Dichtbij maar toch ver weg

Case

Dichtbij maar toch ver weg

De paradoxen van ‘digitale intimiteit’

Wat doet het met je als dierbaren op een schermpje heel dichtbij komen, terwijl ze toch fysiek onbereikbaar zijn? Koen Leurs ondervroeg er vluchtelingen en expats over. Inmiddels gelden zijn conclusies voor ons allemaal.

Koen Leurs op zijn werkplekKoen Leurs op zijn werkplek (Foto: Ivar Pel, Universiteit Utrecht)

Nederlanders die zich als kolonialen in ‘Indië’ hadden gevestigd, hielden contact met hun moederland via brieven en foto’s. Die waren weken onderweg, dus bij groot nieuws werd er een kostbaar telegram gestuurd. Dat waren de opties. Hoe anders is het nu voor iedereen die ver van het thuisfront is afgedwaald, zoals vluchtelingen, economische migranten, expats en buitenlandse studenten. Zij kunnen vrijwel kosteloos realtime communiceren met hun familie en vrienden, desnoods de hele dag door. Een keur aan digitale communicatiemiddelen staat tot hun beschikking: e-mail, berichtendiensten zoals WhatsApp, Telegram en SnapChat, social-mediaplatforms zoals Facebook, Instagram of TikTok, goedkoop internationaal telefoneren, of beeldbellen via Skype of Facetime. In enkele decennia heeft zich een ware revolutie voltrokken in de manier waarop we onze persoonlijke relaties organiseren, al dan niet op afstand.

Als je moeder in een oorlogsgebied is achtergebleven, kan alleen een blauw vinkje je al een gevoel van opluchting geven
- Koen Leurs

Koen Leurs is gespecialiseerd in digitale media, jeugdcultuur en migratie, en verbonden aan het Graduate Gender Programma van de Universiteit Utrecht. Het viel hem op dat er wél veel onderzoek is naar de economische, politieke en ecologische aspecten van globalisering, maar niet naar de persoonlijke en emotionele. Een deel van dat gat heeft hij zelf gevuld. Met een Venibeurs- van NWO en later met financiering vanuit de Nationale Wetenschapsagenda ondervroeg hij 84 jonge asielzoekers, expats en buitenlandse studenten over hun gebruik van digitale media om relaties met thuis te onderhouden, en over wat dit gevoelsmatig voor hen betekent. Leurs kreeg hierbij hulp van twee ervaringsdeskundigen: Ghadeer Udwan, een Syrische socioloog die nu in Nederland woont, en Jeffrey Patterson, een Canadees die in Nederland studeert.

Leurs vond bijvoorbeeld dat er een patroon is in hoe mensen kiezen uit de vele beschikbare kanalen. ‘Tekstberichtjes zijn voor alledaagse dingen. Sommige families wensen elkaar bijvoorbeeld in de groepsapp elke avond goedenacht. Of ze vertellen waar ze mee bezig zijn. Zo wisselen ze letterlijk tekens van leven uit. “Welterusten” betekent “ik ben veilig”’. Als je moeder in een oorlogsgebied is achtergebleven, kan alleen al het feit dat een vinkje blauw kleurt je een gevoel van opluchting geven.’

Snapchat-foto van Patrisia uit AleppoPatrisia, een 15-jarig meisje afkomstig uit Aleppo dat fanatiek badminton en piano speelt, en haar 1,5 maand oude baby. Foto verstuurd naar haar opa en oma in Aleppo, beeld gemanipuleerd via SnapChat filters.

Waar tekstberichten routineus zijn, worden emotionele gebeurtenissen bij voorkeur gedeeld via beeldbellen, vertelt Leurs. ‘Kinderen laten bijvoorbeeld hun pasgeboren broertje of zusje zien aan opa en oma, of familieleden van over de hele wereld vieren samen een verjaardag of een feestdag met een maaltijd, taart of champagne. Romantische partners hebben seks via beeldbellen.’

Daar doemt direct de grote paradox op die digitale intimiteit ook belastend maakt. Want het ene moment kan iemand op een schermpje dichtbij lijken, maar zodra je ophangt staar je naar een koud scherm. Dan is er het pijnlijke besef dat hij of zij in feite aan de andere kant van de wereld een eigen leven leidt. Niet eenmaal een pijnlijk afscheid als de boot naar Indië vertrekt, maar elke dag een beetje. Zoals Ifrah, een 23-jarige Somalische vrouw tegen Leurs zei over Skypen met haar man: ‘I feel that sometimes I can bridge distance... but the moment you hang up you realise that there is a distance and that kills you.’

Wist u dat? Jonge vluchtelingen zijn allerminst naïef zijn als het gaat om ‘fake news’. Ze komen veelal uit autoritaire regimes, dus ze zijn volleerd kritische internetgebruikers. Dat bleek tijdens een cursus ‘mediawijsheid’ die Leurs met collega’s verzorgde in internationale schakelklassen.

Digitale contacten met naasten die ver weg leven geven dus vreugde en nabijheid, maar ook frustratie. Migranten zijn continu verbonden, maar ook hulpeloos. Want als het er plotseling echt op aan komt, zijn ze er letterlijk niet voor hun familie en vrienden. Ook (en mede daarom) hebben ze het gevoel altijd beschikbaar te moeten zijn, vond Leurs. ‘Docenten kunnen het een jongen die uit Aleppo gevlucht is kwalijk nemen dat hij zijn telefoon onder de les heeft aan staan. Maar zij krijgen er meer begrip wanneer ze beseffen dat hij veel moet regelen en ver moet reizen om bij zijn familieleden te komen als er iets met hen gebeurt, zoals een ongeluk of een crisis in het familiebedrijf.’ Tegelijkertijd ervaren migranten het zelf ook als uitputtend om altijd ‘aan’ te moeten staan. Jongeren die gevlucht zijn uit conflict- en oorlogsgebieden zoals Irak, Afghanistan, Syrië of Somalië zeiden dan ook dat het soms voelt alsof hun telefoon ‘brandt in hun broekzak’.

Wel verbinding zoeken en ervaringen willen delen, maar ook weer niet alles willen laten zien. Met die paradox hebben alle gebruikers van sociale media te maken. Maar migranten kunnen er echt mee worstelen, vertelt Leurs. Voor hen zijn de dilemma’s allerminst onschuldig. Zo zijn er vrouwen uit landen met een conservatief-islamitische achtergrond die in Nederland een nieuwe levensstijl hebben omarmd. Ze doen bijvoorbeeld hun hoofddoek af, of gaan om met mannelijke medestudenten of collega’s. Om hun eer maar ook de veiligheid van achterblijvers te behouden, moet dit soms verborgen blijven voor het thuisfront. Homoseksuele jongeren durven in  Nederland soms makkelijker uit de kast te komen, maar ze willen niet dat dit in Syrië of Afghanistan bekend wordt. Het zou niet alleen de reputatie van hun familieleden schaden, maar ook kunnen leiden tot vervolging.

Migranten kunnen ook niet zo maar hun successen etaleren, zoals een diploma, of een optreden. Ze schamen zich voor hun vrolijkheid en het comfort waarin ze leven, terwijl de achterblijvers het veel slechter hebben. Vooral als die achterblijvers mensensmokkelaars een fortuin hebben betaald, of nog steeds aan het afbetalen zijn. ‘De jongeren die ik sprak lossen het op door zich verschillende identiteiten aan te meten, die ze op verschillende platforms voor verschillende groepen van hun contacten etaleren’, vertelt Leurs. ‘Maar dat is vermoeiend en enerverend. En soms gaat het natuurlijk mis.’

Sinds corona mensen fysiek uit elkaar drijft, hebben over de hele wereld velen een noodgedwongen crash course ‘digitale intimiteiten’ gedaan, om te communiceren met dierbaren die weliswaar dichtbij zijn maar toch onbereikbaar. De paradoxen die Leurs vond voor migranten, gelden nu dus plotseling voor bijna iedereen.

Mensen die in diaspora leven hebben altijd voorop gelopen in het zich toe-eigenen van digitale communicatiemiddelen, vertelt Leurs. Internationaal bellen, internetcafé’s, online platforms, sms, Skype… zij waren er begrijpelijkerwijs als eerste bij. Wat kunnen we nu van die diaspora leren over onze eigen communicatietoekomst? Leurs moet er even over nadenken. ‘Misschien is Amani, een 19-jarig Syrisch meisje een voorbode van een nieuwe trend’, zegt hij dan. ‘Zij vond al dat vluchtige digitale op den duur niet meer zo interessant. Ze begon − in klassiek-Arabisch handschrift − weer lange brieven te schrijven.’

Meer informatie


Tekst: Mariette Huisjes