Twaalf toekenningen in Polair Programma – beleidsgestuurd onderzoek

3 juli 2013

In het Nederlands Polair Programma is een beleidsgestuurde ronde gehouden. Daarin zijn 12 voorstellen goedgekeurd.

Deze aanvragen in het Nederlands Polair Programma zijn zowel op wetenschappelijke kwaliteit als op beleidsrelevantie beoordeeld. Er waren 32 voorstellen ingediend.

Dr. R.S.W. van de Wal, IMAU
Extreme sea level changes along the Dutch Coast: small chance, large impact, high risk

Door ontwikkelingen in zeespiegel onderzoek kunnen we allerlei effecten combineren die bijdragen aan de zeespiegelstijging in het Noordzeegebied. Nieuwe berekeningen van de bijdragen van thermische expansie, gletsjers en ijskappen, grondwateronttrekking, luchtdrukverschillen en veranderende windpatronen worden meegenomen in een model dat de afwijkingen ten opzichte van de gemiddelde stijging uitrekent, rekening houdend met zwaartekrachts- en rotatie effecten. Deze werkwijze wordt getoetst aan data over de afgelopen 50 jaar en na validatie gebruikt om projecties voor de komende eeuw te maken. Daarbij worden voor het eerst kansverdelingen gemaakt van extreme zeespiegelstijgingen voor het Noordzeegebied. Deze kansverdelingen dienen het beleid voor de kustverdediging.

Dr. W.J. van de Berg, IMAU UU
High-end estimates of the Antarctic contribution to sea level rise in 2300

De reactie van de Antarctische ijskap op klimaatverandering is de grootste onzekerheid in de verwachtingen van toekomstige zeespiegelstijging. Opwarmend oceaanwater kan de ijskap mogelijk in de nabije toekomst destabiliseren, wat tientallen centimeters extra zeespiegelstijging kan veroorzaken. Deze destabilisatie komt door het transport van warm oceaanwater naar de ijskap. In dit project simuleren we, voor een extreem opwarmingsscenario, op hoge resolutie de atmosfeer boven en de oceaan rond Antarctica. Zo kan het warmtetransport en daarmee de ijssmelt geschat worden. Met dit onderzoek willen we een betere maximumschatting van de bijdrage van Antarctica aan toekomstige zeespiegelstijging geven.

Prof.dr. M.R. van den Broeke, IMAU UU
Climate monitoring instruments for collaborative research in the Polar Regions

Door het barre klimaat en logistieke problemen heeft het gebruik van automatische meetinstrumenten in de Poolgebieden een vlucht genomen. Het IMAU is voorloper op het gebied van de ontwikkeling van automatische meteorologische en glaciologische meetsystemen voor gebruik op (smeltende) ijskappen en gletsjers. Dit project is bedoeld voor de aanleg van een instrumentenbuffer, om deelname aan kortdurende internationale meetcampagnes veilig te stellen, en flexibel te kunnen inspelen op snelle ontwikkelingen, bijvoorbeeld bij snel veranderende gletsjers. Deze wijze van samenwerken is wetenschappelijk gezien extra aantrekkelijk, omdat Nederland geen eigen logistieke infrastructuur heeft in de Poolgebieden.

Dr. C.A. Katsman, KNMI
Validating recently-developed twenty-first century regional sea level projections using satellite observations

In 2100 is het zeeniveau langs de Nederlandse kust naar verwachting met 35 tot 85 cm gestegen. Vooral onzekerheden in de bijdrage van de Groenlandse ijskap en Antarctica zijn debet aan deze grote bandbreedte. Voor een adequaat kustbeleid is het belangrijk te achterhalen welk klimaatscenario gaande is. Aan de hand van satellietmetingen van de hoogte van het zeeniveau bepalen we de langzame, door opwarming geïnduceerde, regionale trends in zeeniveau die resteren na het wegfilteren van toevallige klimaatschommelingen. Door die trends te vergelijken met de recent ontwikkelde regionale zeespiegelscenario’s wordt hun kwaliteit en bruikbaarheid bepaald.

Dr. I. Tulp, IMARES
Migratory connectivity between Arctic breeding grounds and oceanic wintering areas of seabirds

Veel zeevogels zwerven hun hele leven over de wereldzeeën. Alleen om te broeden komen ze aan land en een groot aantal doet dat in de Arctis. Waar ze de rest van het jaar blijven en wat ze eten is vaak onbekend. Wij willen van vier soorten, twee jagers, een stern en een franjepoot, met behulp van kleine zenders de trekroutes, pleisterplaatsen en overwinteringsplekken in kaart brengen. In combinatie met geavanceerde dieetstudies onderzoeken we waarom ze gaan waar ze gaan. Deze kennis is nodig om belangrijke gebieden op zee te beschermen.

Prof. dr. ir. H.J.W. de Baar. NIOZ/RUG
Uptake of anthropogenic carbon dioxide, chemical changes and effects on the marine ecosystem in Marguerite Bay, Rothera Research Station, Antarctica: implications for policy of the government of The Netherlands

Dit project is het zesde project samen met 5 andere Nederlandse projecten op het Rothera Onderzoeks Station, Antarctica. De mensheid veroorzaakt emissie van kooldioxide (CO₂) in de lucht. De oceanen nemen ongeveer 40 procent daarvan op en dat doet de chemie van zeewater veranderen, met effecten op het plankton ecosysteem. Vooral de Antarctische Oceaan is hierdoor getroffen. We gaan de opname van CO₂ en effecten op plankton bestuderen in Marguerite Baai (Rothera, Antarctica) en beleid ontwikkelen voor duurzaamheid in Antarctica, in het kader van het streven in het Regeerakkoord 2012 voor een volledig duurzame internationale energievoorziening in jaar 2050.

Prof. dr. ir. A.J. Hendriks, RUN
Chemicals in arctic food chains: accumulation and potential population effects

Informatie over chemische stoffen in Arctische gebieden is verspreid over verschillende meetprogramma's. Elk richt zich op enkele locaties, periodes, stoffen en soorten. In soorten zoals ijsberen, aan de top van de voedselketen, zijn hoge concentraties aangetroffen. Wij bouwen een eenvoudig rekenmodel dat de accumulatie van stoffen in de voedselketen simuleert. Het model wordt geijkt en getest met data uit de literatuur en met eigen metingen ter plekke. Met deze modellen kunnen we verklaren waarom de gehaltes zo hoog zijn en wat de gevolgen zijn voor populaties van deze top-predatoren.

Prof. dr. mr. C.J. Bastmeijer, UT
Increasing Diversity of Human Activities in Antarctica: Relevance of the concept of 'Wilderness Protection'

Mensen willen steeds meer verschillende activiteiten in het Zuidpoolgebied ondernemen. Marathons, scuba-diving, avontuurlijke expedities en helikopterexcursies vinden er al jaren plaats. In de nabije toekomst komen daar wellicht het gebruik van gemotoriseerde voertuigen voor toerisme of de bouw van een hotel bij. De 28 landen die gezamenlijk Antarctica beheren worden het er niet over eens of extra regels nodig zijn. Dit project onderzoekt de vraag of de bescherming van 'wilderniswaarden' een basis kan vormen voor het reguleren van activiteiten. Ook bekijken we wat we vanuit dat oogpunt kunnen leren van de toerismewetgeving in wildernisgebieden in Alaska, Canada, Finland en Spitsbergen.

Dr. J.A. van Franeker, IMARES
The imperiled role of sea ice in supporting the living resources of the polar oceans (Iceflux-NL)

De poolzeeën bruisen van het leven, met rond het zuidpoolgebied het bekende garnaalachtige krill en in het noorden Arctische kabeljauw. Deze dieren zijn sterk afhankelijk van voedselketens die beginnen met algen die groeien in het zee-ijs en eindigen met grote aantallen vogels en zeezoogdieren. Een opwarmend klimaat doet zee-ijs verdwijnen met mogelijk grote gevolgen. In dit project brengen we, in samenwerking met internationale partners, de zee-ijs voedselketen in kaart. Daartoe vissen we onder andere met een speciaal onderzoeks-net direct onder het zee-ijs. Met dit onderzoek kan het beleid voor natuurbescherming en visserijbeheer beter inspelen op toekomstige veranderingen.

Dr. B.A. Nolet, NIOO
How can Arctic-nesting geese cope with Arctic amplification?

Veel vogels die in het Noordpoolgebied broeden, doen buiten hun broedtijd Nederland aan. Nederland draagt daarmee een internationale verantwoordelijkheid voor de duurzame instandhouding van deze populatie(s). Van brandganzen die op de Russische toendra broeden, overwintert maar liefst 85 procent in Nederland. Dit onderzoek genereert de benodigde kennis om in te kunnen schatten hoe deze vogels gaan reageren op de snelle klimaatverandering in het Noordpoolgebied. Enerzijds zullen de vogels wellicht te laat in hun broedgebied aankomen om optimaal te kunnen profiteren van de piek in voedselaanbod, maar anderzijds zal het zomerseizoen langer worden, waarmee de overlevingskansen van hun jongen stijgen.

Dr. R. Bintanja, KNMI
Near-future Arctic climate change and its impact on the Netherlands and on Dutch policy

De verwachte toekomstige opwarming en zeeijsafsmelting in het Arctisch gebied zijn verstrekkend en mogelijk zelfs onomkeerbaar. Dat heeft grote gevolgen voor zowel Arctische socio-economische activiteiten (olie/gaswinning, transport/scheepvaart, visserij) en ecologie, als voor het klimaat in West-Europa. Dit project gaat toekomstige Arctische klimaatveranderingen en de daaruit voortvloeiende (Nederlandse) activiteiten en invloeden kwantificeren aan de hand van nauwkeurige klimaatinformatie, nieuwe klimaatmodellen en technieken. Zo kunnen we het Nederlandse beleid ten aanzien van de Arctische gebieden van een solide klimatologisch kader voorzien. De klimatologische randvoorwaarden over de uitbreiding van activiteiten/invloeden vormen een onmisbare aanvulling op het Nederlands Arctisch beleid.

Dr. A.G. Oude Elferink, NILOS UU
Participation, Allocation and the Ecosystem Approach in Polar Fisheries

Naar verwachting gaat de wereldwijd toenemende interesse voor nieuwe of onderbenutte vangstmogelijkheden zich ook toespitsen op de polaire regio's. Dit onderzoek richt zich op de formele regels en praktijk van polaire visserijbeheerslichamen in het licht van het toepasselijke internationale recht, met speciale aandacht voor 1. deelname in polaire visserijbeheerslichamen, 2. verdeling van vangstmogelijkheden in polaire regio's, en 3. ecosysteemgericht visserijbeheer in polaire regio's. Vragen zijn of bestaande polaire regels en praktijken in overeenstemming zijn met overkoepelend internationaal recht, hoe internationaal recht versterkt kan worden, en welke aanspraken Nederland kan maken.

 

Bron: NWO

Kenmerken

Wetenschapsterrein

Aard- en Levenswetenschappen

Programma

Nederlands polair programma

Speerpunt

Samenwerken in thema's (2011-2014)