Negentiende-eeuwse wetenschapsethiek ging over ‘deugden en ondeugden’

19 februari 2018

Waarom spraken negentiende-eeuwse wetenschappers zo graag over toewijding, vlijt en ijver? In het verleden zijn zulke wetenschappelijke deugden vaak weggewuifd als naïeve idealen. Maar historicus Herman Paul ontdekte, met NWO-financiering uit de Vernieuwingsimpuls (Vidi), dat ze de basis vormden voor een wetenschapsethiek avant la lettre.

Sir Isaac Newton, gebeeldhouwd door Roublliac in 1755, Trinity College, Cambridge University. Foto: Shutterstock / Tony BaggettSir Isaac Newton, gebeeldhouwd door Roublliac in 1755, Trinity College, Cambridge University. Foto: Shutterstock / Tony Baggett

Herman Paul schreef hierover het boek De deugden van een wetenschapper: karakter en toewijding in de geesteswetenschappen, 1840-1940, dat op maandag 19 februari verschijnt bij Amsterdam University Press. Paul betoogt voor een breed publiek dat indertijd het cultiveren van een wetenschappelijke houding in allerlei vakgebieden, binnen en buiten de geesteswetenschappen, van belang werd geacht.

‘In een tijd waarin vakgebieden zoals we die nu kennen ontstonden, was het belangrijk om te specificeren waaraan je een goede wetenschapper kon herkennen’, aldus Paul. ‘Daarom wijdde historicus Robert Fruin (1823-1899) zijn oratie aan onpartijdigheid en riep Bijbelwetenschapper Abraham Kuenen (1828-1891) zijn studenten op tot waarheidsliefde. Diezelfde taal kom je tegen in recensies, controverses, aanbevelingsbrieven en overlijdensberichten. Het thema van wetenschappelijke deugden en ondeugden is dus bij uitstek geschikt voor een discipline-overstijgende geschiedenis van de wetenschap.’

‘Wat doet succes met jou’

In het boek houdt Paul ook de hedendaagse wetenschapper een negentiende-eeuwse spiegel voor, geïllustreerd met nog veel meer voorbeelden uit Nederland, België en Duitsland. Valt er van figuren als Fruin en Kuenen iets te leren, bijvoorbeeld met het oog op wetenschappelijke integriteit? Het antwoord is ja. ‘Natuurlijk hoeven wij niet in termen van deugden en ondeugden te gaan praten. En we moeten ook niet bagatelliseren hoezeer de wetenschap sinds 1900 is veranderd. Maar het aardige van die deugden en ondeugden is dat we wetenschapsethiek heel persoonlijk maken – dicht op de huid van gewone onderzoekers. Wat drijft je, wat doet succes met jou, welke bochten snijd je af als je haast hebt of druk voelt?’

Het Vidi-onderzoek van Herman Paul leverde nog meer opmerkelijke inzichten op. Zo blijkt dat negentiende-eeuwse wetenschappers vaak wel grofweg over dezelfde deugden spraken, maar dat zij daaraan heel verschillend gewicht konden toekennen. Accuratesse was belangrijk voor wie in een archief ver van huis middeleeuwse stukken zat te raadplegen. Maar wetenschappers die zich vooral tot een groot publiek richtten, of met een zetel in het parlement de rol van ‘politieke professor’ speelden, zetten liever een andere deugd op nummer één.

Paul: ‘Wat ik niet wist, is hoe vaak deugd en ondeugd verwezen naar ideaaltypische modellen van wat een geleerde zou moeten zijn. Dat konden negentiende-eeuwers als Georg Waitz (1813-1886) en Heinrich von Sybel (1817-1895) zijn, wier namen symbool kwamen te staan voor verschillende manieren van geschiedenis schrijven. Maar deugden en ondeugden werden eveneens terug geprojecteerd op idolen uit vervlogen tijden, zoals Francis Bacon (1561-1626) en Isaac Newton (1643-1727).’

Meer informatie

Prof. dr. H.J. (Herman) Paul (1978) is universitair hoofddocent Historiografie en Geschiedtheorie aan de Universiteit Leiden, bijzonder hoogleraar Secularisatiestudies aan de Rijksuniversiteit Groningen en lid van De Jonge Akademie (KNAW). Hij werkt met NWO-financiering uit de Vernieuwingsimpuls (Vidi) aan het project ‘The Scholarly Self: Character, Habit, and Virtue in the Humanities, 1860-1930’. Eerder publiceerde hij Key Issues in Historical Theory (2015) en Hayden White: The Historical Imagination (2011).

Bron: NWO