Klassieke meetmethode gemoedstoestand GGZ-patiënt net zo goed als moderne

1 april 2016

Moderne methodes om effecten te meten op GGZ-patiënten na een medische behandeling of therapie leveren niet per se een beter resultaat op dan de klassieke vragenlijsten. De meetmethoden uit de psychometrie van de jaren 1960-1970 blijken net zo robuust te zijn. Dat concludeerde psycholoog Ruslan Jabrayilov tijdens zijn promotieonderzoek naar de verbetering van metingen van individuele veranderingen na een behandeling. Er was nog niet eerder vergelijkend onderzoek gedaan naar de verschillende meetmethoden. Hij promoveert maandag 4 april aan de Universiteit van Tilburg met NWO-financiering uit de Vrije competitie.

Het invullen van een vragenlijst

Psychologen gebruiken tests en vragenlijsten om veranderingen in de gemoedstoestand van individuele GGZ-patiënten in kaart te brengen na klinische therapie of een medische behandeling. Die vragenlijsten bestaan in sommige gevallen al een halve eeuw. De laatste jaren echter is, vooral in de Verenigde Staten, een nieuwe vorm van vragen en meten in zwang volgens de Item Response Theory (IRT). Deze methode zou de minpunten van de ‘oude’ wijze van vraag en antwoord sterk verbeteren, aldus gebruikers. Een goede, empirische grondslag was hier echter nooit voor gelegd.

Jabrayilov: ‘Vragenlijsten over het welbevinden gebruik je bij patiënten in de GGZ, die lijden aan een depressie of andere klachten, voor en na de behandeling. Op basis daarvan bepaal je of de score toe- of afgenomen is. Er is daarbij altijd een mate van onbetrouwbaarheid. Geeft iemand hetzelfde antwoord als de zon buiten schijnt of wanneer het pijpenstelen regent? De verandering ‘voor en na’ moet daarom zo groot zijn dat we haar als betrouwbare verandering beschouwen.’

De klassieke vraagstelling maakt geen onderscheid tussen de inhoudelijke ‘zwaarte’ van de vraag. Zo worden scores op de vragen ‘Hoe voel je je vandaag?’ en ‘Hoe suïcidaal ben je?’ gelijk beoordeeld. In de moderne methode wordt aan elke vraag wél een verschillend gewicht toegedicht. Je zou veronderstellen dat de resultaten dan ook een veel scherper beeld van de situatie scheppen. Dat blijkt maar zeer ten dele zo te zijn.

Net zo nauwkeurig

Jabrayilov en collega’s vergeleken de klassieke en moderne meetinstrumenten. Zij gebruikten daarvoor twee datasets: een met gesimuleerde data en een met authentieke data van 500 patiënten. En zij vonden niet veel afwijkingen. Jabrayilov: ‘Van de 100 personen bleken er 85 net zo nauwkeurig geclassificeerd op zowel de klassieke als de moderne wijze. Bij een korte vragenlijst is de klassieke methode zelfs robuuster. Het is wel zo dat hoe langer de vragenlijst is, op hoe beter resultaat je kunt rekenen zodra deze de moderne indeling heeft. Dat vereist wel meer technische bagage bij de data-interpretatie: dan zijn complexe berekeningen nodig en niet alle psychologen hebben dit in huis.’

Het onderzoek draagt bij aan verbetering van het in kaart brengen van de gemoedstoestand van patiënten van GGZ-instellingen.

Meer informatie

Ruslan Jabrayilov (1984) startte in 2011 zijn promotieonderzoek naar ‘Improving assessment of individual change in clinical, medical and health’ met financiering uit het NWO-programma Vrije competitie. Hoofdaanvrager was dr. W.H.M. Emons.


Bron: NWO

Kenmerken

Wetenschapsterrein

Maatschappij- en Gedragswetenschappen

Programma

Vrije competitie

Speerpunt

Investeren in talent en vrij onderzoek (2011-2014)