‘Even grote vrijheid nodig voor onderzoek in de kunst als voor artistiek experiment’

9 juni 2017

De Amerikaanse kunstenaar Jeremiah Day is de eerste van vier vakgenoten die promoveert met financiering uit het NWO-programma ‘Promoveren in de kunsten’. Zijn levendige en lijvige proefschrift vormt een samenballing van transcripties, notities, fotografie en schriftelijke reflecties die bij elkaar opgeteld een weerslag bieden van zes jaar onderzoek naar de status van kunst in het publieke leven, via een hoogst persoonlijk proces. Conclusie van Day: promotieonderzoek in de kunst moet dezelfde grote vrijheid genieten als die waar artistieke experimenten van afhangen. Hij verdedigt zijn vuistdikke werk ‘A Kind of Imagination that has Nothing to Do with Fiction: Art in Public Life’ op vrijdag 9 juni aan de VU Amsterdam.

Jeremiah Day met muzikale begeleiding door Bart de Kroon: To a Person sitting in Darkness (#4 Helicopters). Performance in CCA, Glasgow, UKJeremiah Day met muzikale begeleiding door Bart de Kroon: To a Person sitting in Darkness (#4 Helicopters). Performance in CCA, Glasgow, UK

In hun werk onderzoeken kunstenaars hoe ‘wij’ ons tot de werkelijkheid verhouden. De kennis die dit oplevert kunnen zij in onderzoek analyseren, verbreden en koppelen aan wetenschappelijke kennis, zo luidt het theoretisch kader van het programma Promoveren in de kunsten. Het project ‘A Kind of Imagination that has Nothing To Do with Fiction? Allan Kaprow and Hannah Arendt and a Practice for a New Publicness of Art’ voerde Jeremiah Day vooral binnen de praktijk uit. Naar zijn zeggen ‘liepen persoonlijk onderzoek, speculatie, experiment en reflectie op en in concrete omstandigheden door elkaar heen, verweven met de inspanningen van andere mensen, met publieke zaken en politieke gebeurtenissen in de voorgrond.’

‘Terwijl de kunstgemeenschap blijft praten over politiek,’ zegt Jeremiah Day, ‘benadert de maatschappij kunst voornamelijk als gereedschap. Het zij in de economie, in de mode of als goedbedoeld sociaal werk… maar kunst moet worden toegepast. Maar heeft de hedendaagse kunst werkelijk iets zinnigs bij te dragen aan het politieke debat? Hoe kan de eigentijdse kunstpraktijk de ambitie van een rol in het openbare leven vervullen? Dat was het uitgangspunt.’

Hannah Arendt en ‘randfiguren’

Leidraad vormde een experimentele verkenning van het werk van de Duits-Amerikaanse filosofe en politiek denker Hannah Arendt. Samen met cultuurfilosoof Fred Dewey vormden ‘randfiguren’ uit de Amerikaanse avant-garde als Allan Kaprow, Simone Forti en Amiri Baraka voorbeelden voor dit hernieuwd engagement tussen cultuur en burgerij, aldus Day.

Een en ander leverde in elk geval een tot de verbeelding sprekende dissertatie op, een rijk geïllustreerd boekwerk van bijna vierhonderdendertig pagina’s, vol fotografie, impressionistische gespreksverslagen, theoretische verhandelingen en persoonlijke observaties. Daarbij gaat de auteur controversiële standpunten niet uit de weg: tégen de begrotingsverlagingen in 2011 voor cultuur in Nederland, vóór Europese samenwerking, tégen de NAVO-gestuurde 'Global War on Terror'.

Day’s proefproject moet uiteindelijk helpen bij het ontwikkelen van methoden en modellen voor doctoraal onderwijs in de kunstpraktijk. ‘Een conclusie uit het proces luidt,’ zegt Day, ‘dat promotieonderzoek in de kunst dezelfde grote vrijheid moet hebben als die waar artistieke experimenten van afhangen, zelfs door de ‘normale gang van zaken’ binnen de academische wereld ter discussie te stellen.’

Meer informatie

Jeremiah Wales Day (1974) voltooide zijn proefschrift met financiering van NWO en het Mondriaan Fonds aan de VU Amsterdam.  Promotor is prof. dr. W. (Wouter) Davidts. Copromotoren zijn prof. dr. D.M. (Diederik) Oostdijk en dr. H. (Henk) Slager.


Bron: NWO

Kenmerken

Wetenschapsterrein

Sociale en Geesteswetenschappen

Programma

Promoveren in de kunsten

Speerpunt

Talent Vrij onderzoek