seks en hartsgeheimen, dat zal geen verbazing wekken. Er is niettemin een groep die dat wél doet: die hebben dan ook meestal meer ervaring. Het ‘romantische stadium’ is een belangrijke factor om je ouders in vertrouwen te nemen – en die gesprekken gaan dan over verliefdheden en relaties, níet over seks.'

Zestig procent van de jongeren tussen 15 en 18 jaar heeft wel eens ‘getongzoend’, maar zal dat feitje niet zo snel delen met zijn pa en ma.

Ouders belangrijke buffer

Onderzoekster Daphne van de Bongardt vond op haar beurt dat jongeren die een goede relatie met hun ouders hebben minder vroeg seksueel actief zijn. En door hun grotere zelfwaardering, waaraan een goede band met ouders bijdraagt, ervaren zij seks veel positiever zodra ze er eenmaal van proeven! Ouders die veel met hun opgroeiende kinderen over seks praten, fungeren bovendien als belangrijke buffer tussen gangbare normen over seks onder leeftijdgenoten en de intenties van hun kinderen om seks te hebben. Een belangrijke bevinding, omdat dergelijke normen onder peers (denk aan: seksueel gedrag in de vriendenkring of hun opvattingen erover, of expliciete druk van vrienden om seks te hebben) nauw blijken samen te hangen met eigen seksuele gedragingen van jongeren.

Daphne van de Bongardt: ‘De manier waarop jongeren met hun beste vriend of vriendin praten over seks hangt samen met hun percepties van die heersende seksuele normen onder peers. Hoe negatiever ze met elkaar praten over seksualiteit en daarbij vooral de riskante aspecten benadrukken – denk aan condoomgebruik of persoonlijke grenzen – hoe meer ze denken dat leeftijdgenoten al seks bedrijven of dit goedkeuren. Het is dus niet alleen van invloed dát jongeren met hun ouders of vrienden praten over seks, of hoe vaak, maar vooral ook de manier waarop.'

Populaire meisjes zoeken romantiek

Daartegenover staat dat jongens die vroeg in de puberteit terecht komen vaak tot de populairste scholieren behoren en dat is ook wat waard. Deze verhoogde populariteit zorgt voor vroege seksuele activiteit, zo ontdekte Laura Baams. Onder meisjes is dat anders: een snellere puberteitsontwikkeling betekent weliswaar ‘populair’, maar dat leidt dan vaak tot romantische relaties en niet per se seks.

De laatste nieuwsbrief voor de deelnemers aan het project

Laura Baams vond nog iets opmerkelijks: ‘Emotioneel instabiele jongeren stellen een kring van vrienden of vriendinnen samen die net zo ver in ´seksuele intentie´ zijn als zijzelf. Daaruit blijkt hoe belangrijk omgevingsfactoren zijn voor de romantische en seksuele ontwikkeling. De puber ontwikkelt zich niet alleen door zijn eigen persoonlijkheid of biologische ontplooiing, maar ook onder invloed van school, thuis, vrienden en zo meer.’

Internet onder jongeren

Suzan Doornwaard onderzocht de rol van het internet onder jongeren. ‘Vanuit historisch perspectief is het een uniek fenomeen dat jongeren opgroeien met een medium dat zo doordrenkt is met grotendeels vrij toegankelijk seksueel materiaal. Nog belangrijker, voor het eerst kunnen jongeren actief participeren door zelf foto’s en filmpjes te maken en te delen.´

Zijn door die laagdrempeligheid pubers alleen nog met online seks bezig? Nee, dat is veel minder dan wordt gevreesd. Doornwaard: ‘En dan met nadruk onder meisjes. Sociale media zijn natuurlijk wel héél populair en vormen binnen de vriendenkring een belangrijk middel voor communicatie en zelfpresentatie met een seksueel tintje, net als voor het vormen van seksuele denkbeelden en verwachtingen.’

Desondanks bevestigt het onderzoek eerdere veronderstellingen over de invloed van seksuele media. Jongeren die veel online met seks bezig zijn kunnen een negatief zelfbeeld ontwikkelen. Denk aan een lagere waardering van hun uiterlijk. Ontevreden zijn over je eigen seksuele ervaring is er ook een mogelijk gevolg van. Doornwaard: ‘Overigens, uit mijn online chatsessies met groepjes jongens en meisjes tussen de 16 en 19 jaar bleek dat meisjes die géén porno kijken soms net zo goed negatief over zichzelf denken en onzeker zijn. Dat komt omdat ze het idee hebben dat bijna alle jongens wél naar porno kijken en daar dan onrealistische verwachtingen opdoen over seks en seksuele aantrekkelijkheid.’

Wifi-toegang in slaapkamer

Ook hier geldt dat Internetgebruik niet op zichzelf staat, maar geheel is verweven met processen in de adolescent zelf, hun ouders en hun leeftijdgenoten. Gebruik van seksueel expliciet internetmateriaal (onder jongens) en gebruik van sociale netwerksites (onder jongens en meisjes) voorspellen een groeiende overtuiging van goedkeuring binnen de vriendenkring van seksueel gedrag en activiteit. Omdat jongeren dénken dat het zo hoort, gaan ze zich er vervolgens ook naar gedragen. En ouders die het niet zo nauw nemen met handhaving van de toegestane online tijd en hun kinderen in hun slaapkamer wifi-toegang geven, kunnen rekenen op vaker en meer seksgerelateerd online gedrag van het kroost.

We hebben nu een unieke en veelzijdige dataset
- Maja Deković

Maja Deković: ‘Project STARS heeft veel waardevolle nieuwe inzichten in romantische en seksuele ontwikkeling van adolescenten opgeleverd, en biedt belangrijke aanknopingspunten voor vervolgonderzoek en implementatie in de praktijk. En wat ik hartverwarmend vond was het commentaar van een van de jonge deelnemers na de laatste enquêteronde: “Ik vond het leuk om de vragenlijst weer in te vullen, want zo kom ik meer te weten over mezelf”… Dat is toch mooi.’

Meer informatie

Project STARS (Studies on Trajectories of Adolescent Relationships and Sexuality) is de werktitel van het onderzoeksproject ‘Sexuality and intimate relations of Dutch youth: Developmental trajectories and developmental context’. Het loopt van 2010 tot eind 2015 en is gefinancierd uit het NWO-programma Jeugd en gezin en door het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek Seksualiteit (FWOS). In het project werken onderzoekers van de Universiteit Utrecht en de Rijksuniversiteit Groningen samen.

Projectleider is prof. dr. Maja Deković, hoogleraar Orthopedagogiek (Universiteit Utrecht, Utrecht Center for Child and Adolescent Studies). Medeaanvragers waren prof. dr. Marcel van Aken (UU), prof. dr. Tom ter Bogt (UU) en prof. dr. Paul van Geert (RUG). Postdocs Laura Baams en Suzan Doornwaard werken bij de Universiteit Utrecht, Daphne van de Bongardt (inmiddels) bij de Universiteit van Amsterdam. Wieke Dalenberg promoveert binnenkort bij de Rijksuniversiteit Groningen.

Andere senioronderzoekers die aan dit project hebben gewerkt zijn prof. dr. Judith Dubas (UU), prof. dr. Geertjan Overbeek (UvA), dr. Ellen Reitz (UU), dr. Regina van den Eijnden (UU), prof. dr. Greetje Timmerman (RUG), dr. Saskia Kunnen (RUG) en prof. dr. Ine Vanwesenbeeck (UU).

Op vrijdag 11 september had het eindsymposium van Project STARS plaats.