West-Friesland in de Bronstijd: een bosrijk paradijs

14 februari 2017

Over de landschaps- en bewoningsgeschiedenis van West-Friesland gedurende de Bronstijd is tot het eind van de vorige eeuw onder onderzoekers lange tijd consensus geweest. Een plotselinge klimaatomslag, is de oorzaak van het einde van de bewoning in het gebied. Op basis van nieuw paleogeografisch onderzoek schetst archeoloog Wilko van Zijverden een genuanceerd beeld. Hij promoveert woensdag 15 februari aan de Universiteit van Leiden met NWO-financiering uit de Vrije competitie.

Wilko van Zijverden bezig met het afsteken van een profielwand van een opgravingsputWilko van Zijverden bezig met het afsteken van een profielwand van een opgravingsput die is aangelegd in een restgeul. De venige lagen uit de restgeul worden bemonsterd voor een onderzoek naar stuifmeelkorrels (pollen) en de ouderdom (C14).

Na de Tweede Wereldoorlog hadden in de kop van Noord-Holland enorme ruilverkavelingsprojecten plaats. Tegelijkertijd werden grootschalige opgravingen in en rond nederzettingen uit de Bronstijd (2000-800 voor Chr.) uitgevoerd. Die kennis resulteerde in een overtuigend model voor de bewoning van het West-Friese landschap in die periode. Dit model beschreef de aanwezigheid van nederzettingen gebouwd op kreekruggen in een open, bijna boomloos landschap. Na een plotselinge klimaatverandering rond 800 voor Christus raakten delen van het landschap overspoeld en ontwikkelden zich veengebieden. De mens beschouwde West-Friesland als onbewoonbaar.

Van Zijverden: ‘Restanten van dit dichtbevolkte landschap uit de Bronstijd werden bijna volledig verwoest tijdens de ruilverkaveling, zo nam eenieder aan. Maar aan het begin van onze eeuw bleken er tóch goed bewaard gebleven nederzettingen uit de Bronstijd te bestaan. Deze werden bovendien op onverwachte locaties aangetroffen. De resultaten van de opgravingen, vooral rond Hoogwoud, Medemblik (opgraving Schepenwijk) en Enkhuizen (opgraving Kadijken), gaven aanleiding om te denken dat in de Bronstijd ook bossen en wouden bevonden in West-Friesland. En dat strookte niet met het algemeen aanvaarde beeld. Ik heb geprobeerd de onderzoeksresultaten uit de periode van de ruilverkaveling met die van de latere graafprojecten te verenigen.’

Wilko van Zijverden

Vertakkende getijdengeul 

Voorafgaand aan de Bronstijd, aldus Van Zijverden, is sprake van een grote kustopening nabij het huidige Bergen. Vandaar slingert een zich vertakkende getijdengeul diep landinwaarts tot in het merengebied ter plaatse van het huidige IJsselmeer. Langs de geulen vormen zich hoog opgeslibde oevers naast uitgestrekte kommen. Deze kommen bestonden soms uit open watervlaktes, soms uit rietmoerassen en dan weer uit slikken. Rond die komgebieden komen bossen en bosschages tot ontwikkeling – plaatsen in het landschap die aantrekkelijk zijn geweest voor de mens, getuige sporen van akkerbouw en bewoning.

Van Zijverden: ‘Na een (waarschijnlijk) catastrofale overstroming tussen 1800 en 1700 voor Chr. ontstond een wad-kwelder landschap. In oostelijk West-Friesland slibde het landschap zo hoog op dat het zich vanaf 1700 voor Chr. buiten het bereik van de zee bevond en snel verzoette. Het is dit voormalige wad-kwelderlandschap dat intensief werd gebruikt door de mens in oostelijk West-Friesland.  En níet het hiervoor aanwezige krekenlandschap.’

Meer informatie

W.K. (Wilko) van Zijverden (1969) voltooide zijn proefschrift ‘After the Deluge’ aan de Universiteit Leiden, Faculteit der Archeologie, binnen het project ‘Farmers of the coast, coastal farming communities on the southern North Sea coast, 2000-800 BC’, gefinancierd uit de Vrije competitie. Hoofdaanvrager was prof. dr. H. (Harry) Fokkens.


Bron: NWO