De chemie als aanjager van vernieuwing

chemie bij SON en NWO CW 1973-2016

30 oktober 2016

Na de Tweede Wereldoorlog kampte Nederland met een ernstig tekort aan chemici en bijbehorende infrastructuur. Ook was de samenwerking marginaal. De stichting Scheikundig Onderzoek in Nederland (SON) wist geld aan te trekken en het onderzoek te coördineren waardoor de essentiële expansie van het chemisch onderzoek mogelijk werd. In de jaren zeventig en tachtig kreeg SON te maken met krimpende budgetten en ging SON over in het NWO-gebied Chemische Wetenschappen (CW). SON en CW wisten zich met succes hard te maken voor de chemie in Nederland, ondanks bezuinigingen en afremmende groei van onderzoeksbudgetten.

Dit is het tweede artikel in een vierdelige reeks over 60 jaar chemie bij NWO. Lees ook deel I uit deze reeks.

Practicum anorganische chemie aan de VU, 1985 - Bron: KNCV Archief; Bram de Hollander fotografie Amsterdam

Organisatie van het onderzoek

Werd de teruggang in middelen ten gevolge van de slechte economische omstandigheden in de jaren tachtig reeds in 1982 duidelijk, in 1985 luidde het SON-bestuur in haar algemene beschouwingen uit de beleidsbegroting de noodklok. ‘De omvang en het niveau van het fundamenteel scheikundig onderzoek worden ernstig bedreigd’, waarbij dit voornamelijk betrekking had op de eerste geldstroom1.  In 1987 werd duidelijk dat niet alleen jonge gepromoveerden, maar ook in toenemende mate ervaren onderzoekers het wetenschappelijk onderwijs verruilden voor ‘het betere onderzoeksklimaat in het bedrijfsleven’. Ook het aantrekken van nieuwe hoogleraren uit het bedrijfsleven stagneerde. Bijkomend probleem was dat promovendi moeilijker te krijgen waren omdat ze een veel lager salaris kregen dan voorheen2.

De Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO), opgericht in 1950, werd in 1988 omgevormd tot NWO. Oorspronkelijk werd in de eerste opzet voor de NWO-wet voorzien in de ontmanteling van de vele stichtingen waarvan werd gemeend dat deze beperkingen opleverden ten aanzien van de flexibiliteit van de allocatie van middelen. Later werd dit optioneel3. Toen op 1 februari 1988 de NWO-wet van kracht werd en in december 1988 het NWO-regelement werd goedgekeurd door de Minister van O&W (voorloper van het huidige OCW) werden alle SON/NWO-medewerkers formeel rijksambtenaar. Het SON-bestuur viel sindsdien onder het gebiedsbestuur exacte wetenschappen (GB E)4. Circa dertig NWO-stichtingen bleven als aparte entiteiten voortbestaan, met als resultaat een hybride organisatie met verschillende stichtingen met verschillende rechtsposities en verschillende formele functies binnen de organisatie5.


In de jaren negentig werd bundeling en concentratie van onderzoek in onderzoeksscholen een item. SON zag in de te vormen onderzoeksscholen belangrijke instrumenten om de samenwerking van de onderzoekers te bevorderen. Waar nodig vervulde SON een ‘katalytische rol’ bij de totstandkoming van de nieuwe onderzoeksscholen6. In 1991 signaleerde SON dat de komende tien jaar de helft van de hoogleraren chemie met pensioen zou gaan. De opvolging van deze groep baarde zorgen; binnen de toen beschikbare staven meende SON dat er onvoldoende opvolgers beschikbaar waren. Bij de uitreiking van de KNCV gouden medaille in 1991 werd opgemerkt dat de laatste jaren de meest goede kandidaten vanuit de industrie kwamen. Terugkeer vanuit de industrie werd bemoeilijkt door  het ‘onaantrekkelijke onderzoeksklimaat bij de universiteiten (sobere salarissen, te lage budgetten voor apparatuur en exploitatie)7.

College organische chemie aan de VU, 1985 - Bron: KNCV Archief; Bram de Hollander fotografie Amsterdam

SON organiseerde vanaf 1994 een programma Jonge Chemici, gericht op het profileren van jonge UD’s en UHD’s in de landelijke competitie. In 1997 werden van de 56 voorstellen 16 gehonoreerd. PIONIER was een NWO-programma, erop gericht om uitnemende jonge onderzoekers in staat te stellen een eigen onderzoekslijn op te zetten. Om het dreigende hooglerarentekort tegen te gaan werd het programma Van der Leeuw-hoogleraren Chemie mede op initiatief van het ministerie van OCW opgezet. Jonge hoogleraren werden hiermee benoemd op belangrijke leerstoelen enkele jaren voordat de toenmalige hoogleraar met pensioen zou gaan. In totaal werden 15 jonge hoogleraren hiermee benoemd8.

ZWO kende eerst nog een exploitatiesubsidie en een investeringssubsidie toe aan SON, en kende slechts incidenteel aparte programma’s. Midden jaren tachtig kwamen er nieuwe steunvormen. Er kwam een Speciaal Programma met geoormerkte subsidies voor prioriteitsprogramma’s met een bijzondere maatschappelijke relevantie, zoals voor de SON-programma’s Biotechnologie (vanaf 1982) en oppervlakte-onderzoek (vanaf 1986). Vanaf 1985 stelde O&W via ZWO/NWO extra investeringssubsidies beschikbaar uit het Intentioneel Apparatuur Schema (IAS) voor para-universitaire instituten, waarin SON participeerde met BIOSON (waar vanaf 1987 biomacromoleculair structuuronderzoek plaatsvond aan de RUG) en het Bijvoetcentrum (waar vanaf 1989 moleculair structuuronderzoek plaatsvond aan de Universiteit Utrecht)9.

Het SON-bureau, dat eerst bij de KNCV was ondergebracht, betrok in 1971 samen met de bureaus van FUNGO, BION en de Stichting voor Biofysica het pand aan de Laan van Meerdervoort 53. September 1989 verhuisde het SON-bureau naar de Laan van Nieuw Oost-Indië, waar de bureaus van NWO en de meeste van haar stichtingen werden gehuisvest10. Het nieuw aangetreden NWO-bestuur kondigde voor 1989 nieuwe steunvormen aan (naast een uitbreiding van de prioriteitsprogramma’s): Aanmoedigingspremies voor samenwerking tussen tweede en eerste geldstroom (‘combinatiefonds 2+1’), Steun van interuniversitaire samenwerking, persoonsgerichte groepssteun om uitnemende onderzoekers de mogelijkheid te geven een groep te vormen voor een belangrijke nieuwe onderzoekslijn. NWO wilde deze nieuwe steunvormen financieren door kortingen op de reguliere subsidies, aangevuld met extra middelen van de overheid11. SON zette hiermee een nieuw Prioriteitsprogramma Materialenonderzoek op samen met FOM (de stichting voor de natuurkunde, opgericht in 1946, in 1988 één van de toen dertigtal NWO-stichtingen) en stond aan de basis van het laseruitleencentrum (uitlenen van lasers aan chemische groepen met weinig ervaring met lasers, UvA in 1989) en de faciliteit voor hoge resolutie elektronenmicroscopie (HREM samen met TUD en FOM). Als aandachtsgebieden voor interuniversitaire samenwerking werd voorgesteld: structuur/functie relaties van biomacromoleculen, katalyse en molecular modelling & design. Als allereerste persoonsgerichte groepssteun-project werd ingediend: ‘Moleculaire oppervlaktechemie van katalytische reacties’ door dr. J.W. (Hans) Niemandsverdriet en prof.dr. Rutger A. van Santen (TU/e). SON merkte op dat ‘al deze nieuwe steunvormen wel tot reorganisaties en reoriëntaties, maar […] niet tot extra middelen voor chemisch onderzoek geleid hebben12.



Gedeelte van de fabriek waar Shell te Pernis isopreenrubber fabriceerde, ca. 1980 - Bron: KNCV Archief; Shell

Internationale samenwerking
Internationale samenwerking was lange tijd geen hoofddoel van SON, en het zou tot eind jaren negentig duren voordat er een internationaal programma van de grond kwam. Tot die tijd richtte SON zich op andere manieren op  internationale samenwerking. Bijvoorbeeld binnen de werkgemeenschap (werkgemeenschappen werden bij de overgang van SON naar NWO CW in 1997 “studiegroepen”) voor Moleculaire genetica van Bacteriën en Bacteriofagen; in 1968 had de werkgroep een nationale verzameling van mutanten en micro-organismen en bacteriofagen onder haar hoede ten behoeve van moleculair biologisch onderzoek, alsmede voor internationale uitwisseling13.
Toen Quantumtheoretische chemie als werkgemeenschap bij SON kwam, bestond reeds enkele jaren een informele discussiegroep op dit gebied. In het begin bestond er gebrek aan grote rekencapaciteit;begin jaren zeventig maakte de overheid het universiteiten en hogescholen mogelijk om apparatuur aan te schaffen. Ondertussen konden onderzoekers gebruik maken van de overeenkomst tussen ZWO en het Franse CNRS, waardoor onderzoekers gebruik konden maken van de faciliteiten van CECAM (Centre Européen de Calculs Atomiques et Moléculaires)14.



In de jaren tachtig werd internationale samenwerking van overheidswege steeds belangrijker gevonden. De directeur van SON, Theo Hesselink, merkte in 1987 op: ‘De rijksoverheid legt sterk de nadruk op de versterking van de internationale samenwerking in het wetenschappelijk onderzoek. Dit begint expliciet een rol te spelen bij de verdeling van de middelen door de rijksoverheid.’ SON-werkgemeenschappen, de huidige studiegroepen, bestonden ieder uit een verzameling SON-werkgroepen, gecentreerd rond een universitaire werkgroepleider. Hesselink verzocht alle SON-werkgroepleiders om aan te geven welke van hun publicaties buitenlandse coauteurs hadden15. Bij de helft van de publicaties door SON-onderzoekers bleken buitenlandse coauteurs betrokken.

In het SON jaarverslag 1991 wordt voor het eerst over internationale samenwerking gesproken in relatie tot de verwerving van extra Europese middelen door de SON-werkgroepen, maar SON zelf had in de EC-kaderprogramma’s of COST (European Cooperation in Science and Technology, het langstlopende  – sinds 1971 – intergouvernementele kader voor samenwerking op het gebied van wetenschap en technologie, dat financieringsmogelijkheden biedt voor bottom-up, multidisciplinaire samenwerking) nog geen actieve rol16.  Maar SON ging zich wel krachtiger richten op Europa: de directeur nam zitting in het executive committee van CERC3, het overlegorgaan van Europese tweede geldstroomorganisaties en nam deel aan het opzetten van een COST-programma dat in 1992 zou starten.

Samenwerking met andere NWO-stichtingen

SON heeft van oudsher steeds de afstemming en samenwerking met andere NWO-stichtingen en onderdelen gezocht. Het eerst kwam de samenwerking met FOM van de grond, en toen in 1981 STW werd opgericht startte SON en STW direct een meerjarig samenwerkingsprogramma (hierover meer in de paragraaf Toepassingsgericht onderzoek). Om te voorkomen dat er in de grensgebieden van SON en FOM dubbel werk zou worden verricht, werd besloten dat de beide stichtingen elkaar een kopie van hun begroting voor het komende jaar zouden sturen. Een vertegenwoordiger van het bestuur van de ene stichting was permanent uitgenodigd vergaderingen van het bestuur van de andere stichting bij te wonen. Besturen van SON-werkgemeenschappen die een gemeenschappelijk terrein van een FOM werkgemeenschap bestreken, namen een FOM bestuurslid op, en vice versa17. Zo nam prof. dr. A.M.J.F. (Teun) Michels (UvA) van de FOM-werkgemeenschap Molecuulfysica zitting in het bestuur van SON-werkgemeenschap Spectroscopie; van dat laatstgenoemde bestuur trad prof. dr. Jan A.A. Ketelaar toe tot het bestuur van de FOM-werkgemeenschap Molecuulfysica18.

Toen eind 1973 de energiecrisis toesloeg, startten ZWO, FOM en SON een overleg over de taak en mogelijkheden voor deze instellingen op het gebied van het zogenaamde energie gelieerde onderzoek19.  In later jaren werd ook geregeld tussen SON, haar opvolger NWO CW en FOM samengewerkt binnen zogenaamde ‘bijzondere’, lees thematische, programma’s, zoals in de jaren tachtig en negentig Oppervlakteonderzoek (1985-1990), Supergeleidende materialen (1988-1992), Materialenonderzoek (1989-…), of meer recent Solar to Products (2016). Het programma Oppervlakteonderzoek kwam tot stand doordat de werkgemeenschappen Chemie van de Vaste Stof en Katalyse samen met de begrotingsvoorstellen voor 1984 in een memorandum het SON-bestuur wezen op het grote belang van onderzoek van het oppervlak van vaste stoffen, en de grote investeringen die hiervoor nodig waren om dit type onderzoek adequaat te kunnen gaan uitvoeren. Omdat ook fysische expertise een essentieel onderdeel hiervan is, stelde SON en FOM een Nationale Commissie Oppervlakteonderzoek in, bestaande uit twee door SON en twee door FOM aangedragen leden, plus twee leden uit de industrie (Shell en Philips)20.  Voorjaar 1987 nodigde ZWO de stichtingen FOM en SON uit gezamenlijk een voorstel uit te werken voor een prioriteitenprogramma Materialenonderzoek. Een gezamenlijke FOM/SON-commissie onder voorzitterschap van vastestoffysicus prof.dr. George A. Sawatzky werkte een voorstel uit dat eind 1987 aan ZWO werd aangeboden21.

In 1988 besloten SON en FOM na overleg met de TU Delft een landelijke faciliteit voor hoge resolutie elektronenmicroscopie (HREM) aan de TU Delft te plaatsen, van belang voor onderzoek aan oppervlakken en materialen. Contacten werden daarom ook gelegd met de door O&W en EZ ingestelde Adviesgroep Materialen (AGM)22.  Voor de periode 1990-1995 was één van de beleidshoofdlijnen van SON: ‘versterking van samenwerking met aangrenzende wetenschapsgebieden, met name in de richting van de fysica (FOM) en de levenswetenschappen. In 1995/1996 en 1996/1997 leidde dat tot twee rondes van een gezamenlijk programma van SON en SLW (Stichting Levenswetenschappen), waarbij de complementaire expertises van chemici en biologen/biofysici centraal stond24.

Toepassingsgericht onderzoek

De onthulling van een nieuw apparaat voor materiaalonderzoek bij de Universiteit Twente, midden jaren tachtig. Vlnr: prof.dr. Jan Schuyer, prof.dr.ir. Harry van den Kroonenberg (rector magnificus en geestelijk vader van de ‘ondernemende universiteit’), ir. M.J.F. van Waes, ir. Van der Sas, dr. Reinoud Gaymans (uitvinder van de polycondensatiemethode van Nylon-4.6 dat sinds 1990 door DSM op grote schaal wordt geproduceerd als Stanyl). Bron: KNCV Archief

Publiek-privaat onderzoek is zeker niet iets van de laatste jaren. Reeds in het interbellum hadden Nederlandse chemici een open oog voor toepassingsgericht chemisch onderzoek, en ook sinds de oprichting van SON is dit een terrein waar Nederland sterk in was, en is. Het deelnemen van researchlaboratoria aan bijeenkomsten van de werkgemeenschappen werd ook ‘op hoge prijs gesteld.’25 Maar formeel richtte SON zich net als ZWO op fundamenteel onderzoek, en konden geen ZWO-middelen worden aangevraagd voor toepassingsgericht onderzoek. In 1974 zag het SON-bestuur het echter ook als haar taak om, wanneer de middelen dit zouden toelaten, zich te richten op ‘fundamenteel gericht onderzoek’, dat wil zeggen: fundamenteel onderzoek geïnspireerd door niet/deels chemische vraagstellingen. Verwezen werd naar het energievraagstuk, alhoewel onduidelijk bleef hoe dit probleem in concrete en operationele researchvoorstellen kon worden vertaald.26 In 1975 werd echter duidelijk dat met betrekking tot alternatieve wegen voor de energievoorziening ‘ernstig rekening gehouden mocht worden met oormerking door ZWO van een bepaald bedrag’. Op instigatie van prof. dr. E.C. (Bill) Slater (tevens ZWO-bestuurslid) besloot een aantal werkgroepen van de werkgemeenschap Bio-energetica een onderzoek uit te voeren naar het mechanisme van de waterstof-stofwisseling in micro-organismen, met het idee dat biologische katalysatoren wellicht gebruikt konden gaan worden voor de omzetting op grote schaal van zonne-energie in waterstof. Het SON-bestuur liet beoordeling van dit onderzoek over aan de ZWO-commissie voor energie gelieerd Onderzoek en de door ZWO geraadpleegde Landelijke Stuurgroep Energie-onderzoek. In 1976 stelde ZWO extra middelen (f 183.000)27 beschikbaar voor dit voorstel.28 In 1976 diende de werkgemeenschap Katalyse een voorstel in op het terrein van de conversie van steenkool in vloeibare koolwaterstoffen, getrokken door de Eindhovense groepen van prof. George C.A. Schuit, dr. Jan van Hooff, en prof. H.S. van der Baan.29

In 1978 meenden SON en ZWO in een gezamenlijk overleg dat ‘fundamenteel chemisch onderzoek in ons land de basis vormt voor industriële activiteiten en innovatie’. Gezamenlijk werd geconcludeerd dat er gestreefd moest worden naar versterking van de relatie tussen fundamenteel onderzoek aan universiteiten en hogescholen, en de industrie. ZWO mocht krachtens haar wettelijke opdracht geen toegepast onderzoek financieel steunen. ZWO erkende dat SON hier een rol in zou kunnen spelen. Begin 1979 vond een eerste overleg plaats tussen SON, ZWO en de Directie Research en Ontwikkeling van het Ministerie van Economische Zaken.30  Voortbouwend hierop startte SON met voorbereiding van ‘activiteiten op het gebied van de toegepaste chemie’. ZWO financierde samen met EZ een project ‘Composietmaterialen op basis van amylopectine uit zetmeel’, waaraan naast prof.dr. Ger Challa (RUG) en prof.dr. Derk Heikens (TH Eindhoven) ook AKZO en AVEBE bijdroegen.31


Prof. dr. Thymen Jan de Boer, hoogleraar organische chemie aan de UvA, SON-voorzitter 1976-1983. Bron: SON archief

Het SON-bestuur meende dat ‘de hoofdtaak van het chemisch-wetenschappelijk onderzoek aan de Nederlandse universiteiten het zuiver wetenschappelijk onderzoek betreft, maar zij wees er op dat daar zeker ook plaats is voor het verrichten van meer maatschappelijk gericht, toegepast onderzoek.’32 Een statutaire wijziging in 1980 maakte toepassingsgericht onderzoek bij SON mogelijk (‘fundamentele’ als adjectief werd geschrapt)33 . In het voorjaar van 1980 riep het SON-bestuur het veld op tot het indienen van gezamenlijke voorstellen met het bedrijfsleven, op toegepast scheikundig terrein, waarbij expliciet aandacht geschonken diende te worden aan utilisatie aspecten en aan contacten met gebruikers. Er kwamen dertig voorstellen binnen.34 De kleine wetswijziging die in de maak was in 1980 om dit ook voor ZWO mogelijk te maken liet uiteindelijk op zich wachten totdat in 1988 toepassingsgericht onderzoek in de nieuwe NWO-wet werd opgenomen. In 1981 werd de buiten ZWO staande stichting STW opgericht. STW nam in 1981 de financiering van de dertig SON-voorstellen voor haar rekening35, wat het begin vormde van een gezamenlijk programma voor toepassingsgericht chemisch onderzoek, gefinancierd door STW en uitgevoerd door SON in nauwe samenwerking met STW.36 Het programma liep door tot medio 2005.37 Onderzoekers vonden hun weg ook naar andere financieringsinstrumenten, zoals Bsik, de TTI’s en ACTS (zie verder).

Reeds in 1982 concludeerde SON-voorzitter prof.dr. Th.J. (Thyman Jan) de Boer dat de samenwerking met STW goed van de grond is gekomen ‘dankzij begrip voor de onscherpe grens tussen toegepast en fundamenteel onderzoek en de eensgezinde opvatting dat de wetenschappelijke kwaliteit nooit mag worden opgeofferd aan de utiliteit.38 In 1985 kwam er in dit optimisme een kentering ten gevolge van het ongunstige economische klimaat van de jaren tachtig. Zo concludeerde SON: ‘Te veel nota’s en uitspraken van de overheid ademen de geest dat de middelen voor het fundamentele onderzoek wel verminderd kunnen worden ten gunste van meer middelen voor toegepast onderzoek.’ SON was het met deze ontwikkeling ‘beslist niet eens’39. Het SON jaarverslag over 1985 meldt: ‘Het onderzoeksklimaat bij de Rijksoverheid stond in 1985 in het licht van het stimuleren van toepassingsgericht onderzoek en ook de fundamentele programma’s van SON/ZWO moeten steeds meer in dit licht gerechtvaardigd worden.40 Sterker dan in eerdere jaren werd SON in 1985 geconfronteerd met ‘alom krimpende budgetten voor fundamenteel onderzoek’.41

Het stimuleren van toepassingsgericht onderzoek haperde in 1986: STW kon door gebrek aan geld enkele maanden geen projecten honoreren (beoordeling van toegepast chemische projecten gebeurde door SON). Inmiddels had de minister van EZ meer geld voor STW uitgetrokken.42  Het grootste deel van de stimulering van toepassingsgericht chemisch onderzoek verliep overigens voornamelijk buiten SON om via de Innovatiegerichte Onderzoeksprogramma’s (IOP-programma’s).43 In 1986 was er een IOP Biotechnologie dat al enige jaren functioneerde en waarin SON participeerde, er werd een IOP Membranen ingesteld, en een IOP Polymeercomposieten en bijzondere polymeren. Andere IOPs stonden op stapel.44

Niet direct toepassingsgericht, maar wel zowel wetenschappelijk als industrieel van belang, waren de programma’s die SON en FOM voorbereidden op het gebied van oppervlakken en materialen. ZWO stelde voor oppervlakken een ZWO prioriteitenprogramma in.45  Ondanks ongunstige omstandigheden werd het prioriteitenprogramma voor Biotechnologie voortgezet en een nieuw programma voor oppervlakte onderzoek opgezet.46 

Volgens een rapport over de kosten van de chemie was het aandeel van de tweede geldstroom in de totale kosten van de chemie in 1971 en 1973 5%.47  In 1988 financierde SON 15 tot 20 % van het chemisch onderzoek in Nederland.48  In de jaren tachtig nam het toepassingsgericht onderzoek aan de universiteiten enorm toe. In totaal financierde de derde geldstroom 30% van de promovendi. ‘Bij een teruglopende eerste geldstroom en een subsidie van NWO aan SON die al jaren onder druk staat, komt hiermee de verhouding fundamenteel versus toepassingsgericht onderzoek in de gevarenzone.’49  Aldus het SON jaarverslag 1991, dat vervolgde: ‘Versterking van fundamenteel/strategisch onderzoek juist ook op terreinen met veel toegepast onderzoek is geboden.50

In 1996 ging een gezamenlijk SON/Unilever programma van start, waar voor drie miljoen gulden negen projecten op het terrein van de computational biochemie van biosystemen werden gehonoreerd. SON en Unilever financierden ieder de helft van het programma.51

De Spinco Analytische Ultracentrifuge in het tweede Biochemisch Laboratorium in Groningen (1960-1970), met E. Glazenburg, omstreeks 1969. Bron: Homburg en Palm, De geschiedenis van de scheikunde in Nederland 3 (Delft 2004) 154.

Infrastructuur

De SON-steunverlening liep via de werkgemeenschappen, maar er werd eind jaren zestig ook begonnen met het verstrekken van financiële steun aan projecten die van algemeen belang geacht werden voor het scheikundig onderzoek in Nederland. In 1968-1969 werd een groot bedrag beschikbaar gesteld voor de aanschaffing van een computer om geautomatiseerde informatieverwerking mogelijk te maken bij de afdeling massaspectrometrie aan de Universiteit Utrecht. Doel: serviceverlening voor andere instituten in Nederland en de ontwikkeling van nieuwe massaspectrometrische methoden. Het project viel niet onder een werkgemeenschap, maar kende sinds 1972 een begeleidingscommissie die bestond uit dr. A.J.H. Boerboom van het FOM-instituut voor Atoom en Molecuulfysica, prof. dr. M.J. Jansen (RUG), dr. C.G. Vonk (Centraal Laboratorium DSM).52  SON probeerde stimulerend en coördinerend op te treden bij de financiering van apparatuur, maar claimde daar niet het alleenrecht op.

De Fourier Transform Ion Cyclotron Resonance Massaspectrometer die prof.dr. N.M.M. Nibbering aan de UvA in 1979/80 ontwikkelde was de eerste in Europa. Nibbering en zijn groep bouwden in de begin jaren tachtig in zijn laboratorium op het Roeterseiland een van de eerste ion cyclotronresonantie massaspectrometers, lang voordat deze commercieel beschikbaar kwamen. Bron: Homburg en Palm, De geschiedenis van de scheikunde in Nederland 3 (Delft 2004) 97.

Het bestuur van SON merkte op dat er landelijk nog weinig overleg werd gevoerd bij de uitbouw van de steeds belangrijker wordende grote infrastructuur.53  In 1975 werd door SON een NMR-coördinatiecommissie opgericht, die tot taak had de aanschaffing uit zowel de 1e en 2e geldstroom van landelijke NMR-apparatuur te coördineren.54  In 1977 herhaalde het SON-bestuur haar pleidooi voor gecoördineerd landelijk beleid, en hoopte het op samenwerking met het sinds een paar jaar functionerend Bestuursoverleg Subfaculteiten en Afdelingen Scheikunde (BOSS), waarvoor de toenmalig directeur van SON, Bernard van Geelen, werd uitgenodigd als SON-vertegenwoordiger.55  De apparatuurvoorziening ten behoeve van scheikundig onderzoek aan de universiteiten vervulde het SON-bestuur ‘met grote zorg’.56  In 1987 onderstreepte SON de noodzaak van een structurele toename van de apparatuurbudgetten van de eerste en tweede geldstroom. Gebeurde dat niet, dan ‘zal de kwaliteit van het chemisch onderzoek in het wetenschappelijk onderwijs niet gehandhaafd kunnen worden.57

In Nijmegen kon door SON-financiering de eerste 600 MHz NMR spectrometer ter wereld worden geïnstalleerd.58 Niettemin sprak SON nog steeds van een ‘nijpende apparatuursituatie bij het chemisch WO’. In april 1986 bracht SON samen met de Academische Commissie Chemie (de ACC werd in 1975 door de KNAW ingesteld als breed raadgevend lichaam voor de chemie in Nederland) een gedetailleerd rapport uit over de situatie.59  Een tekort van 70 miljoen gulden werd gedocumenteerd, waarvan 50 miljoen zou moeten worden bijgedragen door de overheid. In 1988 trok O&W 58 miljoen extra uit voor 1989/1994, waarvan 14 miljoen voor de chemie bestemd was. Een beperkte inhaaloperatie, aldus SON.60 In 1988 tekende de Universiteit Utrecht en SON de overeenkomst tot de oprichting van het Bijvoetcentrum, waarbinnen röntgen kristallografisch onderzoek en een faciliteit voor in-vivo NMR spectroscopie werd ondergebracht.61  Het instituut werd gevormd door de werkgroepen van prof.dr. R. Kaptein, prof.dr. J. Kroon, prof.dr. B. de Kruijff en prof.dr. J.F.G. Vliegenthart. Dit werd mogelijk gemaakt doordat O&W vanaf 1985 via ZWO extra investeringssubsidies uit het Intentioneel Apparatuur Schema (IAS) voor para-universitaire instituten ter beschikking stelde. SON participeerde hierin met BIOSON (vanaf 1987) en het Bijvoetcentrum (vanaf 1989)62. Samen met STW en de KU Nijmegen zette SON in 1985 een CAOS/CAMM-centrum op voor computer-aided chemie. In 1988 maakte inmiddels elf Nederlandse en twee Belgische groepen (in totaal 67 groepen), alsmede enkele industriële instituten, hier gebruik van.63

SON ontwikkelt zich verder tot NWO CW

In 1996 verscheen een evaluatie van NWO door een gezaghebbende internationale commissie.64  Eén van de aanbevelingen van de commissie was de vereenvoudiging van de organisatie van NWO door het opheffen van de stichtingen als aparte bestuurslaag waarbij NWO tot een algemeen bestuur en gebiedsbesturen werd teruggebracht.65  NWO besloot het gebied Exacte Wetenschappen op te delen, waarbij ook een gebied Chemische Wetenschappen tot stand kwam. In juni 1998 nam dit nieuwe NWO-gebied Chemische Wetenschappen de taken van de stichting SON over, waarna SON werd opgeheven.66 SON had al behoorlijke ervaring met speciale programma’s. Een deel daarvan vond navolging en ging over in de in 2000 bij NWO breed gestarte Vernieuwingsimpuls. De door SON gestarte publiek-private samenwerking en internationale programma’s werden binnen NWO verder uitgebouwd. Zo is de chemie binnen NWO grondlegger en aanjager geweest van verschillende samenwerkingsvormen die nu niet meer zijn weg te denken. De SON-werkgemeenschappen gingen over in de CW-studiegroepen.67  Midden jaren negentig was de werkwijze van SON reeds nog meer opgeschoven richting NWO en hadden de werkgemeenschappen geen centrale rol meer in de beoordeling van onderzoeksvoorstellen uit haar gelederen.68

Deze aanpassing van de NWO-organisatie gaat hand in hand met de ontwikkeling van een open competitie en de inrichting van een stimuleringsschema voor jonge onderzoekers. Infrastructuur vond zijn vorm in de NWO-groot en middelgroot programma’s. Internationaal roept CERC3, waaronder ook NWO-CW, op tot transnationale onderzoeksvoorstellen. Voor dit ‘experiment’ werd gekozen voor de twee chemische deelgebieden katalyse en chirale synthese. Samenwerking met Rusland op het terrein van de materiaalonderzoek was via NWO op gang gekomen. In het kader van samenwerking tussen de Chinese NSFC en NWO werd een gezamenlijk workshop in Shanghai georganiseerd, waaraan Nederlandse en Chinese groepen meededen. Biomoleculaire informatica werd als één van de nieuwe prioriteitsterreinen van NWO genomen. CW, ALW en MW formuleerde daartoe een gezamenlijk programmavoorstel.69 Het publiek-private programma Advanced Catalytic Technologies for Sustainability (ACTS) werd in 2002 opgericht om de onderzoeksdoelen van de Technology Roadmap Catalysis, Key to Sustainability (2001) vorm te geven. De ACTS onderzoeksprogramma's richtten zich op vijf deelaspecten: ASPECT: geavanceerde duurzame processen voor katalyse technologie, B-Basic: biobased duurzame industriële chemie, IBOS: integratie van biosynthese en organische synthese, PoaC: proces op een chip en Duurzaam Waterstof. Deze langjarige publiek-private samenwerkingsprogramma’s worden gezamenlijk gefinancierd door ministeries, NWO, kennisinstellingen en het bedrijfsleven en bestonden uit samenhangende clusters van projecten, uitgevoerd door universiteiten en onderzoeksinstituten in nauwe samenwerking met industriële partners.70  De opzet van een groot programma samen met overheid en industrie was uniek en een voorbeeld voor andere disciplines. Het bleek dat er naast de grootschalige publiek-private samenwerkingsprogramma’s, behoefte bestond aan kleine, slagvaardige programma’s die voor één of enkele bedrijven relevant zijn. Bij een tussentijdse evaluatie in 2007 stemden de industriële ACTS-partners in met een voortzetting van het onderzoek op het gebied van duurzame chemie in publiek-private partnerschappen, maar in kleinere consortia. TASC richtte zich op technologische gebieden (TA's) in kleinere programma's (3 tot 7 miljoen euro) zoals: Verlaagd energiegebruik bulkproductie van chemicaliën, Eco-efficiënt gebruik van biomassa voor bulk- en fijne chemicaliën, Syngas en een stap naar een flexibele nieuwe grondstof en Analytische Wetenschap en Technologie (COAST).71 Kleinschalige projecten vormden zo een kweekvijver voor ‘mogelijke grootschaliger programma’s in de toekomst.72

Sinds de komst van de topsectoren73 is het succesvolle samenwerkingsprogramma TASC in een andere vorm voortgezet. NWO draagt 275 miljoen euro per jaar bij aan de topsectoren waarvan ruim 100 miljoen euro in het kader van publiek-private samenwerking, waarbij wetenschappers en bedrijven samen onderzoeksprojecten opzetten en financieren. Sinds 2013 kent Nederland diverse TKI’s, die publiek-private samenwerkingsprojecten stimuleren. Sinds oktober 2012 levert NWO CW met het Innovatiefonds Chemie (2016, daarvoor: Fonds Nieuwe Chemische Innovaties) haar bijdrage aan de stimulering van publiek-private samenwerking via een uniek instrumentarium dat de bottom-up vorming van publiek-private samenwerking stimuleert via verschillende werkvormen, van kleine omvang (KIEM, LIFT)  tot grotere samenwerkingsverbanden (TA en CHIPP).

Dit is het tweede artikel in een vierdelige reeks over 60 jaar chemie bij NWO. Lees ook deel I uit deze reeks.

Bronvermelding

Meer informatie:
Marijn Hollestelle
t. +31 (0)70 344 0968
e. m.hollestelle@nwo.nl

Bron: NWO