Neuropsychologische en -biologische eigenschappen van jongeren met ernstige gedragsproblemen

8 februari 2017

Eén van de meest voorkomende redenen voor een verwijzing naar geestelijke gezondheidszorg voor adolescenten is ernstig antisociaal gedrag, zoals een patroon van stelen, agressief gedrag en liegen. Dit is vaak lastig te behandelen. Sanne Oostermeijer (VU) onderzocht de subtypen en onderliggende processen die een rol spelen bij de ontwikkeling en behandeling van antisociaal gedrag. Ze toonde aan dat cognitieve en neurobiologische processen van belang zijn voor de ontwikkeling en behandeling van antisociaal gedrag bij jongeren. Oostermeijer promoveert op 7 februari 2017 op onderzoek gefinancierd door het NWO-regieorgaan voor hersen- en cognitieonderzoek (NIHC).

Sanne Oostermeijer onderzocht een grote groep adolescenten met ernstig antisociaal gedrag. Ze bekeek hoe deze groep het beste onderverdeeld kon worden op basis van twee typen agressief gedrag: reactieve- en proactieve agressie. Hieruit bleek dat ernst van agressie met name onderscheidend was, en niet het type agressie.

Vervolgens onderzocht ze de relatie tussen beide typen agressie, cognitieve processen (o.a. denkfouten) en de gedragsveranderingen na een agressiebehandeling bij jongeren in de gesloten jeugdzorg. Hieruit bleek dat voor gedragsveranderingen in reactieve agressie de behandeling zich met name kan richten op de denkfout ‘anderen de schuld geven’. Voor proactieve agressie lijkt een focus op alle onderzochte denkfouten nodig voor gedragsverandering.

Sociale informatieverwerking

Daarnaast bleken beide typen agressie gerelateerd aan problemen in sociale informatieverwerking. Een verminderde reactie-remming en betere planningsvaardigheden waren gerelateerd aan meer antisociale gedragsproblemen, echter was er geen relatie met gedragsveranderingen tijdens de behandeling.

Tenslotte werd de hersenontwikkeling onderzocht binnen een groep Australische jongeren. Bij jongeren met antisociale gedragsproblemen in de vroege adolescentie, die later afnamen, was een afwijkende hersenontwikkeling (geen vermindering van de grijze stof) in verschillende hersengebieden te zien. Verder onderzoek liet zien dat meer antisociale gedragsproblemen in deze groep jongeren gerelateerd waren aan verminderde verbinding (witte stof) tussen verschillende hersengebieden. 

De uitkomsten van dit onderzoek dragen bij aan een beter beeld van de belangrijke kenmerken van jongeren die wel en niet profiteren van behandeling in een gesloten jeugdzorginstelling, en zo mogelijk bij het verbeteren van dergelijke interventies. Gebleken is dat cognitieve en neurobiologische processen van belang zijn voor de ontwikkeling en behandeling van antisociaal gedrag bij jongeren. De onderliggende cognitieve processen kunnen mogelijk een aanknopingspunt vormen voor behandeling op maat. Neurobiologische factoren kunnen mogelijk signaleren welke jongeren meer risico lopen op ontwikkeling van ernstig antisociaal gedrag.


Bron: NWO