Over de toonbank

Grieken gingen naar de markt, Romeinen naar de winkel

Lekker op zaterdagmiddag met je moeder door de winkelstraat slenteren? Denk dan even aan de Romeinen, uitvinders van het winkelen.

Tekst: Paul Serail

Pompeï, niet lang voordat het door een uitbarsting van de vulkaan Vesuvius met een dikke laag as en puin bedekt raakte. Het was druk in de straten. Mensen liepen er tussen graan- en fruitwinkels,langs ijzerhandels, bakkers en de kapper. Ze aten er vis en kochten wijn en olijfolie. Heel gewone winkelstraten, zou je zeggen, niet eens heel erg anders dan nu. Maar de winkel was destijds nog een betrekkelijk nieuw verschijnsel.

‘De eerste winkels zijn in het Romeinse rijk ontstaan’, zegt Miko Flohr, historicus aan de Universiteit Leiden. In Griekse steden, voor de opkomst van de Romeinen, had je nog geen winkels. ‘In de Griekse wereld waren er tijdelijke stalletjes op de agora’, een centraal plein met een markt, vertelt Flohr. ‘Mensen die dezelfde goederen verkochten, zaten bij elkaar. Zodra de markt was afgelopen, was alles weer weg.’ Wat je wel vond in Athene, dat waren donkere  vertrekjes met een kleine ingang, vervolgt Flohr: ‘Die kunnen voor opslag gebruikt zijn: je verkoopt je producten op het plein en om de hoek liggen de voorraden opgeslagen.’ Je kon niet even naar binnen gluren wat er zoal te koop was, zoals bij winkels wel kan. Winkelruimtes verschenen later, vanaf de derde eeuw voor Christus, in wat nu Italië is.

Gevel opent

Een gebouw in Ostia waar goederen werden verkocht en opgeslagen.

Om een gebouw als winkel te kunnen gebruiken, legt Flohr uit, was wel een technologische ontwikkeling nodig. De historicus bestudeerde gebouwen in Romeinse steden als Pompeï, Ostia en Herculaneum, die goed bewaard zijn gebleven. ‘De ingang van een winkel was vaak enorm breed’. Vaak zelfs even breed als de hele ruimte. ‘En dat had gevolgen voor de dakconstructie. Je moest een lange dwarsbalk hebben die de hele ingang overbrugt.’ Een andere belangrijke ontwikkeling was de komst van de toonbank. Je ziet ze nog in ongeveer een kwart van de winkels in Pompeï, zegt Flohr. ‘Op de drempel heb je een brede toonbank waarop spullen waren uitgestald.’ Waar de Grieken nog naar de markt gingen om inkopen te doen, hadden Romeinse steden permanente gebouwen, tabernae, waar je elke dag heen kon voor een pan, een paar sandalen of een gewaad.

Winkel aan huis

Wie de eerste winkel opende? Dat is niet bekend. Wel weten we dat ze voor het eerst verschenen rond het forum, het centrale plein in Romeinse steden. Flohr: ‘Daar was altijd al de markt. De stap om op die plek permanente winkels in te richten, was klein.’ Het stadsbestuur profiteerde er ook van. De winkels vormden een onderdeel van publieke gebouwen rond het forum en de huur die de winkeliers betaalden kwam in de schatkist van de stad terecht.

De opkomst van munten scheelde een hoop gedoe met ruilgoederen.

Ook op andere plaatsen verrezen winkels. ‘In Ostia hadden alle straten winkels. Over straat lopen wordt zo automatisch flaneren. Je kon kijken wat er waar te koop was, je kon zelfs voor de lol gaan winkelen.’ De winkelier woonde vaak in de ruimte achter de winkel of op de verdieping erboven. Wat opvalt: de winkels konden ook onderdeel zijn van grote huizen. De grootste woningen in Pompeï zijn een huizenblok groot. Loop je over straat, dan zie je een rij winkels. Daarachter liggen de kamers en binnentuinen van het huis.

Rome kopieert

‘De opkomst van winkels ging hand in hand met de opkomst van muntgeld. Rome ging in de derde eeuw voor Christus munten slaan’, vertelt Flohr. Hoe de Romeinen daarvoor handelden? Dat is niet bekend volgens hem. ‘Er zal veel minder handel geweest zijn. Mensen ruilden in kleine kring en ze zullen voor een groot deel zelfvoorzienend geweest zijn. Later werd het de gewoonte om naar de markt  te gaan met groenten die je verbouwd had, of met een paar potten of kledingstukken die je had gemaakt.’ Met de groei van de stad en de bevolking werd de samenleving wellicht steeds onpersoonlijker. ‘Dat leidde tot het ontstaan van muntgeld en winkels’, zegt Flohr.

De welvaart nam toe, helemaal toen de  Romeinen het in de tweede eeuw voor Christus in Griekenland voor het zeggen kregen. ‘Aan de inrichting van huizen zien we dat mensen meer te besteden hadden. Ze hadden meer bezittingen en die waren van betere kwaliteit.’ Romeinen haalden fraaie voorwerpen uit Griekenland en ze maakten die na. Flohr: ‘Denk aan meubels met mooie versieringen, verfijnd aardewerk, bronzen kommen, schalen, pannen, bekers. En dat vaak rijk gedecoreerd.’

Zo vader, zo oudste zoon

Vermoedelijk hadden de winkels elk hun specialiteit. Zocht je een bronzen pan, een aardewerken schaal en een houten kom, dan moest je naar drie winkels. Vaak werd  de verkoopwaar gemaakt in werkplaatsen die bij de winkel hoorden. Wie werkten daar? Miriam Groen-Vallinga onderzocht aan de Universiteit Leiden de arbeidsverhoudingen in Romeinse bedrijfjes. Lange tijd dachten historici dat de man des huizes degene was die goederen maakte, dat zijn vrouw ze verkocht en dat de kinderen in de zaak hielpen. ‘Maar soms produceerde de vrouw ook goederen’, zegt Groen-Vallinga. ‘Er waren schoenmaaksters en goudbewerksters bijvoorbeeld.’ In winkels werkten gewone vrije burgers, maar ook slaven. Groen-Vallinga: ‘Waarschijnlijk hadden de meer geschoolde ambachtslieden een of zelfs twee slaven die meehielpen.’ En de kinderen? Uit overgeleverde leercontracten is op te maken dat die bij andere gezinnen in de leer gingen. Groen-Vallinga: ‘Maar het leercontract van de oudste zoon ontbreekt nogal eens in de archieven die we hebben. Wellicht had hij zo’n contract niet nodig omdat hij het vak thuis leerde. Voor andere kinderen was er dan niet genoeg werk in de eigen werkplaats, zodat zij bij een gezin waar wel werk was in de leer gingen.’ Het was zelfs een optie om een heel ander vak te leren dan je vader.

Luxe op locatie

Helaas zijn veel winkels in Pompeï al in de negentiende eeuw opgegraven, zegt Flohr. ‘Uit die periode hebben we nauwelijks verslagen. Archeologen hadden toen vooral aandacht voor de grote huizen en niet voor de kleine winkels.’ Daardoor weten we van de meeste zaakjes nu niet of er potten of sandalen te koop waren, of iets anders. ‘We weten bijvoorbeeld niet of de kledingwinkels op een rijtje bij elkaar zaten. Er zijn wel aanwijzingen voor’, vertelt Flohr. ‘Sommige oude straatnamen in Rome  verwijzen naar ambachten. Maar of er werkelijk alleen maar leerlooiers zaten in de Leerlooiersstraat, weten we niet.’ Het is wel bekend dat er dure en minder dure locaties waren. ‘Op plekken waar meer mensen langskwamen, vond je winkels waar je meer winst kon maken. Daar was de huur hoger.’ In Rome zaten de handelaren in luxeproducten op de A-locaties in het centrum. ‘Denk daarbij aan goudsmeden, wierookverkopers en handelaren in purper kleding.’ Purper was destijds een extreem dure en exclusieve verfstof.

Uit eten

Goud kocht je in de Romeinse versie van de P.C. Hooftstraat, terwijl je op B-locaties bijvoorbeeld wasserijen vond. ‘Die zaten in Pompeï net buiten het centrum, maar wel vrij centraal gelegen. Zoals je wasserettes nog steeds niet in de winkelstraat vindt, maar net om de hoek.’ Dat gold ook voor eettentjes. Sommige historici denken dat de meeste mensen hun eten elke dag bij zulke zaakjes haalden. Veel woonappartementen waren klein en zelfs in de grote villa’s waren geen keukens. Maar Flohr denkt daar anders over. ‘We vinden wel draagbare stoofjes in de woningen. En waarom zouden we dan zo vaak pannen vinden als mensen niet thuis kookten?’ De eettentjes in Pompeï zijn duidelijk te herkennen, met toonbanken waar grote potten van aardewerk in gebouwd zijn. Ook in het dichtbijgelegen Herculaneum had je van die potten, waarvan de inhoud onderzocht is: ze bevatten granen, noten en gedroogde vruchten. ‘Ze dienden voor de opslag van het basismateriaal’, zegt Flohr. ‘In een aantal winkels waar je die potten in de toonbank hebt, vonden we  resten van een haard om op te koken. Dat er kant-en-klaar voedsel werd verkocht, is overduidelijk.’ Daarmee lijkt het Romeins winkelen al aardig op hoe wij nu winkelen: je slenterde langs winkels, nog leuker zelfs dan nu omdat je de ambachtslieden aan het werk zag, en je kocht wat te eten als je honger kreeg. Ze waren zo raar niet, die Romeinen.

Stad van toen

Dit paard bij Pompeï overleefde de vulkaanuitbarsting niet.

Hoe leefden de Romeinen? Archeologen leren veel van een paar goed bewaarde steden.

  • Toen in het jaar 79 de Vesuvius uitbarstte, stikten veel inwoners van Pompeï door de giftige gassen die ze inademden. De stad verdween onder neerdalende stenen en as.
  • Bij dezelfde uitbarsting werd Herculaneum bedekt onder een stroom lava, stenen en modder. Hierbij bleven de gebouwen beter intact dan de huizen in Pompeï.
  • Ostia was een havenstad bij het oude Rome. Na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk werd de stad langzaam verlaten en het gebied verzandde.

Wat schuift dat?

Keizer Diocletianus stelde in het jaar 301 maximumprijzen vast voor allerlei spullen en voor werklui. Daardoor weten we wat  verschillende beroepsgroepen  ongeveer verdienden.

Edict waarin de prijzen waren vastgelegd.

  • Een landarbeider, een ezeldrijver en de schoonmaker van het riool werkten voor 25 denarii per dag.
  • De bakker, timmerman en ijzersmid verdienden vijftig denarii per dag.
  • Een muurschilder mocht 75 denarii per dag rekenen.
  • Een portretschilder het dubbele: 150 denarii per dag.
  • Een knipbeurt kostte twintig denarii.
  • Een advocaat vroeg 1000 denarii voor een rechtszaak.

Wat kost dat?

Dankzij de lijst van keizer Diocletianus kennen we de prijzen van schoenen, kippen en uien. Wie zich niet aan deze prijzen hield, wachtte de doodstraf.

  • Een ei kostte een denarius.
  • 0,55 liter bier uit Egypte: twee denarii.
  • Dezelfde hoeveelheid goedkope wijn kostte acht denarii. Liever sjiek? Dertig denarii.
  • 25 uien kostten vier denarii. Voor hetzelfde geld had je tien appels.
  • Voor twee kippen betaalde je zestig denarii. Ook een paar damesschoenen kostte zestig denarii.
  • Mannenschoenen kostten 120 denarii.

Vak apart

Last van okselhaar? In badhuizen liet je je oksels epileren door een alipilus

Voor haar promotie-onderzoek aan de Universiteit Leiden maakte Miriam Groen-Vallinga een lijst met 564 beroepen uit de Romeinse tijd. Ze keek bijvoorbeeld naar de beroepen die mensen op hun grafsteen lieten zetten. Er zitten bijzondere vakken tussen. Een kleine greep.De alipilus werkte in het badhuis. Bij hem kon je je oksels laten epileren.De faber ocularius maakte ogen voor standbeelden. Mogelijk maakte hij ook nepogen voor patiënten. Een rhyparographus was een schilder, maar dan wel gespecialiseerd in slaapkamertaferelen voor volwassenen.

Apart vak

Voor elk klusje hadden rijke Romeinen een aparte slaaf.

Voor rijke Romeinen was het een erezaak om voor elk taakje een aparte slaaf te hebben.

  • Het was de taak van de vestiplicus om de kleding van zijn meester te vouwen. Wassen, drogen en de baas aankleden deden anderen.
  • De ornatrix was vaak een jonge slavin die het haar van de vrouw des huizes tot een ingewikkeld kapsel boetseerde.
  • Twijfelde je soms of je iemand ergens van kende of niet? Een nomenclator fluisterde in wie je tegenkwam onderweg.
  • Over de capsarius bestaat onduidelijkheid. Mogelijk droeg hij de boekrollen als je naar school of werk liep. Het kan ook dat hij een kledingkist droeg op weg naar het badhuis.

(Beeld: Peter Connolly/AKG-images, Prisma/Getty Images, Carlo Hermann/Getty Images, G. Dagli Orti/Bridgeman Archives, North Wind Picture Archive/AKG-images, Samuel Magal/Bridgeman Images, Michael Nicholson/Getty Images, DeAgostini/Getty Images, Shutterstock)

Download


Screenshot magazine-artikel. Klik en download het volledige artikel (pdf)