Prentenboeken voorlezen draagt bij aan reken-wiskundige ontwikkeling van kleuters

18 november 2014

Prentenboeken kunnen heel goed een bijdragen leveren aan de reken-wiskundige ontwikkeling van kleuters. Uit het buitenland kwamen daarvoor al langer aanwijzingen. Nu blijkt dit ook in Nederland zo te zijn, zo vond prof. dr. Marja van den Heuvel-Panhuizen (Universiteit Utrecht). Kleuters die een voorleesprogramma met gewone prentenboeken volgden, boekten maar liefst 22% méér vooruitgang dan de andere kleuters.

Prof. Van den Heuvel-Panhuizen beschrijft dit onderzoek samen met haar mede-onderzoekers Iliada Elia (University of Cyprus) en Alexander Robitzsch (Bundesinstitut BIFIE, Oostenrijk) in een open access-artikel in Educational Psychology dat onlangs online is verschenen.

Het voorleesprogramma hield in dat drie maanden lang, twee keer per week, de kleuters werden voorgelezen uit 24 verschillende prentenboeken. Dit waren ‘gewone’, literair hoogstaande, prentenboeken die in iedere boekwinkel en bibliotheek te vinden zijn. Het voorleesprogramma werd in negen klassen uitgevoerd. In negen andere klassen, de controleklassen, werd het gewone programma gevolgd voor rekenen-wiskunde.

Tweeledig effect

De kleuters die het voorleesprogramma kregen aangeboden, boekten 22% méér vooruitgang dan de kleuters uit de controleklassen, zo bleek met behulp van een speciaal ontwikkelde toets. Daarbij werd bovendien een verschil tussen jongens en meisjes gevonden. Bij de meisjes had het voorleesprogramma een significant effect op de score op de toets, bij de jongens niet. Het effect was bij de meisjes maar liefst drie maal groter dan bij de jongens.

Laat het prentenboek het werk doen

In ‘gewone’ prentenboeken zit vaak wel iets dat de reken-wiskundige begripsontwikkeling van kinderen kan ondersteunen. Bijvoorbeeld in het verhaal over de wachtkamer waar iemand vijfde is, maar dat natuurlijk niet blijft. Of in het verhaal over het schaap dat in een grafiek bijhoudt hoe dik zijn vacht is.

In het onderzoek moesten de leerkrachten niet steeds uitleg vragen aan de kinderen om daarmee te toetsen of ze wel alles begrepen hadden. Het motto was juist ‘Laat het boek het werk doen’. De leerkrachten moesten wel een vragende en onderzoekende houding aannemen, zodat de kinderen dit gingen overnemen en actief bij het verhaal betrokken raakten.

Dit onderzoek is onderdeel van het project ‘PIcture book and COncept development MAthematics'(PICO-ma) van Marja van den Heuvel-Panhuizen, gefinancierd door het NRO. Van den Heuvel-Panhuizen is verbonden aan het Freudenthal Instituut, Faculteit Bètawetenschappen & Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht.

Verder met prentenboeken

Bron: NWO