Acht toekenningen in Nederlands Polair Programma

2 januari 2013

Het Gebiedsbestuur heeft 8 voorstellen goedgekeurd binnen het Nederlands Polair Programma. In deze ronde, alleen voor onderzoek naar Groenland of Spitsbergen, werden 27 voorstellen ingediend.

Dr. R.W.S. van der Wal, UU, Evolution of the Greenland ice sheet from the LGM into the next centuries
Berekeningen van de evolutie van de Groenlandse ijskap worden bemoeilijkt doordat de afsmelting plaatsvindt in een smalle rand rondom de ijskap. Grootschalige atmosfeermodellen zijn daarom niet gedetailleerd genoeg. Daarbij worden de reflecterende eigenschappen van het ijsoppervlak en de vertikale structuur van de atmosfeer vaak niet goed meegenomen. Wij gaan gedetailleerde modellen koppelen aan de grootschalige modellen om volumeveranderingen van het ijs te voorspellen die tevens rekening houden met de stroming van het ijs. We doen dit over de periode van het Laatste Glaciale Maximum tot honderden jaren in de toekomst, met behulp van een koppeling tussen EC-Earth en een nieuw ijskap-zeespiegel model, rekening houdend met regionale veranderingen van het zeeniveau.

Prof.dr. M.R. van den Broeke, UU, Continuation of climate monitoring along the K-transect, west Greenland
De Groenlandse ijskap smelt snel: momenteel is de ijskap goed voor ongeveer een kwart van de wereldwijde zeespiegelstijging, en het massaverlies neemt toe. In West Groenland verricht UU/IMAU al bijna 25 jaar metingen van afsmelting en beweging van de ijskap. Vanwege de unieke lengte van deze ononderbroken meetreeks in Groenland, worden deze gegevens wereldwijd gebruikt voor het testen en verbeteren van smeltmodellen. Om de continuïteit van deze tijdreeks veilig te stellen vragen we financiering voor het voortzetten van deze metingen tot en met 2016.

Dr. C.H. Tijm-Reijmer, UU, Impact of refreezing on the mass balance of the Greenland ice sheet in a changing climate
Ongeveer 60% van de recente zeespiegelstijging wordt toegeschreven aan het smelten van gletsjers en ijskappen als gevolg van de mondiale temperatuurstijging. Niet al het smeltwater stroomt van de gletsjer af, een deel herbevriest in de koude sneeuw. Op Groenland herbevriest ongeveer 30-50% van het smeltwater. Dit vertraagt massaverlies via de afstroom van smeltwater en warmt de sneeuw op. Herbevriezen is moeilijk te meten of te modelleren waardoor schattingen hiervan voor bijvoorbeeld Groenland sterk uiteenlopen. Gezien het belang van herbevriezing richten we ons in dit voorstel op verbetering van de schattingen voor de Groenlandse ijskap met behulp van metingen met sneeuwthermometers en een regionaal atmosferisch klimaatmodel.

Dr. C.P.D. Brussaard, NIOZ, Importance of microbial viral lysis over grazing in a changing Arctic Ocean
De Artische Oceaan ondergaat grote veranderingen door de wereldwijde klimaatsverandering. Micro-organismen vormen zo’n 98% van de biomassa in de oceanen en zijn grotendeels verantwoordelijk voor de voedingstoffen stromen. Recente data laten zien dat de soortensamenstelling en de grootte van micro-organismen zal veranderen, daarmee de efficiëntie van de voedselketen verlagend. Dit wordt verder versterkt door de naar verwachting hogere sterfte door virusinfecties. Dit project bepaalt het ecologische belang van virus-geïnduceerde lysis van algen en bacteriën in relatie tot toenemende watertemperatuur, verlaagd zoutgehalte, veranderende lichtintensiteit en het bij afsmeltende gletsjer vrijkomende potentieel sterk-reactieve fijn-sediment.

Prof.dr. L. Hacquebord, RUG, Ecological consequences of 400 years resource exploitation on Svalbard
Vierhonderd jaar walvisvangst, jacht en mijnbouw op Spitsbergen hebben grote invloed gehad op de Arctische natuurlijke omgeving. Niet alleen de jachtdiersoorten maar ook andere soorten werden door de mens sterk beïnvloed. Zo zeer zelfs dat vrijwel ieder ecosysteem in het westen van Spitsbergen door deze exploitatie is aangetast. Het hier voorgestelde onderzoek wil in nauw overleg met andere bij het kernprogramma betrokken onderzoekers de omvang van deze aantasting bepalen door historische bronnen in de archieven, materiële en bio-archeologische bronnen uit de opgravingen en pollendiagrammen van de grondmonsters te bestuderen.

Prof.dr. J. Komdeur, RUG, Effects of heavy metal contamination on stress response modulation and stress coping abilities in barnacle geese
Blootstelling aan milieuvervuiling leidt in vertebraten tot verminderde werking van de hypothalamus-hyposfysebijnierschors(HPA)-as, die verantwoordelijk is voor de productie van stresshormonen. Langdurige activatie van de HPA-as leidt tot chronisch verhoogde corticosteron niveaus (chronische stress). Een effectieve manier om deze stress te verminderen is door sociale ondersteuning: de aanwezigheid van sociale bondgenoten. Dit zullen we bestuderen in brandganzen (Branta leucopsis) bij Ny-Ålesund in een door steenkolendelving verontreinigd gebied. Door stressniveaus te meten bij ganzen uit verschillende gebieden (verontreinigd vs niet-verontreinigd) en van verschillende familiegroottes zullen wij het belang aantonen van sociale ondersteuning in de omgang met stress.

Dr. M.J.J.E. Loonen, RUG, From historical data to a prediction of the future for geese on arctic tundra?
Veel ganzensoorten zijn door menselijk handelen sterk in aantal toegenomen. Grote aantallen overwinterende ganzen trekken in de zomer naar het noordpoolgebied en zouden daar dramatische effecten op de arctische toendra hebben. In de loop der jaren is veel kennis verzameld, maar het ontbreekt aan een coherent beeld om de langere termijn effecten van deze herbivore vogels te voorspellen. In dit project worden de unieke lange tijdsreeksen en monsters, die reeds verzameld zijn, geanalyseerd en aangevuld met doelgerichte experimenten om de verschillen tussen ganzensoorten te kwantificeren. Doel is om de effecten van ganzen op het terrestrische ecosysteem te beschrijven, begrijpen en voorspellen.

Prof.dr. A.G.J. Buma, RUG, Towards monitoring of taxon specific productivity in Arctic coastal phytoplankton
De Kongsfjorden (79°N, Spitsbergen) is recent aangewezen als European Flagship Site of
Biodiversity. Maar in de Kongsfjorden ontbreekt informatie over dynamiek en productiviteit van het fytoplankton, dat de basis vormt van mariene voedselwebs. In dit project gaan we een 3-jarige fytoplankton dataset generen en koppelen aan continu gegenereerde data van een nieuw monitoringsstation. Vervolgens construeren wij een diagnostisch model dat het mogelijk maakt de productie van belangrijke fytoplanktongroepen apart te berekenen. Dit model zal waardevolle informatie leveren over productiedynamiek per algengroep, terwijl het tegelijkertijd breed inzetbaar zal zijn voor andere (polaire) monitoringsprogramma’s.

Bron: NWO