Nederlandse hoogvenen staan onder druk

Case

Nederlandse hoogvenen staan onder druk

Roy van Beek gefascineerd door ‘gevaarlijke en mysterieuze plekken, ver van de bewoonde wereld’

Wie Rotterdamse stratenmakers aan het werk ziet, kan niet anders dan compassie voelen: zó liggen de klinkers er spiegelglad bij, na een half jaar worden weggebruikers alweer onaangenaam dooreen geschud over schots en scheef wegdek. En niet alleen in de Maasstad. De veenlagen waaruit grote delen van west-Nederland bestaan betekenen een niet aflatend gevecht tegen verzakkingen, waarbij die soppige spons wel eens binnensmonds vervloekt wordt.

Roy van Beek op de heidevelden van Dartmoor, UK. Man op een veld.Roy van Beek op de heidevelden van Dartmoor, UK

Roy van Beek (Veni, Vidi) is daarentegen dol op veen en weet er alles van. Hij is universitair docent aan de vakgroepen Bodemgeografie en Landschap en Culturele Geografie van Wageningen University & Research. Hij onderzoekt de dynamische relatie tussen mens en landschap in de prehistorie en vroeg-historische tijd. Combinatie van gegevens en methodes uit verschillende vakgebieden biedt hem de mogelijkheid die relatie te reconstrueren. Maar: het ene veen is het andere niet.

Wist u dat? Hoogvenen op hogere zandgronden in Zuid-, Oost- en Noordoost-Nederland, werden voorheen beschreven als gevaarlijke en mysterieuze plekken, ver van de bewoonde wereld, die je beter kon mijden.

Ene veen is het andere niet

Van Beek: ‘Ooit waren grote delen van ons land bedekt door uitgestrekte venen: laagveen en hoogveen. In zijn algemeenheid: laagveen ontstaat in depressies en laagtes, onder invloed van het grondwater, en bestaat uit resten van diverse soorten moerasplanten. Hoogveen, bijna uitsluitend veenmos, ontwikkelt zich boven de grondwaterspiegel en wordt gevoed door regenwater. Dat tweede type, en met name de hoogvenen die we tegenkomen op de hogere zandgronden van Zuid-, Oost- en Noordoost-Nederland, werd voorheen beschreven als gevaarlijke  en mysterieuze plekken, ver van de bewoonde wereld, die beter gemeden konden worden. Zo zat het echter niet.’

Het ‘Paar van Weerdinge’. Deze twee veenlijken uit de late ijzertijd werden in 1904 tezamen gevonden. Overblijfselen van 2 lijken.Het ‘Paar van Weerdinge’. Deze twee veenlijken uit de late ijzertijd werden in 1904 tezamen gevonden. Aanvankelijk werd verondersteld dat het een man en een vrouw betrof, maar DNA-analyse wees uit dat het om twee mannen gaat.

Hoogvenen zijn al vele duizenden jaren lang onderdeel van ons cultuurlandschap.  Al die tijd werden ze door mensen betreden, ingericht en geëxploiteerd. In de prehistorie en vroeg-historische tijd werd aan hen, getuige talloze spectaculaire archeologische vondsten, zelfs bijzondere betekenis toegekend: ze werden gezien als plekken waar men in contact kon treden met hogere machten.

Naar schatting is meer dan 90 procent van het oorspronkelijk aanwezige hoogveen inmiddels verdwenen door ontginningen voor landbouw en turfwinning, en wat overgebleven is wordt bedreigd door klimaatsverandering, landbouw en vervuiling.  

Hoogvenen vormden tot voor kort een belangrijk en markant onderdeel van het Nederlandse landschap. Het Bourtangerveen, met een geschatte grootte van 1600 vierkante kilometer, was voor aanvang van de grootschalige turfwinning waarschijnlijk zelfs het grootste hoogveen van Europa.  ‘Toch is het opvallend hoe weinig we nog maar weten over veengroei. Dit geldt vooral voor het moment waarop hoogvenen zich begonnen te ontwikkelen en voor de snelheid waarmee het veen zich vervolgens uitbreidde over de Nederlandse zandgronden. Was het bijvoorbeeld een gradueel proces, dat vele millennia duurde, of werden periodes van snelle expansie afgewisseld met stagnatie?’

Brandstof voor bronsproductie

Algemeen wordt aangenomen dat de eerste hoogvenen zich ontwikkelden vanaf omstreeks 5000-4000 voor Christus, maar deze hypothese is slechts gebaseerd op een handjevol gegevens. De economische exploitatie van hoogveen in de prehistorie en vroege historie is moeilijk te reconstrueren. Veel activiteiten laten nauwelijks archeologische sporen na (jacht, exploitatie van plantaardige bronnen, begrazing), of die sporen verdwenen door latere ontginningen. In sommige delen van Europa zijn er aanwijzingen dat er al vanaf de Bronstijd turf gestoken werd, mogelijk om te gebruiken als brandstof voor bronsproductie en als meststof voor op de akkers.  Dit soort aanwijzingen ontbreken echter voor Nederland.

De geschiedenis van de hoogveenontginningen in Nederland gaat al zo’n 1000 jaar terug. Doorgaans wordt aangenomen dat de oorsprong van deze ontwikkeling gerelateerd is aan de explosieve groei van de zuidelijke steden Brugge, Gent en Antwerpen in de Hoge en Late Middeleeuwen (circa 1000-1500 na Christus).  Dit leidde tot een grote behoefte aan brandstof en landbouwgrond. Onder toenemende menselijke invloed werd het Middeleeuwse landschap opener en bos steeds schaarser, waardoor turf de rol van hout als voornaamste brandstof ging overnemen. Dat bleef zo tot in het eind van de 19e en vroege 20e eeuw, en vanwege die belangrijke rol werd turf ook wel als ‘het bruine goud’ omschreven.

Van Beek: ‘De ontgonnen gebieden konden worden omgezet in landbouwgrond. Via Vlaanderen deed commerciële turfwinning zijn intrede in Zuid-Nederland , en vanuit daar spreidde zich tussen de 13e en 16e eeuw in noordelijke richting een ‘ontginningsgolf’ uit over Nederland. Vanaf dat moment lag het zwaartepunt van de hoogveenontginningen in Noordoost-Nederland.  De Peel vormt een uitzondering. Dat grote hoogveen op de grens van Brabant en Limburg is pas vanaf de 18e en 19e eeuw ontgonnen, waarschijnlijk door de slechte ontsluiting van het gebied.’

Hoogvenen en ontginningslandschappen bevatten bijzondere gegevens over het vroegere landschap en over de omgang van de mens met zijn omgeving.

Het is alarmerend dat er al zoveel veen verdwenen is
- Roy van Beek

‘Daarom is het alarmerend dat er al zoveel veen verdwenen is,’ treurt Van Beek. ‘In Nederland is ook nog maar weinig aandacht besteed aan het beheer van deze zeldzame landschappelijke en cultuurhistorische verschijnselen. Wel begint er meer aandacht te bestaan voor het herstel van hoogvenen en hun karakteristieke flora en fauna, en de stimulering van veengroei in natuurgebieden.  Sommige archeologische vindplaatsen, waaronder (de nog intacte delen van) prehistorische veenwegen, zijn beschermde rijksmonumenten. Maar deze vormen slechts het topje van de ijsberg.’

Ongetwijfeld herbergen de nog overgebleven hoogveenrestanten nog vele bijzondere archeologische overblijfselen die nog niet in kaart gebracht zijn. Hoe kunnen we deze traceren? En hoe moeten we bijvoorbeeld omgaan met de bijzondere veenkoloniale ontginningsstructuren die in sommige delen van het land nog zichtbaar zijn in het landschap? Dat zijn de vragen die Roy van Beek de komende tijd hoopt te beantwoorden.

Meer informatie

Roy van Beek werkt sinds oktober vorig jaar met NWO-financiering uit de Vernieuwingsimpuls aan zijn Vidi-project ‘Home Turf. An integrated approach to the long-term development, cultural connections and heritage management of Dutch raised bogs’ aan Wageningen University & Research.

  • Foto in de banner: Hedendaags hoogveenrestant in de Groote Peel
  • Artikel verscheen eerder in uitgebreidere vorm in Het Nederlands Landschap