Geesteswetenschappen en de vraag: wat is de mens?

Case

Geesteswetenschappen en de vraag: wat is de mens?

Een zoektocht naar het zelfbeeld van de mens

Er zijn talloze manieren om naar de mens te kijken, maar hoe verhouden al deze opvattingen over de mens zich tot elkaar? En welke rol kunnen de geesteswetenschappen hierbij spelen? Dit zijn de twee centrale vragen in het Horizon-onderzoeksproject van filosoof Marcus Düwell (Universiteit Utrecht): What Can the Humanities Contribute to our Practical Self-understanding?

De invalshoeken van waaruit de mens naar zichzelf kijkt, en dus de manieren waarop hij zichzelf en de wereld beschouwt, zijn talrijk. Ons zelfbeeld is niet eenduidig en lijkt soms te bestaan uit tegenstrijdigheden. Denk aan biofysicus Cees Dekker, die zijn onderzoek naar de bouwstenen van leven op moleculair niveau schijnbaar moeiteloos combineert met de overtuiging dat de mens geschapen is naar Gods evenbeeld.

Conflicterende mensbeelden

Met botsende mensbeelden valt op individueel niveau misschien prima te leven,’ stelt Marcus Düwell vast. ‘Maar op maatschappelijk niveau leiden deze botsingen tot onhoudbare dilemma’s.’ Dit probleem is in de afgelopen decennia volgens Düwell steeds urgenter geworden. 'De manier waarop we naar onszelf kijken wordt meer en meer wordt beïnvloed door de natuurwetenschappen, zonder dat wij over de samenhang van ons mensbeeld als geheel goed nadenken.' Als voorbeeld noemt hij het populaire boek Wij zijn ons brein. 'Maar als de vrije wil een illusie is, hoe kunnen we als samenleving crimineel gedrag dan nog veroordelen?'

Conflicterende beelden van hoe de mens zichzelf ziet, levert een probleem op als het gaat om normatieve kwesties, zoals de verantwoordelijkheid van de mens binnen de rechtspraak of de waardigheid van de mens binnen de ethiek. Düwell: ‘Neem de discussie over biotechnologie in de Verenigde Staten. Hoe kun je hierover een maatschappelijk debat voeren als een groot deel van de bevolking niet in de evolutie gelooft?’

Spanningen ontstaan ook bij de vraag wat voor mensbeeld wij veronderstellen als het gaat om de democratie. De moderne maatschappij gaat principieel uit van de neutraliteit van de staat met betrekking tot verschillende ideeën over de mens. Maar veronderstelt een democratische staat zelf niet ook een bepaald idee over de mens, en welk beeld is dat? Is het terecht dat allerlei politieke partijen van hun eigen (bijvoorbeeld christelijke of liberale) mensbeeld direct politieke normen afleiden? Hoe moet men in een democratische staat überhaupt met mensbeelden omgaan? Volgens Düwell ligt hier ook een centrale taak voor het onderwijs. Een goed functionerende democratie heeft immers burgers nodig die hebben geleerd om op dit soort problemen te reflecteren.

Geesteswetenschappen als interpretator

Politiek en maatschappij stellen steeds vaker en luider de vraag naar de relevantie van de geesteswetenschappen. Volgens Düwell zou geesteswetenschappelijk onderzoek wel degelijk grote maatschappelijke relevantie kunnen hebben. Met de vraag of de geesteswetenschappen de middelen in huis hebben om bij te dragen aan een weldoordachte vorm van praktisch zelfinzicht, wil hij de vraag naar de rol van de geesteswetenschappen in de samenleving een nieuwe impuls geven. ‘Ik vind dat we als geesteswetenschappen onze relevantie niet goed voor het voetlicht hebben weten te brengen. We moeten duidelijker uitleggen aan politiek en maatschappij wat ze van ons mogen verwachten. Maar om dit te kunnen doen moet het voor onszelf helder zijn.’

Bijdrage aan hele wetenschappelijke discours

Geesteswetenschappers denken van oudsher na over de mens en zijn daar ook toe uitgerust. 'Geesteswetenschappen zijn niet alleen relevant voor wie in kunst geïnteresseerd is, ze kunnen een bijdrage leveren aan het héle wetenschappelijke discours', stelt Düwell. 'Neem recente discussies op het gebied van neurowetenschappen of genetica. Die kun je niet begrijpen zonder de geesteswetenschappen. Het probleem is namelijk dat de natuurwetenschappen in hun discussies wel degelijk een mensbeeld presenteren, maar zelf niet de instrumenten hebben om op de implicaties van zo'n mensbeeld te reflecteren. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met iemands zelfbeeld als hij geconfronteerd wordt met genetische informatie over zichzelf? Dit is dan geen natuurwetenschappelijke vraag meer, maar heeft alles te maken met interpretatie.’ Hetzelfde geldt voor de rechtswetenschappen. De geesteswetenschappen mogen zich volgens Düwell best meer op die reflectieve taak laten voorstaan.

Horizon

De doelstelling van het Horizon-onderzoeksprogramma is beter grip krijgen op de vraag naar de mens, onder meer door structuur en prioriteit aan te brengen in de deelonderwerpen. Daarbij analyseren de onderzoekers de academische discoursen waarin verschillende mensbeelden met elkaar in botsing komen en bekijken ze welke methoden de geesteswetenschappen tot hun beschikking hebben om op een vruchtbare manier met dat soort botsingen om te gaan.

Misschien is kunst de enige manier om adequaat over de mens te kunnen oordelen
- Immanuel Kant

Wist u dat? Immanuel Kant: wát de mens is, is de meest basale vraag is die je kunt stellen

In verschillende deelprojecten komen specifieke discoursen aan bod: zo richt een van de projecten zich op de vooronderstellingen over de mens in het denken over handicaps en hulpmiddelen. In het verlengde daarvan ligt de discussie over enhancement, het ‘verbeteren’ van lichaam of hersenen met biomedische technologieën. De grote vraag is: wat is eigenlijk normaal en wie gaat daarover? Een ander deelproject onderzoekt de vraag in hoeverre neurowetenschappelijk onderzoek, dat iets beoogt te zeggen over de aard van de mens, ook kan bijdragen aan ons praktisch zelfbegrip.

Praktisch zelfbegrip

Het Horizon-onderzoeksproject van Düwell richt zich op praktisch zelfbegrip: het beeld dat wij in de praktijk vormen van onszelf als handelend wezen dat reflecteert op hoe hij is én zou moeten zijn. Het nadenken hierover heeft een lange traditie in de filosofiegeschiedenis. De Duitse verlichtingsdenker Immanuel Kant stelde bijvoorbeeld dat de vraag wát de mens is, de meest basale vraag is die je kunt stellen, de vraag die alle andere mogelijke filosofische vragen samenvat.

Düwell: ‘Die vraag beantwoorden, is alleen niet zo eenvoudig. Kant achtte een alomvattende theorie van de mens niet mogelijk omdat dit zou veronderstellen dat je alle aspecten van het mens-zijn in één theorie samen zou moeten kunnen vatten. Düwell herformuleert de vraag. ‘Welke vormen van nadenken over ons praktisch zelfbegrip zijn adequaat en zinvol?’ Kant meende overigens dat de esthetica een ingang biedt. ‘Misschien kunnen academische disciplines die over de kunsten nadenken een belangrijke bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over praktisch zelfbegrip,’ aldus Düwell.

Tien deelprojecten

Samen met negen onderzoekers uit Leiden, Rotterdam en Utrecht en een grote groep promovendi uit uiteenlopende vakgebieden begon Düwell in 2010 met het onderzoek naar het praktisch zelfbegrip. Het project bestaat uit tien deelprojecten.

Eén groep identificeert verschillende perspectieven op zelfbegrip in belangrijke hedendaagse debatten. Een tweede groep onderzoekt hoe literatuurwetenschap, geschiedenis en theologie bijdragen aan ons praktisch zelfinzicht. Onderzoekers uit de derde groep houden zich bezig met de relevantie van normatieve opvattingen over de mens in de geschiedenis van de filosofie en in het hedendaagse debat. Het werk van een vierde groep, waar Düwell zelf deel van uitmaakt, analyseert de uitkomsten van deze drie onderzoekslijnen en brengt ze samen in een voorlopige synthese.

Niet één resultaat maar spin-off

Marcus Düwell streeft niet naar een afgerond project met één resultaat. ‘Geesteswetenschappers bieden geen op maat gesneden oplossing, maar verdieping. Het duurt ook even voordat je een onderwerp zodanig in je vingers hebt dat je ermee naar buiten kunt treden.’ Hij hoopt op een spin-off die voortkomt uit de deelprojecten. ‘Dat wij dit onderwerp op de agenda zetten, zal invloed hebben op hoe er in de maatschappij gedacht wordt over de mens en de geesteswetenschappen; daar zie je nu al tekenen van.’