Man staat op een vlot in een meer

Aanzet voor verandering in West-Afrikaanse systemen voor uitgangsmateriaal

Twee NL-CGIAR-projecten in West-Afrika, gericht op de tilapiakweek en de pindateelt, zijn bedoeld voor verbetering van de bestaansmiddelen en de markten in de regio. Bij de projecten is er sprake van vergelijkbare uitdagingen, van genetica en markteconomie tot beleid en sociale integratie. De aanpak in het kader van deze projecten is tot dusver een succes, voortbouwend op partnerschappen met onderzoeksinstellingen en de particuliere sector. ‘Het is uitdagend, maar ook zeer fascinerend.’

Text: Nienke Beintema

Van cacao en tilapia in Ghana tot maniok in Rwanda, en van kippen in Ethiopië tot groenten in Laos en Vietnam: in de afgelopen twee jaar lopen er diverse opmerkelijke projecten in Afrika en Zuidoost-Azië. Deze negen internationale projecten, lopend van 2019 tot 2022, zijn gericht op het verbeteren van systemen voor uitgangsmateriaal in Azië en Afrika ten zuiden van de Sahara, van de publieke tot de particuliere sector. Ze zijn ook gericht op verbetering van de voeding, gezondheid en sociale en ecologische duurzaamheid van de plaatselijke gemeenschappen. Deze projecten, die worden gefinancierd door Nederland en beheerd via NWO-WOTRO Science for Global Development, worden gecoördineerd via verschillende partners, onder andere CGIAR.

‘De verbetering van systemen voor uitgangsmateriaal staat centraal bij veel van deze projecten’, vertelt Catherine Ragasa van het International Food Policy Research Institute, een CGIAR-instituut. Zij leidt een project dat gericht is op de verbetering van de viskweek in Ghana. ‘De tilapiakweek is al enige tijd een veelbelovende sector in Ghana, maar de vraag is enorm en er is slechts een beperkt aanbod. De viskweek, wereldwijd de snelst groeiende voedingssector, heeft het potentieel om de voeding, werkgelegenheid en duurzaamheid in West-Afrika flink te verbeteren.’

Om deze aspiraties te verwezenlijken, zijn echter aanzienlijke verbeteringen nodig op het gebied van de kwaliteit van viseitjes en de toegang hiertoe. Andere belangrijke succesfactoren zijn de integratie van vrouwen en jongeren en de ontwikkeling van nieuwe markten. Ragasa: ‘Ons project is gericht op al deze aspecten.’

Betrokkenheid van de particuliere sector

Haile Desmae van het International Crops Research Institute for the Semi-Arid Tropics (ICRISAT), een ander CGIAR-instituut, pakt soortgelijke uitdagingen aan in een project in Ghana en Mali. ‘Pinda’s zijn een zeer belangrijk voedsel- en marktgewas in Afrika’, vertelt hij. ‘Zeventig procent van de Afrikaanse pindaproductie komt hiervandaan, West-Afrika. Maar de opbrengst is erg laag, minder dan een ton per hectare. Het wereldwijde gemiddelde bedraagt 1,7 ton, en sommige landen halen zelfs meer dan 3 ton per hectare. Ons doel is verhoging van de opbrengst door de kwaliteit en de toegankelijkheid van het zaad te verbeteren.’ Maar er zit ook een belangrijke sociaal-economische kant aan het project, zoals Desmae opmerkt: meer bewustzijn creëren bij de boeren, capaciteit opbouwen en een bredere vraag creëren, zodat alle partijen in de waardeketen wat hebben aan de voordelen.

Kleine boeren en kwekers zijn de belangrijkste partijen in beide projecten. Een belangrijk doel van het NL-CGIAR-programma is het verbeteren van hun positie via partnerschappen met CGIAR Centers en met lokale en Nederlandse onderzoeksinstellingen. ‘En, heel belangrijk, met partners uit de particuliere sector’, vult Desmae aan. ‘In ons geval vormt de marktcomponent de belangrijkste uitdaging. We hebben een functionerende markt nodig met voldoende vraag en aanbod om het systeem voor uitgangsmateriaal te versterken. Volgens ons is een goed georganiseerd publiek-privaat partnerschap een belangrijk middel om kleine boeren te bereiken met zaden van nieuwe rassen.’

De tilapiakweek is al enige tijd een veelbelovende sector in Ghana, maar de vraag is enorm en er is slechts een beperkt aanbod.

Catherine Ragasa
a field day using a demonstration field in sikasso
Een velddag op een demonstratieveld in Sikasso (Mali) om boeren bewust te maken van nieuwe rassen.

Degelijke kennisbasis

In de Ghanese viskweek zijn er soortgelijke uitdagingen. ‘We moeten weten of kleine kwekers toegang hebben tot hoogwaardige viseitjes of broed, en hoe deze toegang verbeterd kan worden’, aldus Ragasa. ‘Er zijn momenteel een twintigtal broederijen in bedrijf in het land, maar die zijn geconcentreerd op een paar locaties. Veel kwekers moeten lange afstanden afleggen om aan dit broed te komen. In ons project versterken we de broederijen en zetten we nieuwe broedkwekerijen op dichter bij de viskwekers.’

Moleculaire tests en onderzoek bij bedrijven dragen bij aan het karakteriseren van de kwaliteit van viseitjes en het testen van een efficiënte werkwijze voor de viskweek en het waterbeheer. De resultaten worden verwerkt in trainingsprogramma’s en technische ondersteuning voor kwekers. Ragasa: ‘Maar een ander belangrijk aspect is het beleid. We hebben bijvoorbeeld beleid nodig waarmee de betrokkenheid van de particuliere sector actief wordt bevorderd. En we hebben beleidsondersteuning nodig.’ Mensen willen hun lokale visstammen beschermen, zo legt Ragasa uit, omdat ze bang zijn voor besmetting met vreemd materiaal. Tegelijkertijd zijn er zeer productieve buitenlandse stammen waar de Ghanese viskweeksector zijn voordeel mee kan doen. Met hun project hopen Ragasa en haar collega’s een constructieve beleidsdiscussie op gang te brengen, op basis van door hen aangedragen gegevens. ‘Er zijn risico’s en afwegingen, en we willen alle stakeholders een degelijke kennisbasis geven om hun beslissingen op te baseren.’

Vragen op allerlei terreinen

Beide projecten zijn zeer interdisciplinair. ‘We bestrijken veel terreinen’, vat Ragasa samen. ‘Veel van het onderzoek is puur biologisch, met genetica en experimenten. Maar dan is er nog het beleid en het sociaal-economisch onderzoek.’ In één adem noemt ze wat vragen die spelen: hoe zorgen we dat kwekers toegang hebben tot hoogwaardig broed? Hoe kunnen we de productiviteit en winstgevendheid van de viskweek verbeteren? Creëren we daadwerkelijk banen en verbeteren we de levensomstandigheden? Is er een markt voor dit product? Hoe kunnen we vrouwen en jongeren beter bij het proces betrekken? Wat zijn de aspiraties en beweegredenen van vrouwen in de viskweek, en hoe kunnen we deze kennis gebruiken om meer vrouwen aan te trekken? En, meer in het algemeen, welke kennissystemen zijn er nodig om de verschillende spelers met elkaar te verbinden? Ragasa: ‘De combinatie van deze vragen is best lastig, maar ook heel fascinerend.’

Desmae houdt zich bezig met soortgelijke vragen in de pindateelt. ‘Ons project omvat genetica- en veredelingsexperimenten’, zegt hij, ‘en onderzoek om de markt voor zaaizaad beter te begrijpen. We voeren sociaal-economische enquêtes uit en bestuderen de acceptatie van verbeterde rassen. We richten ons ook op de beste manier om bewustzijn te creëren, capaciteit op te bouwen en de particuliere sector te betrekken.’ Zijn project heeft ook een beleidscomponent: de regio heeft een geharmoniseerd zaadbeleid waarbij slechts bepaalde zaadklassen worden erkend. ‘We verzamelen gegevens om beleidsnota’s te ontwikkelen, zodat de instanties kunnen beginnen met het erkennen van aanvullende zaadklassen, zoals zaden met kwaliteitsaanduiding.’

We verzamelen gegevens om beleidsnota’s te ontwikkelen, zodat de instanties kunnen beginnen met het erkennen van aanvullende zaadklassen, zoals zaden met kwaliteitsaanduiding.

Haile Desmae

De basis voor verandering

Desmae is blij met de vorderingen tot nu toe. ‘Negentig procent verloopt volgens plan’, zegt hij glimlachend. ‘Natuurlijk zijn er altijd praktische uitdagingen. De marktcomponent, bijvoorbeeld, blijkt echt een heikele kwestie te zijn. En dan is er nog de coronacrisis, waardoor alles flinke vertraging oploopt. Aan de andere kant hebben sommige dingen meer impact dan we hadden verwacht.’ Zo kwamen we er bijvoorbeeld achter dat met het juiste beleid, de juiste investeringen en de juiste stimulansen snel vooruitgang kan worden geboekt, zodat de boeren toegang krijgen tot beter zaad. Een belangrijk punt is dat het geleerde ook kan worden overgedragen op andere gemeenschappen en zelfs landen in de regio, constateert Desmae. ‘De boeren zijn allemaal heel erg geïnteresseerd, de opbrengsten nemen toe, en we hebben al een veel hoger aandeel betrokken vrouwen. De meeste boeren zijn, nadat ze gezien hebben hoe goed de nieuwe rassen het doen, bereid om voor zaad te betalen.’

Zijn collega Ragasa is net zo onder de indruk. ‘Er is veel energie en enthousiasme in het veld’, benadrukt ze. ‘De viskwekers beginnen hun bedrijfsvoering te veranderen en plukken de vruchten van de trainingen en ondersteuning. Mensen zien de voordelen en willen actief bijdragen. En er is de sterke toegevoegde waarde van de partners uit binnen- en buitenland. Die brengen de nodige deskundigheid in, naast discussies en bewijsmateriaal, zodat de kwekers uiteindelijk zelf weloverwogen beslissingen kunnen nemen.’ Een paar kleine projecten zijn niet genoeg om de wereld te veranderen, merkt ze op, maar: ‘Ze kunnen het debat op gang brengen. En dat is de basis voor alle verandering.’


Aanvullende informatie

Photo banner: Shutterstock - BOULENGER Xavier