Arbeidsmarkt Rome verrassend modern

Case

Arbeidsmarkt Rome verrassend modern

Familiebanden en sociale netwerken speelden grote rol

Onder de meer dan vijfhonderd beroepen die je in de eerste drie eeuwen van onze jaartelling in het oude Rome kon uitoefenen kom je weinig verrassends tegen. ‘Verdwenen’ ambachten – die heden ten dage ondenkbaar zouden zijn – vind je nauwelijks in de opsomming terug.

Of het zou de alipilus moeten zijn: de ‘schoonheidsspecialist’ die in het badhuis je okselharen epileerde. Wat was dát voor een vak?! Historica Miriam Groen-Vallinga stelde voor haar onderzoek naar de arbeidsmarkt in het Romeinse keizerrijk zo’n uitputtende beroepenlijst samen. Dat levert heerlijk leesvoer op, waaronder kennismaking met de alipilus. De door gymnasiasten gevreesde Seneca, bekend om zijn voor adolescenten ontoegankelijke Latijn, veroorlooft zich in een van zijn geschriften nog een snaaksheid over die uitzonderlijke alipilus. De stoïcijnse filosoof woonde boven een badhuis en noteerde diens onophoudelijk geschreeuw wanneer hij in de straat als een standwerker zijn clientèle aanspoort een behandeling te ondergaan: zodra hij succes had ging binnen zijn acquirerend lawaai naadloos over in het gegil van de klant…

Ook de ballisterius (katapultmaker) en de faber ocularius (maker van ogen voor standbeelden) zul je tegenwoordig niet aantreffen op Monsterboard.nl. Maar bij een rhyparographus (schilder van laag-bij-de-grondse of obscene scènes) en pernarus (hamverkoper) kunnen we ons nog van alles voorstellen, laat staan bij de faenerator (geldschieter) en anatiarius (handelaar in eenden). Dat is toch gewoon een bankier en een poelier? En in zijn algemeenheid zijn het bakkers, timmerlui, schoenmakers, stucwerkers en juristen wat de klok slaat en een verdere waslijst aan ambachten waarover we de wenkbrauwen nu zeker niet fronsen. Of het zou toch de capsarius moeten zijn, de speciale dienaar die de boekentas en lei van de (bemiddelde) scholier droeg.

Fresco uit het huis van Julia Felix, Pompeii, met scènes van de markt. Beeld: PDFresco uit het huis van Julia Felix, Pompeii, met scènes van de markt. Beeld: PD

Een miljoen Romeinen in de stad

Miriam Groen is gefascineerd door de Romeinse wereld van arbeid en familieverhoudingen. Die is door een mengeling van slaven, niet-slaven en vrijgemaakte slaven, en de werking van familieverbanden en andere vertrouwensnetwerken bijzonder complex.

In een stad van een miljoen inwoners, binnen een imperium van ongeveer zestig miljoen ingezetenen, is die complexiteit ook niet zo vreemd, louter door de schaalgrootte. We hebben het weliswaar over een pre-industriële samenleving, maar die miljoen Romeinen moesten wel elke dag te eten en te drinken hebben, hun sandalen en kleding aanschaffen, de dokter bezoeken of naar de kapper gaan en ga zo maar door. In die metropolis van ongekende omvang was een net zo grote stedelijke beroepsbevolking nodig – hoe was die opgebouwd, wie werkte met wie samen en op welke manier? Kortom, hoe werkte dat nu precies in de Eeuwige Stad…

Miriam Groen-Vallinga. Beeld: Universiteit Leiden

Inscripties en reliëfs op graftombes

Miriam Groen: ‘Behalve de keizerlijke familie aan de top bestond er in Rome een kleine elitegroep van zeer welgestelden die niet hoefden te werken. Vergelijk hun situatie maar met die van families in kapitale Engelse landhuizen in de negentiende eeuw: een handjevol familieleden voor wie een leger aan bedienden, koks en kinderopvang zich uitsloofde. Voor de overige 98 procent van de Romeinen gold dat luxe leventje bepaald niet: hard werken was de norm, met een doorsnee levensverwachting van 25 jaar bij geboorte, waardoor binnen families elke hulp welkom was… Slaven, kinderen.’  

Belangrijkste bron voor het onderzoek naar de stedelijke arbeidsmarkt vormden de enkele duizenden overgeleverde inscripties en reliëfs met beroepen die je vooral vindt op graftombes. Het zijn afbeeldingen van beroepsuitoefening of gereedschap, en opschriften waarin een beroep voorkomt. Omdat hier de context vaak ontbreekt keek Groen ook naar allerlei geschreven bronnen, juridische en literaire geschriften bijvoorbeeld. Zij beperkte zich tot de steden van Romeins Italië, het hartland van het Keizerrijk waar de bevolking het dichtst en de urbanisatiegraad het hoogst was.

Loonarbeid en innige samenwerking tussen families was voor gezinnen zeer belangrijk
- Miriam Groen-Vallinga

Miriam Groen ontdekte dat het aloude beeld van Rome, met zijn kleine, zelfstandig opererende  familiewerkplaatsen en winkels (tabernae), met een of twee slaven, bijstelling behoeft. Loonarbeid en innige samenwerking tussen families was voor gezinnen net zo belangrijk. ‘Iedereen werkte mee. Jonge kinderen konden weliswaar vaak wel naar school, maar moesten desondanks gewoon in het huishouden meedraaien, net als de vrouwen. Slaven, vrijgeboren en vrijgelaten slaven, verrichten net zo goed veel arbeid. Zo’n familiebedrijfje moet je breed zien, als een economische eenheid, niet een op zich staande, zichzelf bedruipende entiteit, een unit of production and consumption. Personen gingen ook bij andere families werken, soms om een ander vak te leren. De arbeiders uit families of van collega’s met wie je een goede band had waren betrouwbaarder, zo dacht men. Meerdere beroepen binnen een familie kwamen regelmatig voor.’

Broodbakker Marcus Vergilius Eurysaces zat er warmpjes bij: Eurysaces was een vrijgemaakte slaaf en startte na zijn vrijlating zijn bakkersbedrijf op. Hij werd er steenrijk mee, mogelijk omdat hij brood aan het Romeinse leger leverde. Ter herinnering aan zijn leven en werk liet hij een tombe bouwen, nabij de Porta Maggiore, waarop hij de werkzaamheden in zijn bakkerij liet afbeelden. De tombe is nog deels intact. (In de banner bovenin een uitsnede) Foto: Vito Arcomano / Alamy Stock Photo

Handelsrisico’s in informatiearm Rome

Sekse speelde eveneens een belangrijke rol. Vrijgeboren vrouwen moesten vaak in de wedloop naar een inkomen het onderspit delven als mannelijke (ex-)slaven concurrenten vormden, zoals in de staf van een domus, een bemiddelde familie. De kans op werk voor een mannelijke ex-slaaf was groter dan voor een vrijgeboren vrouw. Slaven waren een waardevol bezit en werden daarom in het algemeen goed verzorgd: door een slaaf af te ranselen of uit te hongeren was je een dief van je eigen portemonnee, zo meende de Romein. Slaven vormden zelfs een verlengstuk van de familie.

Net zo belangrijk waren de professionele associaties (collegia), het duidelijkste voorbeeld van Romeinse vertrouwensnetwerken. Een collegium was een associatie op basis van beroep – met een beetje goede wil te vergelijken met de latere gilden – of op basis van andere overeenkomsten. Deze netwerken waren cruciaal om constante handelsrisico’s in het informatiearme Rome te ondervangen, die door fluctuerend vraag en aanbod en potentiële wanbetalers aan de orde van de dag waren. Collegia vergemakkelijkten de samenwerking in een wereld waarin de betrouwbaarheid of kredietwaardigheid van handelspartners niet eenvoudig te verifiëren of wettelijk te handhaven was.

‘Kortom,’ aldus Groen, ‘niet-familiale dwarsverbanden in die Romeinse economie waren zeker geen triviale aanvulling op de familiebemoeienissen. Sociale netwerken waren van integraal belang voor Rome: mede daardoor is die gemeenschap zo gegroeid en tot bloei gekomen.’

Hoe ging worstenmaker te werk?

Wist u dat? Socio-culturele aspecten in het oude Rome liggen ten grondslag aan de beginselen van een echte markteconomie.

Onderzoek naar arbeid en arbeidsrelaties moet derhalve  niet bij de Industriële Revolutie aanvangen, zo blijkt uit het proefschrift. Loonarbeid had in rudimentaire vorm anderhalf millennium eerder al plaats, in Rome. De socio-culturele aspecten die aldaar ontstonden liggen ten grondslag aan de beginselen van een echte markteconomie. Groen pleit er dan ook voor de niet-familiale verbanden en associaties zoals die in het oude Rome ontstonden een volwaardige plaats te geven in dat onderzoek.

Een en ander maakt je extra nieuwsgierig naar de gang van zaken in de miljoenenstad Rome onder de keizers. Hoe het dagelijks leven eruit zag, hoe het er rook, welke geluiden je hoorde. En hoe de strophiarius (de bustehoudermaker) zijn werkplaats en winkel had ingericht, welke levertijden de crepidarius (de sandalenmaker) hanteerde en hoe de botularius (worstenmaker) te werk ging. En vanzelfsprekend waar de best gesorteerde bybliopola (boekverkoper) te vinden was.

Meer informatie

Miriam Groen-Vallinga promoveert woensdag 24 mei met NWO-financiering uit de Vrije competitie aan de Universiteit Leiden. Promotor is prof. dr. Luuk de Ligt. Co-promotor is dr. Rens Tacoma.