Minder goede werkhouding jongens en achterstandsleerlingen begint al in basisonderwijs

5 september 2013

Uit eerder onderzoek was al bekend dat de motivatie van leerlingen in het voortgezet onderwijs afneemt. NWO-onderzoek van Lisette Hornstra toont echter aan dat deze ontwikkeling voor jongens en achterstandsleerlingen al in de bovenbouw van het basisonderwijs begint. Hornstra promoveerde in juni aan de Universiteit van Amsterdam en won op de EARLI-conferentie in München in augustus de ‘student research excellence award’ in de subdivisie Motivation and Emotion met een paper over haar onderzoek.

 

Hornstra onderzocht hoe de motivatie voor leren en school van basisschoolleerlingen zich ontwikkelt. De afname van motivatie bleek in het basisonderwijs niet zo sterk als in het voortgezet onderwijs, maar bij sommige groepen leerlingen ontwikkelde de motivatie zich minder gunstig. Waren in groep vijf de meeste leerlingen vergelijkbaar wat betreft hun werkhouding, aan het einde van de basisschool bleken verschillen te ontstaan of werden bestaande verschillen groter. Jongens, leerlingen met een lage sociaaleconomische status en leerlingen van niet-westerse allochtone afkomst hadden een ongunstigere werkhouding.

 

Hornstra: ‘Dit is een zorgwekkende ontwikkeling, omdat de werkhouding samenhangt met prestaties. De laatste jaren van het basisonderwijs zijn juist erg belangrijk voor de verdere schoolloopbaan van deze leerlingen omdat dan de keuze voor het voortgezet onderwijs gemaakt wordt. Dit geeft aan dat we voor deze groepen al in de basisschoolperiode moeten proberen te voorkomen dat hun motivatie afneemt.’

 

Manier van lesgeven

Hornstra ging ook na in hoeverre de onderwijsaanpak bijdroeg aan ontwikkelingen in motivatie van verschillende groepen leerlingen. Leerkrachten bleken achterstandsleerlingen vaker op traditionele wijze les te geven en veel achterstandsleerlingen gaven ook de voorkeur aan traditioneel onderwijs. De motivatie en prestaties van achterstandsleerlingen bleken zich in de laatste jaren van het basisonderwijs ook enigszins gunstiger te ontwikkelen wanneer zij op meer traditionele wijze onderwijs kregen. Bij andere leerlingen daarentegen bleek innovatief leren vaak gunstiger. Hornstra: ‘Deze uitkomsten wijzen erop dat scholen met veel achterstandsleerlingen het lastiger vinden innovatief onderwijs succesvol te implementeren. Kenmerken van de schoolpopulatie blijken belangrijk te zijn voor het type onderwijs dat effectief is op een school’.

 

Achtergrondinformatie

Het onderzoek ‘Motivational Developments in Primary School: Group-Specific Differences in Various Learning Contexts’ is uitgevoerd aan de Universiteit van Amsterdam en gefinancierd door de Programmaraad voor het Onderwijsonderzoek, een onderdeel van NWO. De PROO maakt deel uit van het nieuwe Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO).

 

Meer informatie: t.e.hornstra@uva.nl

 

Bron: NWO

Kenmerken

Wetenschapsterrein

Maatschappij- en Gedragswetenschappen Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek

Programma

Programmaraad voor het onderwijsonderzoek (PROO)

Speerpunt

Samenwerken in thema's (2011-2014)