Lijstjes maken in tijden van culturele crisis

Case

Lijstjes maken in tijden van culturele crisis

300 schrijvers uit het Panpoëticon Batavûm zwierven de wereld over

In tijden van culturele crisis leggen Nederlanders lijstjes aan met vaderlandse toppers. En stellen ze literaire canons samen. Dat doen we nu, tijdens de huidige crisis. Neerlandica Lieke van Deinsen (Radboud Universiteit) keerde de achttiende eeuw binnenstebuiten en deed de opmerkelijke ontdekking dat ‘we’ dat toen ook al deden. ‘Lijstjes maken met de beste literaire werken is een veel oudere gewoonte dan gedacht.’

Computervisualisatie van het Panpoëticon in een achttiende-eeuws herenhuis, door Timothy De Paepe & Lieke van Deinsen, 2016.Computervisualisatie van het Panpoëticon in een achttiende-eeuws herenhuis, door Timothy De Paepe & Lieke van Deinsen, 2016.

De achttiende eeuw in Nederland draagt steevast het verder in onbruik geraakte adjectief ‘verwekelijkt’ met zich mee. Slappe hap troef in de zompige delta. Politieke onrust en teruglopende economische perspectieven waren de norm. De indrukwekkende prestaties uit de gouden eeuw, die de Republiek opstuwde tot grote mogendheid in Europa, lagen ver in het verleden. De Republiek zakte door zijn eigen lemen voeten, onder het gewicht van Franse barok en rococo. Stoere zeemannen en gewiekste kooplieden hadden plaatsgemaakt voor bepoederde pruikendragers van verfranste snit. Door en door verwekelijkt, toch?

Van Deinsen: ‘Kenmerken voor die tijd waren angst voor buitenlandse invloeden en gebrek aan interesse voor het eigen Nederlandstalige literaire verleden, zo wil de clichématige overlevering. Juist zo’n periode van culturele crisis gaf echter aanleiding tot pittige discussies over het vaderlandse literaire erfgoed, zo bleek uit mijn onderzoek.’

Mythische ‘gouden’ eeuw

De Nederlandse literaire canon – literaire meesterwerken en hun auteurs – is hoofdzakelijk beschreven als een product van de negentiende eeuw. Pas toen werd de zeventiende eeuw uitgeroepen tot mythische ‘gouden’ eeuw en plaatsten literatuurliefhebbers Joost van den Vondel definitief op een voetstuk.

Als tegenwicht voor het dominante beeld van slaafse navolging en cultureel verval in de achttiende eeuw, presenteerden onder anderen historici Wijnand Mijnhardt en Willem Frijhoff zo’n vijfendertig jaar geleden een alternatieve visie: juist in de periode waarin de Franse invloed op de Republiek zijn hoogtepunt bereikte, noteerden zij een ander geluid. Onder dreiging van het Franse cultuurimperialisme ontstond juist een tegencultuur waarbinnen een gedeelde Nederlandstalige culturele identiteit tot uiting kwam.

Wist u dat? Rond 1800 organiseerden literatuurliefhebbers verkiezingen voor de beste Nederlandse dichter. In de huiselijke omgeving van boekenverzamelingen en privébibliotheken gingen zij op zoek naar de hoogtepunten van de Nederlandstalige literatuur.

Lijstjes met literaire meesterwerken

Van Deinsen concludeert dat lang voor 1800 er al mechanismen van canonisering in werking waren, die door de sterke focus op de negentiende eeuw nagenoeg onbesproken zijn gebleven. Hoe probeerde men al in de achttiende eeuw tot een definitie van de eigen, Nederlandstalige literaire smaak te komen? Een ogenschijnlijk moderne aanpak, zoals het aanleggen van lijstjes met de beste literaire werken of het uitroepen van de beste schrijver, blijkt veel ouder dan vaak gedacht.

Van Deinsen: ‘Literatuurliefhebbers organiseerden toen verkiezingen voor de beste Nederlandse dichter. In de huiselijke omgeving van boekenverzamelingen en privébibliotheken gingen zij op zoek naar de hoogtepunten van de Nederlandstalige literatuur . Een ideaaltypisch voorbeeld van een achttiende-eeuwse verzamelaar die zich actief inzette om literair erfgoed voor het nageslacht veilig te stellen was Gerard van Papenbroek. Zijn omvangrijke letterkundige verzameling, waarin onder andere unieke autografen van P.C. Hooft, stond open voor een geïnteresseerd publiek.’

Europese boekenmarkt

Achttiende-eeuwse literatoren zetten zich actief in voor de Nederlandstalige letteren, onder meer omdat de Republiek het veld moest ruimen als centrum van de Europese boekenmarkt. Er was groeiende concurrentie van drukkers en uitgevers uit omringende landen én de afzetmarkt voor de stroom Latijnse en Franse werken die van oudsher in de Republiek werden gedrukt kromp danig. Het intellectuele debat in Europa werd immers in toenemende mate gevoerd in de verschillende volkstalen. Noodgedwongen gingen Nederlandse uitgevers zich richten op een veelal Nederlandstalig, en daarmee kleinschaliger publiek.

'Belle van Zuylen' (Isabella Agneta Elisabeth van Tuyll van Serooskerken) leefde van 1740-1805 en geldt als een van de grootste Nederlandse literatoren uit de periode. Zij kwam niet in het Panpoëticon omdat ze 'te Frans' was. Portret geschilderd door Maurice Quentin de La Tour (1766) hangt in Musée d'art et d'histoire de Genève'Belle van Zuylen' (Isabella Agneta Elisabeth van Tuyll van Serooskerken) leefde van 1740-1805 en geldt als een van de grootste Nederlandse literatoren uit de periode. Zij kwam niet in het Panpoëticon omdat ze 'te Frans' was. Portret geschilderd door Maurice Quentin de La Tour (1766) hangt in Musée d'art et d'histoire de Genève

Tegelijkertijd voerden Franse literatoren de boventoon in de debatten over het arbitraire karakter van esthetische smaak. De aandacht voor ‘smaak’ als nationaal product – en dus niet als universeel principe, zo luidde de consensus – groeide zeker, maar niet alle nationale smaken werden gelijkwaardig geacht. Franse auteurs vonden de Franse literatuur uit het regime van Lodewijk XIV het absolute esthetische hoogtepunt. Ook auteurs in de Republiek bogen zich over de vraag wat als karakteristiek voor de Nederlandse literaire smaak gold.

Van Deinsen: ‘Summum van nationaal literair bewustzijn is het Panpoëticon Batavûm, een houten verzamelaarskabinet waarin de portretten van ruim driehonderd schrijvers waren samengebracht. Tijdgenoten bezochten de verzameling en waren vol lof over dit monument voor de Nederlandse literaire canon. Waarin overigens geen plaats was voor Belle van Zuylen, die wij nu beschouwen als een van de grootsten van haar tijd. Zij werd als ‘te Frans’ beschouwd.’

Het schrijverskabinet

Computervisualisatie van de geopende kastdeur met aan de binnenzijde de allegorische grisailleschildering door Jacob de Wit, door Timothy De Paepe & Lieke van Deinsen, 2016.Computervisualisatie van de geopende kastdeur met aan de binnenzijde de allegorische grisailleschildering door Jacob de Wit, door Timothy De Paepe & Lieke van Deinsen, 2016.

Rond 1700 startte de Amsterdamse schilder en graveur Arnoud van Halen (1673-1732) dit opmerkelijke project. Anders dan veel van zijn tijdgenoten verzamelde hij geen fossielen, stenen, munten of boeken, maar bracht hij portretten bijeen van Nederlandse dichters en dichteressen. Hij schilderde ze op metalen plaatjes van ongeveer 9 bij 11 centimeter. Van de Friese dichteres Sibylle van Griethuysen tot aan de Vlaming Willem Ogier en de Amsterdammer Jeremias de Decker.

De verzameling groeide zo explosief dat Van Halen bij Simon Schijnvoet een houten meubel bestelde waarin de portretten een plekje kregen. In het kabinet waren tientallen houten plateaus geplaatst, met elk elf portretten, in chronologische volgorde. Telkens wanneer een bezoeker een plateau uit het kabinet lichtte, kreeg hij een stukje uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis te zien. Jaar in jaar uit volgden nieuwe portretten, ook na de dood van Van Halen.

Lodewijk Napoleon vond de collectie van esthetisch onvoldoende kwaliteit. Ongelijk kun je hem niet geven
- Lieke van Deinsen

Bijna anderhalve eeuw bleef de verzameling van driehonderd portretten intact en overleefde zij zelfs de beruchte buskruitramp te Leiden in 1807. Totdat midden negentiende eeuw de nieuwe eigenaar de collectie in delen doorverkocht. Het houten kabinet werd vermoedelijk als brandhout opgestookt. Van Deinsen: ‘Ook koning Lodewijk Napoleon zag er geen brood in, toen men met de verzameling leurde. Hij vond het een mooie collectie van geschiedkundig belang, maar esthetisch van onvoldoende kwaliteit. Ongelijk kun je hem niet geven.’

Het Rijksmuseum

De portretten zwierven vervolgens heel Europa door, in grote of kleine deelverzamelingen. Inmiddels zijn er zo’n honderd boven water. Het Rijksmuseum wist de hand te leggen op enkele tientallen portretten. Tweeëntwintig ervan zijn sinds de heropening van het Rijksmuseum te zien in de openbare opstelling. Een deel wordt in het archief bewaard. ‘Jammer dat de portretten verticaal hangen. Ze zijn bedoeld om horizontaal te liggen, netjes naast elkaar als een ‘episode’ uit de literatuurgeschiedenis. Maar dat ze in dit pantheon voor de Nederlandse cultuur zijn uitgestald is natuurlijk al prachtig.’

Dankzij prachtige digitale reconstructies (www.schrijverskabinet.nl) herleeft het kabinet, zij het in twee dimensies.

Lieke van Deinsen (1987) promoveert vrijdag 12 mei aan de Radboud Universiteit, binnen het Vidi-project ‘Proud to be Dutch. The role of war and propaganda literature in the shaping of an early modern Dutch identity, 1648-1815’ van dr. Lotte Jensen. Van Deinsen werkt inmiddels bij de afdeling Research Services van het Rijksmuseum.


Op de foto in de banner: Lieke van Deinsen in het Rijksmuseum bij schrijversportretten uit het Panpoëticon Batavûm.