Spelende musici móeten in het orkest en thuis oordoppen dragen

22 november 2017

Alleen oordoppen voorkomen gehoorschade bij musici door het bespelen van hun instrument. Maatregelen gericht op lagere geluidsniveaus door professionele orkesten – zoals het plaatsen van schermen tussen secties of het creëren van meer ruimte – bieden amper soelaas. Het eigen instrument draagt vaak evenveel bij aan het geluidsniveau dat de oren bereikt als alle andere instrumenten in het orkest samen. Rémy Wenmaekers ontdekte dit tijdens zijn onderzoek. Hij promoveert 22 november aan de Technische Universiteit Eindhoven met NWO-financiering uit het programma Creatieve industrie.

Akoestische test met poppenorkest in Muziekgebouw Frits Philips in Eindhoven.Akoestische test met poppenorkest in Muziekgebouw Frits Philips in Eindhoven. Foto: Rëmy Wenmaekers

De trommelvliezen van trompettisten en fluitisten krijgen de zwaarste klappen. Die ondergaan tijdens luide passages gemiddelde geluidsniveaus van 95 tot 100 dB(A), afkomstig van het eigen instrument. De viool en de altviool leveren hun bespelers dan geluidsniveaus op van ruim boven de 90 dB(A). Zulke geluidniveaus zijn vergelijkbaar met een rockconcert. Ook is het aanzienlijk hoger dan de 85 dB(A)-grens die in Europese regels is vastgelegd voor het verplicht dragen van gehoorbescherming op de werkvloer. Musici die thuis alleen spelen – zowel professionele als niet-professionele – ervaren eveneens excessieve geluidsniveaus.

Wenmaekers, zelf muzikant, begrijpt dat het onvermijdelijke gebruik van oordoppen een weinig prettig vooruitzicht biedt. ‘Een musicus met een slecht gehoor riskeert het verlies van zijn baan. Als je dat wilt voorkomen, zijn oordoppen onontkoombaar. Tegelijkertijd wil je zo goed mogelijk presteren, en daarbij kunnen oordoppen een belemmering zijn. Muzikanten zullen er daarom van jongs af aan mee moeten leren spelen. Als je eenmaal gehoorproblemen hebt, ben je al te laat.’

Rekenmodel in plaats van metingen

Akoesticus en onderzoeker Rémy Wenmaekers kwam tot deze resultaten met een door hem ontwikkeld rekenmodel om het geluidsniveau bij muzikantenoren te berekenen. Hij koos voor een rekenmodel in plaats van metingen ter plekke met muziekinstrumenten bespeeld door musici, omdat zij nooit precies hetzelfde geluidsniveau reproduceren. Dat maakt onderling vergelijken van experimenten met ‘echte’ musici vrijwel onmogelijk.

Als basis voor zijn model gebruikte Wenmaekers opnames van orkestmuziek per instrument gemaakt in een kamer zonder echo. Het model houdt onder meer rekening met de geluidsrichting van de instrumenten, de gehoorrichting van de ontvangers, geluidsweerkaatsing en blokkade door andere muzikanten. Hij vergeleek zijn resultaten met metingen in een echt orkest, en die bleken goed overeen te komen.

Met zijn model berekende Wenmaekers het effect van de meest voorkomende geluidsreducerende maatregelen, zoals het plaatsen van schermen en van hogere plateaus voor de verschillende secties in het orkest. Die effecten bleken erg klein, doordat de voornaamste geluidsbron het eigen instrument blijkt te zijn. Door diezelfde oorzaak is het geluidsversterkende effect van te kleine orkestruimtes, zoals overdekte orkestbakken, ook relatief klein (circa 3 dB). Volgens Wenmaekers is het toch raadzaam om kleine orkestruimtes te vermijden, maar daarmee blijven de geluidsniveaus nog steeds te hoog op andere plekken. Het enige wat echt helpt, is zachter spelen of oordoppen gebruiken. Musici krijgen al enige tijd het advies om te spelen met oordoppen, maar nu is bewezen dat er geen andere, haalbare maatregelen zijn.

Overigens zijn er bij de strijkerssectie twee instrumentengroepen die deels de dans ontspringen, die van de celli en de contrabassen. Deze instrumenten produceren een relatief zacht geluid en vormen thuis geen gevaar. De geluidslast op de oren van de cellisten en de contrabasspelers is over het algemeen lager en het geluid komt hoofdzakelijk van de andere secties. Daardoor zijn er voor deze groep wel andere ingrepen effectief dan oordoppen.

Meer informatie

R.H.C. (Rémy) Wenmaekers voltooide zijn proefschrift ‘Stage acoustics and sound exposure in performance and rehearsal spaces for orchestras. Methods for physical measurements’ aan de TU Eindhoven met financiering uit het NWO-programma ‘Creatieve industrie ER:Next Fashion, BEAU, Smart Design Solutions’. Hoofdaanvrager en promotor is dr. ir. M.C.J. Hornikx (de eerste UHD die als promotor optreedt). Promotor is prof. dr. A.G. Kohlrausch.


Bron: TU Eindhoven