Interviews


Naar boven1.1 | Elisa Costantini

Na haar studie sterrenkunde in Bologna, vertrok de Italiaanse Elisa Costantini voor een jaar naar Harvard in Amerika. Deze eerste buitenlandervaring als wetenschapper kreeg een vervolg tijdens drie jaar promotieonderzoek aan het Max-Planck-Institut für extraterrestrische Physik in Garching, Duitsland. Inmiddels helemaal gewend aan werken in een internationale, wetenschappelijke omgeving, vond ze als postdoc een plek aan de Universiteit Utrecht, waar ze nauw samenwerkte met het ruimteonderzoekscentrum SRON. In december 2007 kreeg Costantini een Veni-beurs toegekend voor onder meer haar onderzoek naar interstellaire stofdeeltjes met behulp van röntgenstralen.

‘Als meisje van vijf jaar wist ik al dat ik astronomie wilde gaan studeren,’ vertelt Elisa Costantini pas aan het einde van het gesprek, ‘we hadden thuis een atlas, waarin ook afbeeldingen van planeten stonden. Dat fascineerde me enorm. Mijn vader zag dit en stimuleerde deze interesse wel. Zelf gaf hij literatuurles op een middelbare school. Hij gaf me dus niet alleen maar boeken over sterrenkunde, hoor. Dat is maar goed ook, want ik ben heel breed geïnteresseerd en zou me nooit mijn hele leven op één onderwerp willen richten. Wetenschap in brede zin is wat me boeit.’

Samenwerken

Bij SRON, waar Costantini sinds de toekenning van haar Veni-beurs gestationeerd is, voelt ze zich goed op haar plek: ‘Ik kan hier onderzoek doen dat me fascineert met behulp van de satellieten en telescopen waar ik graag mee werk. Het boeiende van SRON is, dat onderzoekers en ingenieurs er nauw samenwerken om de meest uitgebalanceerde instrumenten te ontwikkelen. Het onderzoek dat je doet, levert vervolgens weer ideeën op voor verdere verbetering van de instrumenten. Die cyclus vind ik erg leuk.’ Ondertussen heeft Costantini zich, nog ruim voordat haar ‘Veni-periode’ afloopt, middels een pittige sollicitatieprocedure weten te verzekeren van een vaste aanstelling bij SRON. Bovendien heeft het persbericht dat een dag voor dit gesprek verscheen, over de eerste resultaten van het onderzoek naar interstellair stof, haar nu al veel complimenten opgeleverd. ‘Dat werkt erg stimulerend. En de publicatie van zo’n bericht zorgt soms ook voor nieuwe samenwerkingsmogelijkheden, doordat andere wetenschappers lezen waar jij mee bezig bent.’

Onderzoek naar interstellaire stofdeeltjes is onder meer van belang omdat het belangrijke informatie kan opleveren over het ontstaan van sterren en planeten. ‘Behalve met interstellaire stofdeeltjes, houd ik me trouwens ook bezig met actieve zwarte gaten in verre melkwegstelsels. Daar was mijn afstudeeronderzoek ook op gericht. Ik pendel een beetje heen en weer tussen verschillende onderwerpen.’

Gereserveerd

De aanvraag van een Veni-beurs vond Costantini bureaucratisch gezien meevallen. ‘Ik heb wel trajecten meegemaakt waar een stuk meer papierwerk bij kwam kijken’, vertelt ze. Maar de beslissende selectieprocedure blijft natuurlijk spannend. De stap naar Nederland had de Italiaanse in elk geval al gezet, toen ze na afronding van haar onderzoek in Duitsland als postdoc naar de Universiteit Utrecht kwam. Werken in het buitenland noemt Costantini overigens een fundamental step in de carrière van een wetenschapper: ‘Het is heel belangrijk andere mensen en andere manieren van werken te leren kennen. Dit vormt je als mens, en als wetenschapper. Zelf heb ik gemerkt dat de werkomstandigheden in Duitsland en Nederland aardig op elkaar lijken. In Amerika is het wel wat anders, een stuk competitiever. Daar moet je maar net tegen opgewassen zijn.’ ‘Wat betreft het sociale leven hier, vind ik dat Nederlanders over het algemeen erg gereserveerd zijn. Het is niet gemakkelijk vrienden te maken, best moeilijk zelfs. Mensen zijn wel vriendelijk, maar ze houden graag afstand. Gelukkig hebben we inmiddels wel wat vrienden, hoor. Ook een paar Nederlanders.’ Voorlopig voelt Costantini in elk geval weinig behoefte terug te keren naar Italië. ‘Ik heb het hier goed, samen met mijn man en dochtertje. Mijn ouders komen regelmatig over uit Rimini. En ik heb een vaste aanstelling! We wonen nu nog in Amsterdam, maar op den duur zouden we wel naar Utrecht willen verhuizen. Misschien blijf ik hier wel altijd.’

Naar boven1.2 | Ilona van den Brink

Ilona van den Brink werkt sinds 2007 een dag per week als communicatieadviseur bij NWO. De rest van haar werktijd is ze gedetacheerd als Communications Officer bij het European & Developing Countries Clinical Trials Partnership (EDCTP). Het EDCTP is een mede door NWO gesteunde maar zelfstandige organisatie die in Europa en Afrika zoveel mogelijk geld, kennis en menskracht bundelt ten bate van klinisch onderzoek op het gebied van hiv/aids, malaria en tuberculose.

‘De gedachte achter deze combinatie van twee functies was dat er een soort kruisbestuiving ontstaat door de best practices van beide werkplekken samen te brengen. Ik moeten zeggen dat ik hiermee met m’n neus in de boter ben gevallen. Enerzijds is er de warme deken van NWO, met leuke, vakkundige collega’s en interessante projecten. Terwijl ik anderzijds in een heel internationale en prikkelende omgeving actief ben.’ EDCTP wordt bestuurd vanuit twee vestigingen, in Den Haag en in Kaapstad. Van den Brink: ‘Het is belangrijk om ook in Afrika een kantoor te hebben, want het is de bedoeling dat de Afrikaanse onderzoekers zoveel mogelijk projecten zelf gaan leiden. Zij hebben toch de beste kennis en contacten binnen hun eigen continent, waar aids, malaria en tbc jaarlijks de meeste slachtoffers veroorzaken.’

Persvrijheid

Samenwerking met Europa blijft echter essentieel. ‘Het onderzoek naar malaria en tbc heeft lang stil gelegen, vooral omdat deze ziektes in de westerse wereld zo goed als niet meer voorkwamen, en er daarom weinig aandacht voor was. Tegenwoordig trekt Europa weer geld uit voor onderzoek. Nederland levert naar verhouding een aardige bijdrage. Waar EDCTP zich bijvoorbeeld voor inzet, is het opleiden van teams die toezicht houden op de uitvoering van klinisch onderzoek en de behandeling van de betrokken patiënten. Het is tenslotte van belang dat deze patiënten goed voorgelicht worden. Wat dat betreft is er in Afrika in relatief korte tijd veel resultaat te boeken.’

Zelf is Van den Brink inmiddels twee keer in Afrika geweest. Een keer in Kaapstad, om kennis te maken met haar collega’s aldaar. En een keer in Burkina Faso, voor een EDCTP-congres waar onderzoeksresultaten gepresenteerd en geëvalueerd werden. ‘Tijdens die conferentie was ik mede verantwoordelijk voor de contacten met de pers’, vertelt Van den Brink. ‘Daar werd me opeens heel duidelijk dat de manier waarop wij gewend zijn met media om te gaan, in veel Afrikaanse landen helemaal niet van toepassing is. Er is vaak geen persvrijheid; media worden dan betaald om op te schrijven wat bepaalde woordvoerders zeggen. Het is dan ook best een uitzoekerij om de juiste kanalen te vinden om publiek en wetenschappers in Afrika te bereiken.’

Veel speelruimte

Wat betreft onderlinge contacten met collega’s ervaart Van den Brink ook een groot verschil tussen haar Nederlandse werkomgeving bij NWO en haar plek bij EDCTP. ‘In Nederland zijn we gewend vrijwel alles te allen tijde met elkaar te bespreken en aan elkaar voor te leggen. Maar bij EDCTP heb ik gemerkt dat dit voor veel buitenlanders heel ongebruikelijk is. Zij reageren soms met ‘moeten we hierover nu al vergaderen? Beslis nu eerst maar gewoon, dit hoort bij jouw functie’. Je krijgt dus veel speelruimte en verantwoordelijkheid en moet vertrouwen hebben in je eigen kennis en ervaring. Overigens worstel ik daar niet echt mee, hoor. Het past wel bij me, die zelfstandigheid.’ ‘Iets anders is de manier waarop wij dingen aan elkaar vragen in een e-mail. We zijn geneigd heel direct te zijn, maar in een Engelstalige omgeving moet je een verzoek vooral met veel please en bedankjes omlijsten.’

Naar boven1.3 | Ron Dekker

Ron Dekker is sinds oktober 2006 lid van de algemene directie van NWO. Als directeur Instituten, Financiën en Infrastructuur (IFI) maakt hij zich onder meer sterk voor alle randvoorwaarden die nodig zijn om wetenschappelijk talent tot volle bloei te laten komen. Na zijn eigen wetenschappelijke loopbaan in Maastricht en Tilburg, trad Dekker in 1997 in dienst van NWO. Eerst als hoofd van het Wetenschappelijk Statistisch Agentschap, later als coördinator voor het gebied Maatschappij- en Gedragswetenschappen (MaGW) en hoofd van de afdeling Centrale Programma’s en Instituten.

‘De missie van NWO is natuurlijk het stimuleren en faciliteren van Nederlands wetenschappelijk onderzoek. Maar wetenschap is per definitie internationaal. Het houdt niet op bij onze landsgrenzen.’ Met deze uitspraak geeft Dekker direct aan waarom het van belang is NWO als internationale organisatie te beschouwen. ‘Binnen bepaalde disciplines, zoals de bètavakken, is het voor jonge wetenschappers vrijwel noodzakelijk om buitenlandervaring op te doen, willen zij een stap verder komen. Daarom stellen we ook de Rubicon-subsidies beschikbaar aan een selectie pas gepromoveerde onderzoekers. Met zo’n subsidie kunnen zij maximaal twee jaar onderzoekservaring opdoen, liefst aan een topinstituut in het buitenland. We zien het als een voorportaal voor de bekendere Veni-, Vidi-, Vici-subsidies. En als een belangrijke manier om talenten te behouden voor de wetenschap.’ ‘Niet alleen het wetenschappelijk onderzoek zelf, ook de daarvoor benodigde infrastructuur vraagt om internationale samenwerking. Sommige faciliteiten zijn zo complex en kostbaar dat je ze echt met meerdere landen moet bouwen en financieren. Zo was het Nederlandse ruimteonderzoeksinstituut SRON als projectleider betrokken bij de ontwikkeling van het ruimteinstrument HIFI, een onderdeel van de nieuwe telescoop Herschel van de Europese ruimtevaartorganisatie ESA.’

Meerwaarde

‘Een ander voorbeeld is de European Synchrotron Radiation Facility (ESRF) in het Franse Grenoble. Samen met Vlaanderen beheert Nederland hier een van de veertig stations waar onderzoekers van over de hele wereld metingen en proeven kunnen doen. Er werken zes NWO’ers op dit station. Zij zijn helemaal gespecialiseerd in het gebruik van het synchrotron. We hebben onlangs gemerkt dat we wel moeten oppassen dat deze mensen niet geïsoleerd raken en steeds verder van het wetenschappelijk onderzoek en hun eigen vakgebied af komen te staan. Een ‘nul-uren aanstelling’ aan een Nederlandse universiteit kan in zo’n geval een oplossing zijn.’ ‘Als lid van de Raad van Toezicht van ESRF doe ik zelf ook nog wat buitenlandervaring op,’ vertelt Dekker verder, ‘in totaal zijn er negentien landen betrokken bij de financiering en het beheer van het synchrotron. Ik zie mijn persoonlijke betrokkenheid bij deze samenwerking zeker als een meerwaarde; het geeft inzicht in hoe andere landen met problemen omgaan. Daarnaast vergroot het je netwerk, je kunt gemakkelijker contacten leggen in het buitenland. En het is ook leerzaam om eens op een andere schaalgrootte te werken. Als we het in Nederland hebben over de besteding van tientallen miljoenen, gaat het bij ESRF om honderd miljoen per jaar, voor één faciliteit.’

Polderen

Het valt Dekker op dat in het buitenland over het algemeen sneller knopen worden doorgehakt: ‘Wij zijn soms te aarzelend, te voorzichtig. Het polderen kan in Nederland wel eens belemmerend werken. Er wordt veel naar compromissen gezocht, waardoor besluitvormingsprocessen vaak erg traag verlopen. Ik vind dat als je eenmaal een keuze gemaakt hebt, je er ook vol voor moet gaan.’ Een ander struikelblok voor doelgerichte ontwikkelingen blijkt de moeite die het vaak kost om fiscale en verzekeringszaken te regelen voor NWO-medewerkers in het buitenland. Dekker: ‘Als een Russische onderzoeker in dienst van NWO bijvoorbeeld in Frankrijk gaat werken, betaalt hij wel de verplichte – Nederlandse – bijdrage voor ziektekostenpremies maar kan hij zich niet verzekeren, omdat hij geen woonadres in Nederland heeft. Dit soort problemen zijn erg tijdrovend. Het zou mooi zijn als er flexibelere regelingen voor zulke situaties konden komen.’ Behalve flexibiliteit blijft ook geld natuurlijk van groot belang bij de stimulering van (internationale) projecten. ‘NWO heeft begin dit jaar een brief geschreven naar premier Balkenende,’ aldus Dekker, ‘om duidelijk te maken hoe wij op korte termijn voor 350 miljoen euro aan concrete projecten zouden kunnen wegzetten. Er ligt bijvoorbeeld een kant-en-klaar plan voor de bouw van een elektronenlaser in Hamburg. Nederland zou hierbij een belangrijke rol kunnen spelen. Het plan is al goedgekeurd, alleen is de financiering nog niet rond. Het is erg jammer dat dit soort werk stil komt te liggen. Juist als je betrokken bent bij de bouw en ontwikkeling van zo’n faciliteit, kan dat in de toekomst groot voordeel opleveren in het onderzoek.’ Ondanks de hindernissen die er nu eenmaal bijhoren, is Dekker blij dat hij zich kan blijven inzetten voor de wetenschap. ‘Wetenschap is een mooi vak!’