Meer begrip over ADHD-symptomen en onderliggende oorzaken door onderzoek bij alle kinderen

31 augustus 2015

Waarom zou je onderzoek naar aandachts- en hyperactiviteitsproblemen bij kinderen beperken tot de groep die de diagnose ADHD heeft gekregen, zoals tot nu toe gebruikelijk? Dergelijke problemen komen immers in de gehele bevolking voor, dus ook bij kinderen die geen ADHD hebben. Sabine Mous onderzocht daarom voor haar promotieonderzoek 1.000 doorsnee kinderen. Daardoor is een compleet beeld ontstaan van de onderliggende neurobiologie van deze gedragsproblematiek. Er is nu een inventarisatie van de gehele bandbreedte: van ‘gezond’ (geen enkele klacht) tot ernstige ADHD-verschijnselen. Sabine Mous promoveert 1 september aan het Erasmus MC.

Kind van Generation R oefent met de nep-scanner

De laatste jaren is er meer aandacht gekomen voor de variatie in ernst van psychiatrische aandoeningen, zoals aandachts- en hyperactiviteitsproblemen. Zij zijn eigenlijk op een doorlopende schaal te beschrijven, variërend van geen tot zeer ernstige problemen. Kinderen die momenteel een ADHD-diagnose krijgen zitten binnen deze zogenoemde ‘dimensionele aanpak’ aan het uiterste eind van deze schaal. Ondanks dit inzicht wordt het grootste deel van het onderzoek nog steeds uitsluitend bij kinderen met een diagnose ADHD uitgevoerd. Daar is met het onderzoek van Sabine Mous nu verandering in gekomen.

Mous: ‘Door een algemene bevolkingsgroep van kinderen te bestuderen, kun je onderzoeken of de onderliggende neurobiologie van ADHD zich, net zoals de symptomen, ook voordoet op een doorlopende schaal. Resultaten en conclusies uit eerdere klinische studies bij kinderen met een diagnose ADHD kun je dan doortrekken naar de algemene bevolking.’

Genetische informatie 

Mous gebruikte voor haar onderzoek de Generation R studie, een grootschalig onderzoek naar de groei, ontwikkeling en gezondheid van 10.000 opgroeiende kinderen in Rotterdam, binnen het Erasmus MC-Sophia Kinderziekenhuis. Van ruim 1.000 kinderen in de basisschoolleeftijd maakte Sabine samen met haar collega’s MRI-scans van de hersenen en verzamelde zij gegevens over aandachts- en hyperactiviteitsproblemen en cognitief functioneren. Ook was er genetische informatie beschikbaar. ‘Het is best een uitdaging om zulke jonge kinderen stil te laten liggen in een MRI-scanner,’ aldus Mous, ‘zeker als het kind ook nog eens hyperactiviteitsproblemen heeft. Maar door van tevoren uitgebreid te oefenen in een nep-scanner is het ons toch gelukt. Daardoor wisten de kinderen precies wat ze konden verwachten en vonden ze het ook minder spannend.’

Mous: ´Kinderen met problemen rond aandacht en hyperactiviteit toonden weinig cognitieve achterstand op het gebied van taal, geheugen, sensomotoriek en zo meer, maar wel met de meer ingewikkelde, regelende functies in de hersenen. Denk hierbij aan plannen en organiseren, het in toom houden van gedrag en het vasthouden, bewerken en opslaan van gegevens in het werkgeheugen.’

Het onderzoek toonde geen relatie tussen de ernst van aandachts- en hyperactiviteitsproblemen en groepen van genen waarvan men vermoedt dat deze bij ADHD betrokken zijn. Een dunnere hersenschors (de buitenste dunne laag van de hersenen) en minder gyrificatie (het patroon van groeven en windingen dat de hersenschors kenmerkt) in grote delen van de hersenen zijn wél gerelateerd aan ADHD, zo bleek.

Mous: ‘Vergelijkbare resultaten zijn gevonden in klinische ADHD-onderzoeken. Ons onderzoek ondersteunt hiermee dus de aanname van een doorlopende schaal van aandachts- en hyperactiviteitsproblemen en de onderliggende neurobiologie ervan.’

Meer informatie

Sabine E. Mous (1985) verrichtte haar promotieonderzoek ‘Towards an integrative theory of the genetically mediated neural substrates of ADHD’ vanaf 2011 aan Erasmus MC met financiering uit het programma Hersenen en cognitie (excellent onderzoek).


Bron: NWO

Kenmerken

Wetenschapsterrein

Maatschappij- en Gedragswetenschappen Hersenen, Cognitie, Gedrag

Programma

Hersenen en cognitie

Speerpunt

Samenwerken in thema's (2011-2014) Thema: Hersenen en cognitie (2007-2010)