Leespotentieel meertalige vmbo-leerlingen belemmerd door beperktere woordenschat

14 juli 2014

Het sombere beeld dat leerlingen in het vmbo niet leren lezen en schrijven verdient bijstelling. Vooral vorderingen van meertalige leerlingen zijn beter dan gedacht. Mogelijk wordt de realisatie van hun potentieel belemmerd door hun beperkte woordenschat. Dit blijkt uit NRO-onderzoek uitgevoerd aan de Universiteit van Amsterdam door Roel van Steensel (heden Erasmus Universiteit Rotterdam).

Klaslokaal Credits: Rob StevensCredits: Rob Stevens

Het lees- en schrijfgedrag van leerlingen in het vmbo is een bron van zorg. Van Steensel onderzocht hoe de lees- en schrijfvaardigheden van een zorgvuldig samengestelde steekproef van leerlingen in de basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerwegen van het vmbo zich in de loop van de tijd ontwikkelden. Ook keek hij welke variabelen vaardigheidsverschillen tussen leerlingen kunnen verklaren. Hij volgde daartoe veertig leerlingen van klas 1 tot en met 3. In tegenstelling tot het algemene 'bezorgde' beeld bleek dat deze leerlingen substantieel vooruitgingen in hun lees- en schrijfvaardigheid. Vooral meertalige leerlingen lieten een opmerkelijke groei zien. De verschillen tussen hen en hun eentalige leeftijdsgenoten waren aan het einde van het derde jaar verdwenen.  

Meertalige leerlingen hebben verborgen potentieel

In een veel grotere aparte steekproef van vmbo’ers vond Van Steensel bovendien dat meertaligheid een positieve samenhang vertoonde met leesvaardigheid als rekening werd gehouden met de verschillen in woordenschat tussen meertalige en eentalige kinderen. Van Steensel: 'Dat betekent dat de meertalige leerlingen de betere lezers zouden zijn als we hun woordenschat tot hetzelfde niveau zouden kunnen brengen als dat van de eentalige leerlingen. Mogelijk hebben meertalige vmbo-leerlingen meer leespotentieel dan eentalige leerlingen, maar wordt de realisatie van dat potentieel belemmerd door hun beperktere woordenschat.'  

Woordenschat en metacognitieve kennis belangrijk

Wat betreft de variabelen die verschillen in leesvaardigheid tussen leerlingen kunnen verklaren, stelde Van Steensel vast dat woordenschat en metacognitieve kennis (kennis over teksten en over hoe je je lees- en schrijfproces kunt aansturen) belangrijke componenten zijn. Technisch lezen is in het begin van de vmbo-schoolloopbaan een belangrijke factor, maar later niet meer.  

Motivatie is een factor

Ook ging Van Steensel de rol van leesmotivatie na. Hij vond dat motivatie contextafhankelijk is. 'Belangrijk is dat je schools lezen en buitenschools lezen van elkaar onderscheidt. Iemand die het ene leuk vindt, vindt niet automatisch het andere ook leuk. Ook ontdekten we dat positieve motivaties en negatieve motivaties niet per se keerzijden van dezelfde medaille zijn: als een leerling lezen niet bovenaan zijn of haar lijstje van leuke dingen heeft staan, is het niet per se zo dat deze leerling dus een hekel heeft aan lezen. Wel lijkt het erop dat negatieve motivaties voor vmbo-leerlingen een relevante factor zijn in hun leesvaardigheid.’  

Gebruik leesprofielen achterhaald?

Van Steensel ontwikkelde een lees- en schrijfvaardigheidstoets. De eerste tests hiermee wijzen uit dat de deelvaardigheden van begrijpend lezen waarmee andere toetsen werken in de praktijk moeilijk te onderscheiden zijn. Leerlingen die goed zijn in vragen over detailinformatie zijn in het algemeen ook goed in vragen over de hoofdgedachte van een tekst. Dat maakt het gebruik van leesprofielen gebaseerd op toetsresultaten twijfelachtig, aldus Van Steensel.

Meer informatie: Roel van Steensel, vansteensel@fsw.eur.nl


Bron: Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO)

Kenmerken

Wetenschapsterrein

Maatschappij- en Gedragswetenschappen Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

Programma

Speerpunt

Samenwerken in thema's (2011-2014)