Ook de winkel is een Romeinse uitvinding

Case

Ook de winkel is een Romeinse uitvinding

Miko Flohr brengt de opkomst van het winkelpand en ‘shopping mall’ in kaart

Stel je voor: Kerstmis 2017. (Die voorpret oproepen mag geen probleem opleveren…) We hebben vrij, we bezitten een pinpas, we doen inkopen. Cadeaus, voedsel, drank, mooie kleding. Daar hebben we in toenemende mate het internet voor, maar we gebruiken nog voor het overgrote deel die goeie oude vertrouwde winkel, het warenhuis, de shopping mall. Ruimtes met een deur en een toonbank en koopwaar en een verkoper… waar klanten in en uit lopen. Leidt tot een prikkelende vraag: waar heeft dat fenomeen ‘winkel’ eigenlijk zijn oorsprong?

Gelukkig zijn er mensen als classicus Miko Flohr die er onderzoek naar doen en die, binnen marges van waarschijnlijkheid, dat haarfijn kunnen uitleggen. En niet verbazingwekkend: ook het begrip ‘winkel’ is een uitvinding van Romeinse makelij, net als militaire discipline, imperialisme, kolonialisme, annexering en uitbuiting... Ach nee, zelfs rond de feestdagen mogen we zo’n luchtig-kortzichtig oordeel niet vellen over het oude Rome, dat ons immers ook de rechtspraak, het aquaduct en de bestrate weg bracht – hoe twijfelachtig in sommige ethische opzichten hun bullebakkencultuur ook geweest moge zijn.

Tabernae rondom de hoofdingang van Domus Fulminata even buiten Ostia. Foto: Miko FlohrTabernae rondom de hoofdingang van Domus Fulminata even buiten Ostia. Foto: Miko Flohr

Miko Flohr is zoals gezegd classicus maar promoveerde in de archeologie: eerst deed hij onderzoek aan Oxford University en aan de Universiteit Leiden – met een Veni uit de Vernieuwingsimpuls – zet hij sinds 2013 zijn tanden in de vroegste geschiedenis van ‘de winkel’. De oudste ‘winkels’ die we kennen zijn Romeinse tabernae. In dat Latijnse woord herkennen we terstond het ons welbekende taveerne, dat je nog als ouderwetse term voor een verkooppunt van alcoholische dranken tegenkomt, zoals kroeg of herberg.

Oorsprong tabernae

Zo’n tweeëntwintig eeuwen geleden, in het oude Rome, Pompeï en Ostia, zag je voor het eerst in de geschiedenis die tabernae verschijnen. Zij boden plaats aan de meest uiteenlopende negoties:verkopers van brood, fruit, groente… smidsen, hoefsmederijen, stoffenverkopers, schrijvers en ga zo maar door. (Mirjam Groen-Vallinga publiceerde eerder dit jaar een uitputtende lijst van ongeveer vijfhonderd beroepen die in Rome werden uitgeoefend.)

Wist u dat? De opkomst van de taberna houdt gelijke tred met de verspreiding van muntgeld. In de vierde en derde voor Christus zie je dat ze tegelijkertijd een vaste plaats krijgen in het ‘Italiaanse’ leven

Dat de winkel een geschiedenis heeft, wordt weleens vergeten. Flohr: ‘Per jaar schuifelen 4 miljoen bezoekers door de opgravingen van Pompeï en Ostia, de haven van Rome, waar de Tiber de Tyrreense Zee bereikt. Overal zien ze de restanten van winkels. Toeristen nemen ze voor lief omdat het zo’n alledaagse aanblik biedt; natúúrlijk waren er winkels in een stad! Maar is dat wel zo vanzelfsprekend? Ook de winkel is ooit uitgevonden, en als je goed naar de geschiedenis kijkt blijkt dat de opkomst van de taberna gelijke tred houdt met de verspreiding van een ander alledaags fenomeen: muntgeld. In de vierde en derde voor Christus zie je dat ze tegelijkertijd een vaste plaats krijgen in het ‘Italiaanse’ leven.’

Ambachtslieden werkten aan huis

Ambachtslieden – of het nu sandalenmakers of broodbakkers waren – werkten van oudsher aan huis, als een soort zzp’ers avant la lettre. Klanten wisten precies waar ze dagelijks de spullen van hun gading konden vinden: ze kenden de werklui c.q. leveranciers persoonlijk en andersom.  Dit werd lastiger naarmate de schaal van de steden toenam: de logistieke complexiteit navenant. Het dagelijkse contact verwaterde. Transacties werden onpersoonlijker. In die context floreerden middelen die het mogelijk maakten om anoniem en onafhankelijk van persoonlijke banden zaken te doen. Geld en een winkelbestand.

Toch was het ontstaan van de winkel niet vanzelfsprekend. Flohr: ‘In het historische Griekenland waarvan de Romeinen zoveel kopieerden, is vreemd genoeg nooit sprake geweest van winkels. Groente en fruit kocht je in Athene op de markt (de agora) of bij straatverkopers. Zo ging het aanvankelijk in Italië ook, maar uiteindelijk koos men daar voor permanente faciliteiten. Pas later zie je in Griekse steden óók winkels.’

Schaalvergroting dankzij groei imperium

De groei van het Romeinse imperium in de 2e eeuw voor de jaartelling (lees: de verovering van grote delen van het Middellandse Zeegebied), zo ontdekte Flohr, ging met nóg een spectaculaire noviteit gepaard: enorme schaalvergroting. In Pompeï verschenen tabernae ook rondom grote publieke gebouwen, zoals badhuizen. Ook werden zelfstandige rijen met tabernae gebouwd. Deze winkelrijen werden verhuurd aan uitbaters, maar gefinancierd door rijke investeerders en grootgrondbezitters of door de overheid. De overheid was verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de stad en de beschikbaarheid van primaire levensbehoeften voor de inwoners, maar verdiende zelf ook aan dit soort projecten.

Romeins imperialisme kwam vooral ten gunste van de Romeinse elite
- Miko Flohr

Miko Flohr kijkt als archeoloog naar de restanten van gebouwen: het metselwerk, de gebruikte natuurstenen, later bakstenen. Op basis daarvan trekt hij conclusies. ‘Het is een interessant, maar schimmig verleden. Sommige dingen zie je wel, andere zaken blijven onduidelijk. Wat verkocht men eigenlijk? Kunnen we niet exact zeggen. In Pompeï – omdat de stad nu eenmaal in één klap onder een dikke laag lava en as werd geconserveerd - zie je dat de textielindustrie gedomineerd wordt door de elite. Ateliers bevonden zich in de buurt van de grotere huizen. Het omgekeerde is het geval bij voedselverkoop: dit lijkt duidelijk het terrein van de kleinere luiden. Daar zie je dus, voor de eerste keer, via commercie een tweedeling in de maatschappij ontstaan. Rijk en arm maakten gebruik van verschillende leveranciers.’

Bereidden Romeinen eigenlijk hun voedsel zelf thuis? ‘Ook daarover is discussie onder archeologen en geschiedkundigen. Vanzelfsprekend kun je zeggen dat alles wat direct met voedsel te maken had is verdwenen. Vergeet ook niet: pas recentelijk is ons vakgebied geïnteresseerd geraakt in de ‘bovenste lagen’ van archeologische opgravingen. Voordien wilde men per se naar de bron, naar de oorsprong van een locatie. Daartoe is van alles weg geschept, verdwenen – kennis en materiaal waarvoor we nu een moord zouden plegen. Kortom, we weten het niet, precies.’

Tabernae in de literatuur

Het ligt voor de hand dat de onderzoeker in de tastbare ruïnes van steden maar ook in de literatuur rondneust. Dat doet Flohr dan ook. ‘Rond het jaar 0 beginnen schrijvers gewag te maken van tabernae.  Volgens auteurs als Livius en Dionysius van Halicarnassus zouden winkels er al in de 6e eeuw geweest zijn, ten tijde van een van de laatste koningen, Tarquinius Priscus. Onmogelijke veronderstelling, want er was nog geen géld. Aantoonbaar incorrect dus, maar een bewijs hoe alomtegenwoordig het concept winkel toen al was. Men kon zich niet voorstellen dat er een tijd was dat ze niet bestonden.’

In tijden van oorlog bleven de tabernae rond het Forum Romanum dicht. Schrijvers tekenen op dat er dan een unheimische sfeer in de stad hangt. Zoals wanneer de rolluiken op de Coolsingel dichtgaan wanneer een voetbalevenement erom vraagt. Zó ingeburgerd was de winkel inmiddels…

thermopolium: soort snackbar voor arme mensen in het oude Romeinse Rijk. Foto: Shutterstock / Alvaro German VilelaEen thermopolium, zo heette in het oude Romeinse Rijk een commercieel etablissement waar je kant-en-klare maaltijden kon bestellen. Een soort snackbar. Vooral de armere bevolking maakte gebruik van deze zaakjes, omdat zij meestal geen eigen keuken had. Foto: Shutterstock / Alvaro German Vilela

Je zou denken dat het welvaartsfenomeen ‘winkel’ met de toenemende rijkdom van het imperium ook elders voet aan de grond kreeg. Dat is maar ten dele het geval. Flohr: ‘Een stadje als Saepinum in de Apennijnen, vakkundig blootgelegd door archeologen,  biedt weliswaar een aanblik van rijen winkels, maar dit waren toch in feite kleine woonhuisjes, mét een winkeltje eraan vast. De grootschalige Romeinse ‘shopping mall’ drong vanuit de kleine binnenring van de imperiale macht (Rome, Pompeï, Ostia) niet naar buiten.’

Eén duidelijke conclusie wil Flohr hieruit wel trekken: Romeins imperialisme kwam vooral ten gunste van de Romeinse elite. De rest van Italië profiteerde aanzienlijk minder van de overvloed die met golven uit de randen van het rijk naar de nucleus stroomde. De denarii klotsten tegen de spreekwoordelijke plinten, maar slechts in de huizen van een in omvang zeer beperkte aristocratische en plutocratische beau monde.

En met dat in het achterhoofd is de stap van Rome rond 100 voor Christus naar Nederland tijdens Kerstmis 2017 weer eenvoudig gemaakt.

Foto in de banner: Winkels zorgen voor commercialisatie van het straatbeeld. Dit is Insula 14, Via dell'Abbondanza, vanuit het oosten, in Pompeii. Foto: Miko Flohr