GPS-camera redt woudreus

Criminoloog Tim Boekhout van Solinge zet in de oerwouden rond de evenaar plaatselijke bewoners en moderne technologie in om illegale houtkap en ontbossing te bestrijden.

Tekst: Mariëtte Huisjes

Groene criminologie is een snel opkomend vakgebied, gericht op de analyse en preventie van milieumisdrijven. Denk daarbij aan afvallozingen, stroperij, handel in beschermde diersoorten en illegale houtkap en ontbossing. Sinds een paar jaar staat het tegengaan van dit soort praktijken hoog op de internationale agenda, dankzij een acute uitstervingscrisis en het steeds urgenter worden van de klimaatproblematiek.

Een van de weinige experts die criminologische methoden inzet tegen de illegale uitbuiting van natuurlijke hulpbronnen rond de evenaar is Tim Boekhout van Solinge. Voor het NWO-WOTRO-programma CoCooN (Conflict and Cooperation over Natural Resources in Developing Countries) leidde hij vijf jaar lang een project om mensenrechtenschendingen en milieucriminaliteit te bestrijden in het Beneden-Amazonegebied in Brazilië en een vallei in de Andes. Het project is inmiddels afgerond, maar Boekhout van Solinge is nog niet klaar met de georganiseerde misdaad daar. Via crowdfunding wist hij een vervolgproject te financieren, waarover hij graag vertelt.

Woudreus en Tim Boekhout (credits: Tim Boekhout van Solinge)

Hoe ben je bij de groene criminologie terechtgekomen?

‘Ik had een paar boeken geschreven over Europees drugsbeleid, maar heb ook altijd een fascinatie gehad voor equatoriale regenwouden. Van alle streken op aarde vind je de daar de grootste bio-diversiteit en er wonen miljoenen mensen, met een eeuwenoude cultuur. Juist in die wouden voltrekt zich nu een groot drama. Door ontbossing worden talloze dieren met uitsterven bedreigd. En zoals ons project heeft laten zien gaat het niet alleen om dieren. Land grabbing en water grabbing leidt vaak tot grootschalige criminaliteit; er worden regelmatig mensen geïntimideerd of zelfs vermoord. In Brazilië en Colombia was ik al geweest om te verkennen hoe we zouden kunnen helpen. Het CoCooN-programma bood de kans om de proble-men daar aan te pakken.’

Hoe hebben jullie hen kunnen helpen?

‘Verrassend goed, vooral omdat we intensief hebben samengewerkt met Braziliaanse en Colombiaanse wetenschappers en met lokale NGO’s. Die wisten precies wat de problemen waren en konden ons in contact brengen met lokale beleidsmakers. We hebben om te beginnen voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd om de mensen te informeren over hun rechten. Die kenden ze meestal niet. Je moet bedenken dat de leiders van inheemse gemeenschappen vaak heel intelligent zijn, maar geen lezen of schrijven hebben geleerd. Laat staan dat ze verstand hebben van juridische zaken of bestuurskwesties. Vervolgens hebben we lokale leiders, ambtenaren en officieren van justitie bij elkaar gebracht. Er is veel corruptie in deze landen, maar de officieren van justitie zijn wél te vertrouwen. Bij hen kunnen de leiders dus terecht om misstanden aan te kaarten. En de officieren hebben wij op hun verzoek opgeleid in criminologie, zodat zij effectiever kunnen optreden.’

Is het niet vreemd dat er Nederlanders aan te pas moeten komen om in Brazilië en Colombia partijen bij elkaar te brengen?

‘Niet zo, want Nederland is als afnemer van tro-pische producten medeverantwoordelijk voor de misstanden. Wij zijn bijvoorbeeld grootgebruikers van soja uit Brazilië, waar we onze varkens, kippen en koeien mee voederen. Dat schept verplichtingen. Bovendien kunnen we als buitenstaander daar vrijer opereren dan andere betrokkenen. We hebben ons overigens niet alleen op de productielanden gericht, maar ook bij de Europese diplomatieke dienst gepleit voor beter toezicht en transparante handelsketens.’

Het CoCooN-project is inmiddels afgerond. Waarom ben je daarna toch doorgegaan?

‘Ik woonde tijdens mijn onderzoek maandenlang in een huisje aan het strand en zag de duwboten aankomen vanaf de rivier, volgeladen met enorme boomstammen van wel honderd jaar oud. Bij nacht, dus dan weet je dat die woudreuzen illegaal zijn gekapt. Mijn handen jeukten om daar nóg meer con-creets tegen te doen. Ik vond het logisch om de lokale bewoners erbij in te schakelen, wat nog maar heel weinig gebeurt. Zo kwam ik op het idee om een tiental leiders uit te rusten met een gps-camera. Het is een kleinschalige pilot, maar zeer succesvol; zowel de bevolking als justitie is er blij mee. De mensen gaan met gewapende patrouilles door het bos – dat deden ze toch al, om te voorkomen dat de grote fruitbomen worden gekapt waarin de dieren leven waarvan zij voor hun bestaan afhankelijk zijn. Nu kunnen ze misstanden fotograferen en met gps-coördinaten en al doorgeven aan de autoriteiten. Die coördinaten zijn essentieel voor de milieu-inspecteurs om met hun satellietsysteem direct in te kunnen zoomen op de plek des onheils. Soms wordt nog dezelfde dag een helikopter gestuurd met poli-tieagenten. Zo kun je effectief zand in de machine van milieucriminelen strooien. Het inzetten van lokale gemeenschappen en technologie is inmiddels ook door Interpol opgepikt als effectieve methode om cruciale schakels in misdaadketens te elimine-ren. De ervaringen uit ons CoCooN-project vinden dus internationaal hun weg.’