‘Academisch’ onderzoek door docenten op scholen komt nog weinig voor

4 september 2013

Docenten in het basis- en voortgezet onderwijs die onderzoek doen, richten dit onderzoek vooral op directe verbetering van de onderwijspraktijk of hun eigen professionalisering. Wat weinig voorkomt, is dat docent-onderzoekers hiermee ook een bijdrage leveren aan de wetenschap. Dit zogenoemde ‘academische docentschap’ zou echter wel een oplossing kunnen bieden voor de spreekwoordelijke kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk.

Dit concludeert NWO-onderzoeker Wilfried Admiraal, hoogleraar Onderwijskunde te Leiden, op basis van een literatuurstudie.

De bekwaamheid onderzoek te doen naar de eigen onderwijspraktijk wordt gezien als onderdeel van de expertise van docenten. Het bevorderen van onderzoek door docenten biedt mogelijkheden om de kwaliteit van zowel het onderwijs als onderwijsonderzoek te verbeteren en te verrijken. Hoogleraar Wilfried Admiraal (Universiteit Leiden) deed met zijn team literatuuronderzoek naar dit type onderzoek.

 

 

Onderzoek vooral beschrijvend van aard

Onderzoek door docenten wordt gekenmerkt door kleinschalig, beschrijvend en kwalitatief onderzoek waarin de verbetering van de onderwijspraktijk (actieonderzoek) en – in veel mindere mate – de ontwikkeling van de docent als professional (self study) centraal staan. Ook komt het veel voor dat docenten een bepaalde onderwijsinterventie evalueren door het in kaart brengen van meningen van leerlingen en docenten.

 

 

Direct aansluitend bij de praktijk

Ook het onderzoek naar professionaliseringsprogramma’s waarin onderzoek door docenten centraal staat, is over het algemeen kwalitatief van aard. Deze programma’s zijn vooral gericht op de ontwikkeling van de inhoudelijke expertise van docenten. Door het (begeleid) doen van onderzoek naar de eigen onderwijspraktijk proberen docent-onderzoekers hun expertise in het onderwijzen en ontwerpen van onderwijs te verbeteren. Het onderzoek van docenten sluit op deze manier direct aan bij hun onderwijspraktijk. Het onderzoek gebeurt dikwijls samen met collega-docenten en/of andere onderzoekers.

 

 

Tijd, ruimte, ondersteuning en samenwerking

In de literatuur worden verschillende aanbevelingen gedaan voor het verbeteren van docentonderzoek. De meest voorkomende aanbevelingen zijn dat docenten voldoende tijd en ruimte moeten hebben om onderzoek naar de onderwijspraktijk te kunnen uitvoeren. Daarmee samen hangt de aanbeveling om samen aan een gedeeld onderzoekonderwerp te werken. Ook zou het goed zijn dat leidinggevenden en collega’s betrokkenheid tonen en dat het onderzoek is ingebed in de onderwijspraktijk van de betreffende docenten. Een andere aanbeveling is echter ook dat docenten de vrije hand hebben in het bepalen van het onderzoeksonderwerp en de werkwijze. Constellaties waarin docenten en onderzoekers samen aan onderzoek werken waarbij zij ook samen verantwoordelijk zijn voor alle onderdelen van het onderzoek komen nog weinig voor.

 

 

Achtergrondinformatie

Het onderzoek ‘Academisch docentschap in het basis- en voortgezet onderwijs: Aard en betekenis van onderzoek van docenten naar hun onderwijspraktijk’ is gefinancierd door de Programmaraad voor het Onderwijsonderzoek (PROO), een onderdeel van NWO. De PROO laat regelmatig reviewstudies uitvoeren, opdat er meer inzicht komt in voor de praktijk bruikbare kennis uit recente wetenschappelijke literatuur. De PROO maakt deel uit van het nieuwe Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO).

 

 

Meer informatie: w.f.admiraal@iclon.leidenuniv.nl

Het volledige eindrapport staat als PDF op de PROO-website.

Bron: NWO

Kenmerken

Wetenschapsterrein

Maatschappij- en Gedragswetenschappen

Programma

Programmaraad voor het onderwijsonderzoek (PROO)

Speerpunt

Samenwerken in thema's (2011-2014)