Leentje buur aan de polen

Poolonderzoek

Investeer méér, niet minder in de infrastructuur van ons poolonderzoek. Dat bepleit een onafhankelijke commissie. ‘Nederland doet internationaal hoogstaand poolonderzoek. Dat kan alleen zo blijven als onze onderzoeksfaciliteiten in orde zijn.’

Tekst: Nienke Beintema

Het Dirck Gerritsz laboratorium op Antarctica.Het Dirck Gerritsz laboratorium op Antarctica.

Het kleine Nederland is een grote speler in het internationale poolonderzoek. Niet wat betreft onze

investeringen daarin, maar wel als je kijkt naar de prestaties van de onderzoekers.

Terwijl landen als Frankrijk en Groot-Brittannië hun eigen grote poolstations runnen, houdt Nederland het bescheiden. We hebben sinds 2013 het Dirck Gerritsz laboratorium: vier als lab ingerichte zeecontainers op de Britse basis Rothera, op het Antarctisch Schiereiland. Bij de Noordpool staat op Spitsbergen een eenvoudig Nederlands poolstation. Rond noord- en zuidpool hebben we tien automatische weerstations. Ook hebben we formele overeenkomsten met Duitse en Britse onderzoeksinstellingen voor samenwerking in polair onderzoek en het gebruik van hun faciliteiten.

Ruilwaarde

Dat is prachtig, maar versterking is nodig, stelt het rapport Polar Research Infrastructure: future requirements dat in maart verscheen. Een onafhankelijke commissie schreef dit rapport op verzoek van NWO. De aanleiding is een voorgenomen bezuiniging op het budget voor poolonderzoek vanaf 2020. Het totale jaarlijkse budget voor het Nederlands Polair Programma bedraagt nu 4,2 miljoen euro; over 1,5 miljoen euro daarvan - de jaarlijkse bijdrage van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) -  wil OCW ‘in gesprek treden’ met het NWO-bestuur.  ‘Als dat budget werkelijk wegvalt, dan kunnen we ons Dirck Gerritsz laboratorium niet handhaven’, benadrukt voorzitter van de infra-structuurcommissie Robert Blaauw.

We zitten voor een dubbeltje op de eerste rang

Het rapport geeft een aantal aanbevelingen. Ten eerste zou Nederland het Dirck Gerritsz lab na 2020 moeten handhaven. ‘Het huidige lab is weliswaar klein, maar innovatief en flexibel’, vertelt Blaauw. ‘Onze Britse partner onderstreept dat deze mobiele labs een duidelijke meerwaarde hebben. In ruil daarvoor mogen Nederlandse onderzoekers gebruik maken van alle Britse onderzoeksfaciliteiten.’ Dat is een belangrijk gegeven. Onderzoek doen in de poolgebieden is een grote en dure logistieke uitdaging. Nederland heeft niet de middelen om zelf een volwaardig station te runnen. Alleen door met andere landen samen te werken kunnen Nederlanders in de poolgebieden onderzoek doen. Blaauw: ‘Door zelf een vrij geringe maar effectieve bijdrage te leveren, zitten wij nu voor een dubbeltje op de eerste rang.’

Zekerheid

Hetzelfde geldt in het noordpoolgebied. Op Spitsbergen heeft Nederland via een overeenkomst met Duitsland toegang tot Duitse onderzoeksfaciliteiten. Nederland heeft er zelf ook twee huisjes, maar die zijn alleen bruikbaar in de zomer. Ze kunnen slechts een handvol onderzoekers huisvesten en bieden geen labruimte. Maar er zijn vergaande plannen om samen met Frankrijk, Duitsland en Noorwegen een gezamenlijk nieuw station te bouwen, met een modern lab, dat het hele jaar open kan zijn. ‘Voor het Nederlandse onderzoek zou dat een enorme winst betekenen’, zegt Blaauw. ‘Daarom is onze tweede aanbeveling dat Nederland hierin zou moeten investeren. Ook hier zouden we voor relatief weinig geld veel mogelijkheden erbij krijgen. Maar zolang wij geen zekerheid hebben over de financiële toekomst van ons poolonderzoek na 2020, kunnen we ons hier nu niet aan committeren.’

Die mening deelt Gemma Kulk van de Rijksuniversiteit Groningen. In beide poolgebieden onderzoekt zij de rol van algen in de wereldwijde CO2-cyclus. Ze verbleef op Spitsbergen in het Duitse poolstation en werkte in het zuiden op de Britse basis Rothera. ‘Als klein landje presteren wij opvallend goed, juist omdát we zo nauw samenwerken met andere landen en over hun faciliteiten kunnen beschikken’, benadrukt ze. ‘Wij voegen belangrijke elementen toe aan wat zij al doen. Je merkt daar elke dag hoezeer dat gewaardeerd wordt, en hoe serieus we worden genomen. Daarom krijgen wij allerlei extra hulp, wat ons onderzoek naar een hoger plan tilt.’

Stef Bokhorst van de VU Amsterdam onderzoekt hoe zeevogels en -zoogdieren het milieu op het land beïnvloeden. Net als Kulk werkt hij in beide poolgebieden. ‘In het zuiden zijn wij geheel afhankelijk van de Britse logistiek’, vertelt hij. ‘Het feit dat wij daar zelf ook serieus investeren in onderzoek, maakt onze positie veel sterker. Juist daardoor kunnen wij zulk goed langetermijnwerk leveren.’

Vijf voor twaalf

Het poolgebied lijkt misschien ver weg, maar Nederland ligt dichter bij de noordpoolcirkel dan bij Lissabon. Veranderingen in de poolgebieden zijn tot ver daarbuiten merkbaar. Het smelten van de ijskappen is bijvoorbeeld voor laag liggend Nederland extra zorgwekkend. Nederlands onderzoek draagt bij aan het begrip van processen op de polen en aan strategieën voor aanpassing daaraan. Wil Nederland internationaal meepraten over polair beleid en polaire geopolitiek, en ook meeprofiteren van de economische kansen, dan moet het wel zelf serieus investeren. ‘Het is vijf voor twaalf’, aldus Blaauw. ‘Als we nu niets doen, dan loopt onze reputatie serieus gevaar.’

Internationaal op nummer één

Het Nederlandse poolonderzoek is bovengemiddeld goed. Dat blijkt uit de Evaluatie van het Nederlands Polair Programma 2009-2014 door een onafhankelijke commissie en uit een studie van de Noorse Onderzoeksraad. Nederlanders publiceren nu jaarlijks zo’n honderd poolstudies met een gemiddelde citatie-index van 1,5 tot 2. Dat betekent dat de Nederlandse artikelen wereldwijd anderhalf tot tweemaal zo vaak worden geciteerd als een gemiddeld polair onderzoeks-artikel. Daarmee staat ons land nu op nummer één in het internationale poolonderzoek.

Download (pdf)