Hoe goed kinderen lezen is in hoge mate erfelijk

Case

Hoe goed kinderen lezen is in hoge mate erfelijk

Veni-laureaat Elsje van Bergen onderzocht 6.000 tweelingparen op leesvaardigheid en dyslexie

Wanneer je als kind goed kunt lezen, dan lees je veel en graag. Onderzoek dat deze week gepubliceerd is, wijst uit dat het juist níet andersom is. Anders gezegd, de voor de hand liggende gedachtegang dat vlotte lezers er zo bedreven in zijn juist omdat ze boekenkasten vol hebben verslonden, is incorrect. Hoe goed kinderen kunnen lezen is dan ook in hoge mate erfelijk; hoevéél kinderen lezen wordt zowel door de genen bepaald als door de omgeving.

Elsje van Bergen. Foto: Yvonne CompierElsje van Bergen. Foto: Yvonne Compier

Biologisch psycholoog Elsje van Bergen (1981), is bijna halverwege haar Veni-traject aan de VU Amsterdam. Inmiddels hoogzwanger van de tweede loopt zij wat achter op het reguliere Veni-schema. Het zal erom spannen wat eerder verschijnt: het artikel of het kind. Het artikel ‘Why do children read more? The influence of reading ability on voluntary reading practices’ in de Journal of Child Psychology and Psychiatry, waarvan zij eerste auteur is, vormt de voorlopige kroon op haar professionele werk.

Samenspel van genen en omgeving

Van Bergen onderzocht de gegevens van 6.000 tweelingparen van ongeveer 7 jaar oud, in groep 3 en 4 van de basisschool. De vergelijking tussen een-eiige en twee-eiige tweelingen zijn daarin interessant: twee-eiige tweelingen hebben immers een identieke leefomgeving maar een andere genenset. Hoe ontwikkelen deze kinderen zich? Zij ontdekte dat hoe goed kinderen kunnen lezen beïnvloedt hoeveel ze lezen, en niet omgekeerd. Bovendien vonden Van Bergen en coauteurs een sterke erfelijkheid voor hoe goed kinderen kunnen lezen. Hoeveel boeken kinderen tot zich nemen leunt even zwaar op genetische aanleg als op de leefomgeving. En dat is een volstrekt nieuwe bevinding.

Scores van tweelingen in groep 4 op een leessnelheidstoets. Elk punt vertegenwoordigt de leesscores van beide kinderen binnen een tweelingpaar. Te zien is dat eeneiige tweelingen meer op hun tweelingbroer- of zus lijken dan twee-eiige tweelingen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat verschillen tussen kinderen grotendeels komen door genetische verschillen.Scores van tweelingen in groep 4 op een leessnelheidstoets. Elk punt vertegenwoordigt de leesscores van beide kinderen binnen een tweelingpaar. Te zien is dat eeneiige tweelingen meer op hun tweelingbroer- of zus lijken dan twee-eiige tweelingen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat verschillen tussen kinderen grotendeels komen door genetische verschillen.

Leesonderzoek

Elsje van Bergen: ‘Bij het leesonderzoek kijken we naar de invloed van genen en die van de omgeving én het delicate samenspel daartussen. Pedagogen kijken naar wat genoemd wordt de ‘geletterdheid van de thuisomgeving’. Oftewel:  ouders die veelvuldig met hun neus in de boeken zitten en hun boekenverzameling een prominente plek in de huiskamer geven, creëren een stimulerende leesomgeving voor kinderen, en dáár zouden zij van aan het lezen slaan. Maar genetici zeggen: hé, ze hebben niet alleen de boekenkast van hun ouders maar ook hun genen. De uitkomsten van ons onderzoek beslecht dit kip-eiprobleem voor eens en altijd: want je leest goed omdat je er van nature aanleg voor hebt.’

Wist u dat? In Nederland is het onderwijs zo goed en egalitair dat onderscheid tussen kinderen voornamelijk is te herleiden tot genetische verschillen.

Van Bergen is blij met het ondubbelzinnige onderzoeksresultaat. ‘In Nederland is het onderwijs zo goed en egalitair dat onderscheid tussen kinderen in leesvaardigheid voornamelijk is te herleiden tot genetische verschillen. Dat is een compliment voor ons onderwijssysteem. Hoe rijk je ouders ook zijn: het maakt niet uit, het zit in de genen. De een pikt lezen van nature snel op en de ander heeft een genetisch risico op dyslexie.’

2 jonge kinderen lezen op de bank, foto: ShutterstockFoto: Shutterstock

De bevindingen van Van Bergen en coauteurs wijzen uit dat het leesniveau van kinderen van invloed is op hoeveel zij lezen. Kinderen zijn daarom geneigd het lezen van boeken te mijden als ze dat, bijvoorbeeld in het geval van dyslexie, een opgave vinden. ‘Erfelijkheid, in dit geval van leesvaardigheid en dyslexie, is een lastig begrip. We moeten vooral niet denken dat erfelijkheid deterministisch is: omdat dyslexie hoogerfelijk is, zal er wel geen kruid tegen gewassen zijn... zo is het niet! Met de juiste stimulans is er veel te bereiken met deze kinderen. Interventies in het onderwijs en in de opvoeding zouden dus niet alleen gericht moeten zijn op het bevorderen van leesvaardigheden, maar ook op de motivatie om te gaan lezen. Kinderen met een genetisch hoog risico op dyslexie hebben juist baat bij een goede leesinterventie.’

Klasgenoten zeiden: jij wordt professor. Ik wist totaal niet wat dat inhield
- Elsje van Bergen

Elsje van Bergen belandde niet zozeer via een omweg in de wetenschap, maar dan toch wel via een kronkelend pad. Middelste van vijf kinderen uit een middenklassemilieu – vader eigenaar van twee meubelzaken, moeder onderwijzeres – in Landsmeer, onder de rook van Zaandam, maakte zij zich na het vwo los van een ‘heel stabiele maar ook kleine, dorpse wereld’ door in haar eentje een jaar naar Letland te verkassen. Daar volgde zij op een soort ‘middelbare muziekschool’ een jaar lang onderwijs, in het Lets nota bene, dat zij zich noodgedwongen snel eigen maakte. ‘Mijn klasgenoten daar zeiden: jij wordt professor. Ik wist totaal niet wat dat inhield. Had geen idee wat wetenschap was.’

Als eerstejaars, aanvankelijk een brede bèta-georiënteerde richting in Utrecht maar later bewegingswetenschappen aan de VU, was zij naar eigen zeggen na anderhalf college al geheel gegrepen door de wetenschappelijke aanpak. ‘Heel bijzondere ervaring. Zo herinner ik me dat ik in de collegebanken besefte: aha, zó onderzoeken jullie dus dingen. Ik wilde vervolgens dolgraag wetenschapper worden, maar het had ook een ander onderwerp kunnen worden dan waarin ik nu – het leesonderzoek – gespecialiseerd ben.’

Veerkrachtig en weerbaar

Van Bergens eerste ervaring met promoveren als bewegingswetenschapper was een teleurstellende, vanwege een slechte match met het project. ‘Mijn omgeving vroeg zich hardop af of het niet te hoog gegrepen voor me was, als turntrainster (want dat ben ik óók!) op een promotieplaats. Dat promotietraject heb ik afgebroken. Ik kwam vervolgens in een wildvreemde situatie terecht aan de UvA, een promotieplaats in de pedagogiek waarop ik gewoon uit de krant had gesolliciteerd. Daar had men vertrouwen in me. Ik promoveerde alsnog (‘Who will develop dyslexia? Cognitive precursors in parents and children’), in 2013, en had daarna het geluk met Rubicon-financiering aan de University of Oxford te kunnen gaan werken met Dorothy Bishop: van de bewegingswetenschappen via de pedagogiek naar de psychologie en de gedragsgenetica!’

De Veni-aanvraag van Elsje van Bergen haalde het in eerste instantie nét niet. Hoge waardering voor cv en onderzoeksvoorstel maar een tegenvallend interview. In een soort ‘herkansing’ – die mogelijkheid bestaat niet meer – kreeg zij de toekenning alsnog. ‘Dan zit je als onderzoeker na Rubicon in een opwaartse spiraal: je maakt meer kans op een Veni en zodra je díe binnen hebt hoef je minder onderwijs te geven en blijft er meer tijd over voor onderzoek en schrijven van artikelen. Het is écht een flinke zet in de rug.’

Inmiddels had zij halverwege haar Rubicon Spinozawinnares Dorret Boomsma (Nederlands Tweelingenregister aan de VU) ‘durven’ benaderen voor een onderzoeksplaats. Geen rechte lijn, de carrière van de onderzoekster, maar toch op haar plek gekomen. Van Bergen: ‘In de wetenschap geldt niet zozeer wie het hoogste IQ bezit, maar vooral de meeste veerkracht. Kunnen omgaan met teleurstellingen, het tonen van weerbaarheid… minstens zo belangrijk.’

Meer informatie


Foto in de banner: Shutterstock