Industrialisatie in 19e-eeuws Nederland: kinderarbeid verdween niet, maar veranderde wél

25 augustus 2014

Kinderarbeid verdween niet door de modernisering van de Nederlandse industrie, maar veranderde wel. Dat stelt de historicus Cor Smit in zijn proefschrift ‘De Leidse fabriekskinderen. Kinderarbeid, industrialisatie en samenleving in een Hollandse stad, 1800-1914.’ Smit promoveert op 27 augustus 2014 aan de Universiteit Utrecht.

Kinderen werkend aan een ringspinmachineKinderen werkend aan een ringspinmachine. Credits: ELO (Erfgoed Leiden en omstreken)

De Leidse fabriekskinderen

In de negentiende eeuw nam kinderarbeid sterk toe in heel Nederland, met name in de sectoren die door de industrialisatie een groeispurt hadden gekregen. In zijn proefschrift focust historicus Cor Smit op de kinderen die werkten in de textielfabrieken van Leiden, om alle factoren die een rol speelden bij de toename van kinderarbeid in kaart te brengen.

Smit onderzocht onder andere de economische context, de wetgeving en het publieke discours omtrent kinderarbeid. Hij stelt dat de levensstandaard rond 1900 weliswaar een stuk beter was geworden, maar dat veel gezinnen desondanks niet rondkwamen zonder de extra inkomsten van hun werkende kroost. Bovendien was er veel vraag naar goedkope, ongeschoolde krachten. Omdat het volgen van een opleiding niet per se betere toekomstperspectieven bood, stuurden ouders hun kinderen naar de fabriek.

 

Hoeksteen van de samenleving

Toch veranderde kinderarbeid. Zo werkten er minder kinderen jonger dan 12 jaar in de fabrieken sinds de invoering van het ‘Kinderwetje van Van Houten’ in 1874. Deze wet, die kinderen tot twaalf jaar verbood om in fabrieken te werken, had overigens meer impact dan de invoering van de Leerplicht, stelt Smit in zijn proefschrift.

De overheid zond met deze wetgeving een duidelijk signaal uit, dat aansloot op de sociale onrust die was ontstaan over de arbeidersgezinnen. Gezinnen uit de arbeidersklasse moesten gaan voldoen aan het ideaalbeeld van de werkende vader met een zorgzame echtgenote, die hun kinderen naar school stuurden om ze normen en waarden bij te brengen.

 

Arbeidswetgeving doet ertoe

Toch hoorde werken er tot de Eerste Wereldoorlog gewoon bij voor veel kinderen, ook voor schoolkinderen. Maar dankzij de nieuwe wetten werkten kinderen meestal pas na hun twaalfde en gingen ze vaker naar school. Arbeids- en andere sociale wetgeving doet er dus toe, stelt Smit in zijn proefschrift.

Hij vindt dan ook dat de huidige afbouw van deze wetgevingen ook in het Nederland van nu nog gevaren met zich mee kan brengen. “Ouders moeten beseffen dat arbeid niet altijd een deugd is en zullen grenzen moeten stellen zodat onderwijs, ontspanning en ontwikkeling niet geschaad worden,” aldus de historicus.

 

 

Kinderen werkend aan een ringspinmachineRingspinmachine. Credits: ELO (Erfgoed Leiden en omstreken)

Ook bij de bestrijding van kinderarbeid in Azië, Afrika en Latijns-Amerika kan arbeidswetgeving een belangrijke rol spelen. Smit adviseert echter dat er dan ook voor betere levensomstandigheden gezorgd moet worden, zodat sociale tegenstellingen kleiner worden. Verder stelt hij dat er een onderwijssysteem moet worden opgebouwd dat perspectief biedt op een beter leven. Alleen dan kan kinderarbeid veranderen – of zelfs verdwijnen.

 

Cor Smit promoveerde op eigen initiatief en op eigen kosten, maar kon zijn onderzoek afronden dankzij een vervangingssubsidie van NWO. Smit studeerde sociale en economische geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Vervolgens werkte hij onder meer in het buurtwerk, de volwasseneneducatie, de automatisering en als bestuurs- en beleidsadviseur bij de gemeente Leiden. Tegelijkertijd publiceerde hij regelmatig over lokale geschiedenis. Sinds 2002 werkt hij als freelance historicus.

 

 


Bron: Universiteit Utrecht

Kenmerken

Wetenschapsterrein

Geesteswetenschappen

Speerpunt

Investeren in talent en vrij onderzoek (2011-2014)