Slavernij was economische motor voor Nederland

1 juli 2019

Vandaag is het Keti Koti, de dag waarop de afschaffing van de slavernij in Suriname wordt herdacht. Een vorige week gepubliceerd onderzoek van NWO werpt nieuw licht op deze periode.

Economische activiteiten die verband houden met slavenhandel tussen Europa, Afrika en Amerika leverden in de tweede helft van de achttiende eeuw een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse welvaart. Dat is de conclusie van het vijfjarige NWO-onderzoeksproject Slaves, commodities and logistics. De onderzoekers berekenden dat in het peiljaar 1770 5,2 procent van het Nederlandse bruto binnenlands product gebaseerd was op de trans-Atlantische slavenhandel. Daarmee was deze als economische motor vergelijkbaar met de Rotterdamse haven voor het Nederland van nu. Die levert nu 6,2 procent van het huidige bruto binnenlands product.

Slavernijmonument in RotterdamBron: Hans van Rhoon

Tropische producten

In de onderzochte periode bestond de Nederlandse handel voor 19 procent uit producten die geteeld werden door slaven in het Atlantische gebied. In de provincie Holland was 40 procent van de economische groei tussen 1738 en 1780 terug te voeren op de slavernij, stellen de onderzoekers. De groei van de handel in deze periode opende de handel met het Duitse achterland. Het meeste geld werd niet zozeer verdiend aan de slavenhandel zelf, maar aan vervoer, verwerking en export van tropische producten als suiker, tabak, koffie, katoen en cacao. Deze werden op plantages in Suriname en onder andere ook in het huidige Guyana en Haïti onder dwang geteeld en geoogst door 120.000 tot slaaf gemaakte Afrikanen.

Eerste verantwoorde schatting

Het NWO-onderzoek geeft voor het eerst een wetenschappelijk onderbouwde schatting van het economisch belang van de slavernij voor Nederland. Het project is uitgevoerd door zeven onderzoekers, van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, de Vrije Universiteit en de Universiteit Leiden. Zij plozen talloze originele historische documenten uit, zoals kasboeken van handelshuizen en handboeken voor plantagemanagers. De historici dr. Pepijn Brandon prof. dr. Ulbe Bosma publiceerden hun bevindingen in een artikel in het open access-tijdschrift TSEG/The Low Countries Journal of Social and Economic History.

Zuiver debat

De publicatie past in een tijdsgewricht waarin Nederland zoekt naar manieren om in het reine te komen met zijn verleden. Zo nam de gemeenteraad van Amsterdam zich onlangs voor om excuses aan te bieden voor de rol van Amsterdam in het slavernijverleden. Minister van Engelshoven drong aan op meer aandacht in het onderwijs voor de zwarte bladzijden in de Nederlandse geschiedenis. Het Rijksmuseum bereidt een grote tentoonstelling voor over slavernij, en in Amsterdam worden plannen uitgewerkt voor de oprichting van een slavernijmuseum. De publicatie kreeg dan ook veel media-aandacht. In NRC Handelsblad zegt onderzoeker Pepijn Brandon: ‘In het verleden is de grote betekenis van slavernij voor de Nederlandse geschiedenis vaak te makkelijk weggewuifd. Door de slavernij af te doen als marginaal bagatelliseer je ook het leed dat met de slavernij gemoeid is. (..) Het is aan de wetenschap om de feiten te leveren waardoor dit debat zuiverder gevoerd kan worden.’

Bron: NWO