Turkse en Marokkaanse Nederlanders hebben veel kleiner ‘kernnetwerk’

30 oktober 2015

Een op vijf autochtone Nederlanders vindt een baan via vrienden, familie en kennissen. Onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders is dat een op drie. En Turkse en Marokkaanse jongeren op ‘etnische concentratiescholen’ hebben nauwelijks kans om vrienden te worden met autochtone Nederlandse jongeren. Hoe werken die sociale netwerken in Nederland eigenlijk binnen de bevolkingsgroepen? Binnen het Vidi-project ‘Immigrants, Natives and the Occupational Career: Do Social Contacts Matter?’ deed socioloog Frank van Tubergen er aan de Universiteit Utrecht onderzoek naar.

Vier meisjes springen van een baal hooi afAutochtone pubers: soort zoekt soort. Foto: HH/Sabine Joosten

Hoe meet je het sociaal netwerk van een persoon? Informeren naar opleiding en werkervaring – het ‘human capital’ – is makkelijk, maar hoe belangrijk zijn persoonlijke connecties op de arbeidsmarkt, iemands ‘sociaal kapitaal’? Op basis van gegevens uit een grootschalige survey vond Van Tubergen dat autochtone Nederlanders veel minder vaak dan Turkse en Marokkaanse Nederlanders via vrienden, familie en kennissen aan een baan komt. Dat komt deels door een lager opleidingsniveau en gebrekkige beheersing van het Nederlands. Hoe lager de opleiding, hoe vaker men informeel op zoek gaat. Hoe meer taalproblemen, hoe vaker men een beroep doet op vrienden en familie.

Met gegevens van de Netherlands Longitudinal Lifecourse Study (NELLS) onderzocht Van Tubergen ook de ‘kernnetwerken’ van Nederlanders. Hij gebruikte daarvoor de vraag: ‘Met hoeveel mensen heeft u belangrijke persoonlijke zaken besproken in de afgelopen 6 maanden?’. ‘Van de autochtone Nederlanders noemt minder dan een kwart niet meer dan één persoon,’ aldus Van Tubergen. ‘Onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders ligt dat percentage op ongeveer 40 procent: zij hebben een kleiner kernnetwerk. Bovendien, zo blijkt, zijn deze ‘sterke’ sociale connecties onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders vaker laag opgeleid én werkloos. Beide etnische groepen beschikken dus over minder sociaal kapitaal in het hechte kernnetwerk. Toch zoeken ze vaker informeel naar banen.’

Hechte connecties

Sociale netwerken blijken extreem homogeen zo blijkt uit het onderzoek. Een belangrijke sociale scheidslijn in Nederland is etniciteit. Van de connecties in het kernnetwerk van autochtone Nederlanders is 95 procent eveneens een autochtone Nederlander. Onder Turkse en Marokkaanse Nederlanders, numeriek in de minderheid, behoort zo’n 77 procent van de hechte connecties tot de eigen etnische groep.

Hoe zit dat met jongeren? Analyses van de door Van Tubergen gecoördineerde Youth in Europe Survey (YES) laten zien dat vriendschapsnetwerken van jongeren op school en daarbuiten eveneens sterk zijn gesegregeerd naar etniciteit. Netwerken van jongeren zijn veelal gescheiden naar sekse: jongens zijn bevriend met jongens, en meisjes met meisjes.

Vriendengroepen worden mede bepaald door gedeelde leefstijlen. Jongeren die dezelfde opvattingen en gedragingen hebben trekken naar elkaar toe. Zulke patronen van netwerksegregatie komen terug in alle vier landen die meedoen aan het YES-onderzoek: Nederland, Duitsland, Zweden en Engeland. Met name homophily speelt hier een rol bij: de voorkeur voor het aangaan van vriendschappen met mensen die lijken op de ‘actor’. ‘Soort zoekt soort’ blijkt een krachtiger mechanisme dan ‘tegenpolen trekken elkaar aan’. Maar ook ongelijke ontmoetingskansen bepalen voor een groot deel de homogeniteit van sociale netwerken. Op ‘etnische concentratiescholen’ hebben Turkse en Marokkaanse Nederlanders simpelweg bijna geen kans om vrienden te worden met autochtone Nederlandse jongeren.

Van Tubergen verwacht dat de onderzoeksresultaten tot beter begrip leiden van de maatschappelijke problematiek rond integratie van minderheden. Hij heeft scholen een lekenversie van het proefschrift van Sanne Smith over interetnische vriendschappen gezonden. De resultaten van het YES-onderzoek zullen komend jaar voor een groter publiek gepresenteerd worden.

In het YES-project worden sinds 2010 ieder jaar duizenden jongeren vanaf hun 14e jaar gevolgd en telkens opnieuw ondervraagd. Met deze dataverzameling, mede mogelijk door financiering van NWO, zal Van Tubergen in vervolgstudies onderzoeken welke gevolgen sociale netwerken hebben voor de onderwijsloopbanen van jongeren en de transitie naar de arbeidsmarkt.

Meer informatie

F. (Frank) van Tubergen voerde vanaf zijn project ‘Immigrants, Natives and the Occupational Career: Do Social Contacts Matter?’ uit aan de Universiteit Utrecht met Vidi-financiering uit de Vernieuwingsimpuls van NWO-MaGW. Aio Sanne Smith promoveerde eerder dit jaar; aio Sara Geven zal later promoveren.

Voor de dataverzamelingen kreeg Van Tubergen financiering uit de programma’s Investeringen NWO-middelgroot en Veranderingsstudies.


Bron: NWO