Slimme leerlingen krijgen extra stof, maar geen extra aandacht

20 maart 2013

Basisscholen onderschrijven het overheidsbeleid om behalve de zwakkere leerlingen ook slimme scholieren extra te stimuleren. Maar het kost hun moeite de excellente kinderen goed te begeleiden blijkt uit NWO-onderzoek van Simone Doolaard van de Rijksuniversiteit Groningen.

Onderwijskundige dr. Simone Doolaard onderzocht welke activiteiten basisscholen ondernemen om excellentie bij leerlingen te bevorderen. Deze week verscheen het onderzoeksrapport over haar casestudie onder negen scholen. Ze concludeert daarin dat leerkrachten hun slimme leerlingen weliswaar extra lesstof aanbieden, maar er niet aan toe komen om dit materiaal ook goed voor te bereiden, na te kijken en te bespreken met de kinderen. 

Tovermiddel

‘Het simpelweg aanbieden van meer en andere lesstof is niet voldoende’, zegt Doolaard, programmacoördinator van de academische opleiding leraar basisonderwijs aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Het is namelijk niet zo dat slimme leerlingen zelf wel raad  weten met het aanvullende werk. Voor hen is het extra materiaal net zo moeilijk als de reguliere lesstof voor de gemiddelde leerlingen.’ Leerkrachten moeten dus tijd reserveren om hen te begeleiden. Doolaard: ‘Extra materiaal, hoe goed het ook is, is geen zelfwerkend tovermiddel.’


Ook blijken de excellente leerlingen vaak onvoldoende tijd te krijgen voor het werken aan extra opdrachten. Op de meeste scholen gaan slimme kinderen meerdere korte momenten per dag aan de slag met de extra stof, steeds nadat ze hun reguliere werk af hebben. Maar het is beter als een leerkracht ervoor zorgt dat deze groep kinderen gedurende een langere tijd onafgebroken kan werken aan de stof buiten het reguliere programma, stelt Doolaard. ‘Dat vraagt van de leerkrachten dat zij hun lesprogramma goed kunnen organiseren, plannen en kunnen afstemmen op de diverse groepen leerlingen in de klas.’

Zwak

Lange tijd waren het verhogen van de prestaties van zwakkere leerlingen en het verhogen van het gemiddelde prestatieniveau van leerlingen de belangrijkste ambities van de overheid. De laatste jaren is er in het overheidsbeleid ook aandacht voor de excellente leerling. Uit internationaal onderzoek bleek namelijk dat in Nederland met name de betere leerlingen achterblijven. Dit werd eind vorig jaar opnieuw bevestigd door een internationaal vergelijkend onderzoek naar de prestaties van 10- en 11-jarigen op het gebied van lezen, rekenen en natuuronderwijs. Ongeveer 5% van de Nederlandse leerlingen komt op het hoogste niveau in deze vakgebieden, terwijl bijvoorbeeld in Engeland 18% van de kinderen het hoogste lees- en rekenniveau haalt. 

Streef

De casestudie van Doolaard is onderdeel van het onderzoeksproject Streef. Dit project moet antwoord geven op de vraag in hoeverre scholen het overheidsbeleid om excellentie te bevorderen uitvoeren en of de genomen maatregelen de gewenste uitwerking hebben. Aan Streef doen 120 scholen mee. In de casestudie van Doolaard kregen negen scholen in het schooljaar 2011-2012 vijf keer een bezoek van onderzoekers. Zij observeerden en begeleidden de leerkrachten bij het vormgeven en uitvoeren van onderwijs aan excellente leerlingen. Ook vulden de leerkrachten vragenlijsten in over het onderwijs aan de extra slimme kinderen in de klas. 
Streef is een onderzoeksproject van het Beleidsgericht Onderzoek Primair Onderwijs (BOPO), onderdeel van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Binnen het NWO-programma Excellentie van de Programmaraad voor het Onderwijsonderzoek (PROO) wordt ook onderzoek gedaan naar onderwijs aan slimmere leerlingen in het voortgezet en hoger onderwijs. 


Bron: NWO

Kenmerken

Wetenschapsterrein

Maatschappij- en Gedragswetenschappen Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

Programma

Beleidsgericht onderzoek primair onderwijs Programmaraad voor het onderwijsonderzoek (PROO)

Speerpunt

Samenwerken in thema's (2011-2014)

Contact

Neem voor meer informatie contact op met de afdeling Communicatie, via +31 (0)70 344 07 29 of mail naar: