Dialecten langs de Nederlandse kust gebruiken intonatie verschillend

7 maart 2017

Amsterdammers en Rotterdammers laten de intonatie van hun zinnen pas laat dalen en houden die dan lang aan. Daardoor klinkt hun spraak vlakker dan die van de Nedersaksen met hun steile melodieën. Taalkundige Judith Hanssen deed als een van eersten onderzoek naar intonatieverschillen tussen Nederlandse dialecten. Zij promoveert vrijdag 10 maart aan de Radboud Universiteit met NWO-financiering uit de Vrije competitie.

Sprekers uit Limburg, waar de meeste dialecten woordtoon kennen, zijn gemakkelijk te herkennen aan hun intonatie. Maar ook buiten Limburg hebben dialecten hun eigen typische intonatie en ook die zou kunnen helpen om de herkomst van een spreker te herkennen, naast de klank van de klinkers en de woordkeus.

Judith Hanssen onderzocht de uitspraak van zinsmelodieën in lokale varianten langs de Nederlandse kust, van Zeeland tot aan Noordoost-Groningen. Daarvoor deed ze een taalproductie-experiment met honderdtwintig sprekers van het Zeeuws, het Rotterdams, het Amsterdams, het Fries, het Nedersaksisch (streektaal in het noordelijke deel van Duitsland en in noordoost Nederland) en het Standaardnederlands. ‘Er is nog niet veel onderzoek gedaan naar intonatieverschillen in dialecten. Dat komt waarschijnlijk omdat het technisch lastig is en behoorlijk tijdrovend. Het is makkelijker om de verschillen in de uitspraak van klinkers te beschrijven, of om lijsten te maken van typische dialectwoorden,’ zegt de promovenda van het Centre for Language Studies van de Radboud Universiteit.

Intonatie bestaat uit hoge en lage tonen. Door deze tonen op bepaalde woorden uit te spreken, kun je als spreker duidelijk maken welke informatie belangrijk is. Zulke ‘toonhoogteaccenten’ vormen samen met de tonen aan het begin en eind van zinnen een zinsmelodie, die betekenis draagt. Een voorbeeld is de intonatie om een vraagzin aan te geven. De gebruikte melodieën kunnen per taal verschillen, maar het kan ook zijn dat twee talen over dezelfde set melodieën beschikken, maar dat deze in de ene taal net iets anders worden gehanteerd dan in de andere. Bijvoorbeeld iets hoger of iets lager, of eerder of later ten opzichte van de beklemtoonde lettergreep. Hanssen keek vooral naar dit type uitspraakverschillen.

Zeeuwen vallen op

‘Ik heb twee opvallende melodieën gevonden in Zeeland,’ zegt Hanssen. ‘Sprekers daar hebben een sterke voorkeur voor dalende melodieën, ook in vraagzinnen. In de andere varianten die ik onderzocht gebruiken sprekers juist een stijging om een vraag aan te geven.’

Een derde bijzondere uitspraak bestaat in Rotterdam en Amsterdam. ‘Hier zijn de dalingen bijzonder vlak, sprekers houden ze lang aan en laten ze later beginnen.’

De dialecten aan de grenzen van Nederland, het Zeeuws en het Nedersaksisch, verschillen het sterkst van elkaar wat betreft de uitspraak van intonatie. In Zeeland zijn de lettergrepen waarop de melodie wordt uitgesproken het kortst, en in Winschoten het langst. Het Zeeuws kent daarnaast vroege pieken, met minder extreme verschillen in toonhoogte, en minder steile melodieën. In het Nedersaksisch zijn de pieken meestal later, de toonhoogteverschillen groter, en de melodieën steiler. De overige, meer centrale dialecten, van Rotterdam tot het West-Fries, vallen wat betreft uitspraak meestal tussen deze extremen.

Of de verschillen voor niet-dialectsprekers te horen zijn, en of de verschillen tussen de uitspraak van intonatie tot misverstanden zouden kunnen leiden, is een onderwerp voor vervolgonderzoek, zegt Hanssen. ‘Aan de late dalingen in de spraak van Amsterdammers wordt wel eens ten onrechte een bepaalde betekenis toegekend, iets als vanzelfsprekendheid,’ zegt Hanssens promotor Carlos Gussenhoven. 'In reclameboodschappen zijn ze waarschijnlijk daarom een bijna standaard kenmerk geworden.’

Meer informatie

J.E.G. (Judith) Hanssen voltooide haar proefschrift ‘Regional variation in the realization of intonation contours in the Netherlands’ binnen het project ‘Intonation in varieties of Dutch’ aan de Radboud Universiteit Nijmegen, Faculteit der Letteren, Taalwetenschap, met NWO-financiering uit de Vrije competitie. Hoofdaanvrager was prof. dr. C.H.M. (Carlos) Gussenhoven em.


Bron: Radboud Universiteit Nijmegen