Interactie tussen kennis en beleid rond duurzaamheid gaat de goede kant op
Impressie conferentie Beter leefklimaat? Beter onderzoek <-> Beter beleid op 7 april in Den Haag
Beleid en maatschappij- en gedragswetenschappelijk onderzoek kunnen veel voor elkaar betekenen als het gaat om de verbetering van ons leefklimaat. Beleidsrelevant, fundamenteel onderzoek levert nuttige kennis en soms zelfs praktische handvatten op. Onderzoekers en beleidsmakers kunnen goed samenwerken in netwerken rond maatschappelijke problemen – randvoorwaarde is dat ze elkaar kunnen verstaan en dat de rolverdeling helder is. Ze moeten niet op elkaars stoel gaan zitten. Deze en andere kwesties passeerden de revue op de middag ‘Beter leefklimaat? Beter onderzoek <-> Beter beleid’ die kundig en lichtvoetig werd geleid door Pieter Hooimeijer. De conferentie vond plaats ter afsluiting van twee NWO-programma’s: GaMON (Gammaonderzoek Milieu, Omgeving, Natuur) en VAM (het klimaatprogramma Vulnerability, Adaptation, Mitigation). Behalve de VAM-film ‘Waterproof’ die werd vertoond, was er ook een boekje beschikbaar waarin zestien onderzoekers en drie beleidsmakers reflecteerden op de tot stand gekomen kennis.
Zo’n honderd onderzoekers, beleidsmakers en andere geïnteresseerden kwamen samen in 7AM, een duurzame vergaderlocatie op een steenworp afstand van het Binnenhof in Den Haag. In de eerste openingsminuten werd de toon gezet.
Ton Dietz, voorzitter van de programmacommissie van VAM, begon met de stelling dat de bredere sociaalwetenschappelijke wereld in Nederland nog onvoldoende doordrongen is van de urgentie van de klimaat- en milieu-uitdaging. ‘Er is ook te weinig debat tussen wetenschap en beleid over de wetenschappelijk excellente manier om op een relevante manier om te gaan met dit beleidsterrein.’ Ben Geurts, directeur Centrale Strategie- en Kenniseenheid van VROM, benadrukte dat maatschappij- en gedragsonderzoek niet teveel moet worden afgezet tegen en afgeleid van bètaonderzoek. ‘De maatschappelijke werkelijkheid kent verschillende aspecten en problemen. Denk aan nieuwe technologie die weer tot nieuwe gedragsvraagstukken leidt. Of aan de positie van de overheid die slechts een van de spelers is bij het oplossen van complexe vraagstukken. Onderzoek helpt daarbij – en dan bedoel ik juist gammaonderzoek.’
Janneke Hoekstra, directeur Kennis en Innovatie bij LNV, poneerde de stelling dat beleidsmakers niet zozeer behoefte hebben aan nieuwe kennis, maar aan onderzoekers die de bestaande kennis integreren en ontsluiten. ‘Het overdragen van wetenschappelijke kennis aan kennisgebruikers in de samenleving zou veel beter gewaardeerd moeten worden.’ Charles Vlek, voorzitter van de programmacommissie van GaMON, tenslotte, vertelde iets over de ontstaansgeschiedenis van GaMON en eindigde met de stelling dat zowel multidisciplinariteit als beleidsrelevantie pas goed uit de verf komen in concrete, welomschreven onderzoeksprojecten.
Nieuwe kennis over de groene ruimte
Een aantal ter zake kundige experts was uitgenodigd om de meest beleidsrelevante resultaten te presenteren van het uitgevoerde onderzoek binnen de programma’s GaMON en VAM. Als eerste was het thema ‘Ruimtelijke planning en besluitvorming’ aan de beurt. Marianne Kuijpers (directeur van Geodan Next) belichtte in korte tijd vier GaMON-programma’s die met elkaar deelden dat ze het belang van de groene ruimte en de handelwijze van relevante actoren bestudeerd hadden. De onderzoekers van Vitamine G toonden aan dat er een relatie bestaat tussen groen in woonomgeving en gezondheid en welbevinden. Het programma Metroland ging onder meer over de effectiviteit van planologisch overheidsbeleid bij het behoud van groen in de overgangsgebieden tussen stad en land. Er was ook een programma waarin de onderzoekers keken hoe het agrarisch natuurbeheer door boeren gestimuleerd kan worden en tot slot vertelde Kuijpers over een GaMON-programma dat de invloed en effectiviteit van externe procesbegeleiders en adviseurs in ruimtelijke planprocessen bestudeerde. Kuijpers: ‘Mijn conclusie is dat er nieuwe mensen zijn opgeleid die over zeer waardevolle en bruikbare kennis beschikken voor de praktijk van de ruimtelijke ordening en besluitvormingsprocessen daaromtrent.’
Nieuwe onderzoeksmethoden voor klimaatverandering
Pim Martens (hoogleraar aan de Universiteit Maastricht) schrijft momenteel een integrerend boek over de VAM-projecten. Ook hij nam er in korte tijd vier bij de kop. Een ervan ging over de gevolgen van klimaatverandering voor de binnenvaartsector, die daar waarschijnlijk wel met de nodige flexibiliteit op kan reageren. Een ander project ging over een soortgelijk vraagstuk, maar dan voor de sector van het kusttoerisme, waar zowel kansen als bedreigingen liggen, die echter nog niet erg door de sector worden opgepakt. Een derde en vierde project handelden allebei over overstromingsgevaar: een project ging in op de Nederlandse situatie en het voorbereiden van burgers via 3D-simulaties. Het andere speelde zich af rond de Zambezi-rivier in Mozambique en de vraag hoe bevolking, overheden en NGO’s daar kunnen inspelen op klimaatverandering. Martens: ‘Ik zie een verschuiving in klimaatonderzoek naar de menselijke component en naar nieuwe hedendaagse onderzoeksmethoden, zoals de inzet van virtual reality en webcams.’
Oppassen voor clichébeelden over beleid en wetenschap
Daarna was het de beurt aan Wim Derksen, chief scientist van VROM, om te reageren. Hij pleitte ervoor dat niet departementen zelf, maar NWO het geld voor wetenschappelijk onderzoek zoveel mogelijk uitzet. Departementen zouden zich moeten beperken tot het opdracht geven voor direct beleidsrelevant onderzoek. Ook gaf hij aan dat kennis toepassen in beleid eigenlijk alleen goed lukt als de beleidsmakers zelf bij het onderzoek betrokken zijn geweest. Hij brak daarbij een lans voor het ‘Belgische model’. ‘De minister bepaalt wat er onderzocht moet worden, en de wetenschapper doet dat vervolgens op zijn eigen manier en zonder druk van buitenaf.’ Janneke Hoekstra van LNV pleitte voor een onderzoeksprogrammering ‘van bovenaf’, waarbij de wetenschap onafhankelijk moet kunnen werken. Ze nodigde de zaal uit mee te denken over belangrijke thema’s waaromheen door verschillende actoren tezamen een ‘body of knowledge’ zou moeten worden ontwikkeld. In de discussie ging het vervolgens onder meer over het fenomeen dat er zo weinig (wetenschappelijks) gelezen wordt op departementen, hetgeen Derksen tot de uitspraak bracht: ‘De mensen zijn goed, maar de processen verkeerd.’ Verschillende aanwezigen gaven aan dat wetenschappers dan ook wel rekening moeten houden met de lezers en dat er meer ‘interfaces’ denkbaar zijn dan papieren rapporten of alleen de samenvattingen daarvan. Daarbij werd onder meer de SWOME-Marktdag in herinnering gebracht die vanuit GaMON in samenwerking met het onderzoekersnetwerk SWOME en VROM georganiseerd is. Ook werd opgemerkt dat we niet teveel in clichés moeten denken en praten als het gaat om de verschillen tussen wetenschappers en beleidsmakers. De grenzen zijn in de praktijk vager.
Belangrijk is om rond maatschappelijke thema’s de pluriformiteit van opvattingen en inzichten goed te waarborgen. Een andere wetenschapper pleitte voor het integreren van onderzoeksresultaten ook over departementsgrenzen heen.
Duurzamer produceren en consumeren
Het tweede thema van de middag was ‘Duurzaam produceren en consumeren’. Cees Midden (hoogleraar aan de TUE) begon met het belichten van het GaMON-programma Partnerships. Hieruit bleek in welke mate samenwerking tussen producenten, NGO’s en overheden kan helpen om tot duurzame productieketens te komen. Het volgende programma op de lijst onderzocht stakeholderdialogen tussen verschillende actoren, waaronder ook overheden, om tot investeringen in duurzame energie te komen in de provincie Groningen. Hieruit kon veel worden geleerd over de aansturing van dergelijke overlegprocessen. Een derde programma richtte zich geheel op duurzaam consumeren en gaf handvatten voor het bijsturen van producenten- en consumentengedrag. Het vierde GaMON-programma dat Midden toelichtte stond geheel in het teken van risicocommunicatie door de overheid en hoe die beter kan worden toegesneden op de mondige, informatiezoekende burger.
Veel mitigatie – iets minder adaptatie in de kennisontwikkeling
Ans Kolk (hoogleraar aan de UvA) had vervolgens de lastige taak om vijf VAM-projecten samen te vatten. In vier ervan stond vooral mitigatie centraal, vertelde ze. Er was er één waarin ook adaptatie een rol speelde. Een van de projecten richtte zich vooral op de rechtsbeginselen onder Europees klimaatbeleid en bood perspectieven om op een andere manier met verdelingsvraagstukken om te gaan. Een ander betrof verzekeringsarrangementen voor de risico’s die klimaatverandering met zich meebrengt, waarin de overheid een belangrijke rol speelt. Een derde project handelde over energiebesparing in de bestaande bouw, die nog veel beter kan. Een vierde project ging over de invoering van witte certificaten als beleidsinstrument – en de systematische ex ante evaluatie van dit type nieuwe instrumenten – en haar eigen project over de reactie van het bedrijfsleven op klimaatbeleid sloot de rij. Ze vertelde hierbij onder meer dat bedrijven het begrip ‘adaptatie’ anders gebruiken dan beleidsmakers.
Graag helderheid over de inhoud én de rollen
Herman Eijsackers, chief science officer bij LNV, reageerde als eerste op het gepresenteerde onderzoek. Hij vertelde dat hij de korte samenvattingen van de onderzoeksprojecten die hij voorafgaand aan deze dag had ontvangen, had doorgestuurd op zijn departement. ‘Goede analyses, daar kunnen we wat mee! Maar waarom is het zo onduidelijk opgeschreven? Het boekje met interviews is een verademing. Kan niet alle documentatie over onderzoek zo helder worden gepresenteerd?’ was de verzuchting. Iets anders dat hem was opgevallen, was dat de overheid in de onderzoeken wel erg vaak centraal stond, terwijl er zoveel andere actoren en stakeholders zijn als het om milieu en klimaat gaat. Verder benadrukte Eijsackers dat het bij interactie tussen beleid en wetenschap van groot belang is dat een ieder weet vanuit welke rol hij of zij meepraat. Die rollen kunnen best wisselen, als dan maar wel duidelijk is wanneer welke rol van toepassing is.
Ben Geurts pakte het estafettestokje over en wilde het een en ander in de discussie relativeren. ‘Het systeem in Nederland waarin kennis en visie vanuit de wetenschap richting beleid gaat, werkt. Het is weer wat anders of de politiek vervolgens iets doet met de input van wetenschappers. Met de interactie tussen beleid en wetenschap zijn we in elk geval wel degelijk op de goede weg.’ Ook schetste Geurts de ideale weg van maatschappelijk probleem via beleidsvraag via kennisvraag naar onderzoeksvraag. ‘Het is niet goed om onderzoekers zomaar een beleidsvraag op te geven. Hierin moeten zowel beleidsmaker als onderzoekers scherper zijn.’ Vervolgens ging het in de discussie met de zaal wederom over de vraag hoe wetenschap en beleid zich tot elkaar verhouden en of een al te harde scheiding tussen beide werelden wel realistisch is. Gevraagd naar een onderzoeksuitkomst die hij direct zou willen toepassen, antwoordde Geurts dat hij vooral het Vitamine G-onderzoek zeer actueel en beleidsrelevant vond.
Hartenkreten
Het laatste thema van de dag was bedoeld als integratie en synthese en betrof ‘de duurzame stad’. Johan van Zoest van de gemeente Amsterdam sprak, mede namens zijn collega Gerrit Jolink, over de ambities, de uitdagingen en de kennisvragen waarvoor zijn organisatie staat. Als relatieve buitenstaander merkte hij graag op dat de barrières en kloven die vandaag geconstateerd waren, nu ook weer niet zo ernstig zijn dat ze niet overkomen zouden kunnen worden. ‘Zoals we hier bij elkaar zitten, hebben we alles toch in huis?’ Maar de praktijk is weerbarstiger, wist Van Zoest ook. ‘Je zou denken dat de gemeente Amsterdam en de UvA bijvoorbeeld dicht bij elkaar zitten, maar ook wij moeten extra inspanningen leveren om elkaar te vinden op de cruciale kennisvragen.’ Daartoe is inmiddels het Hortus-overleg in het leven geroepen. ‘Als het blijkt te klikken, kunnen daar mooie dingen uitkomen.’

Tijdens het slotdebat werden de laatste hartenkreten geslaakt. Een van de GaMON-onderzoekers memoreerde bijvoorbeeld dat wetenschappers nooit zomaar aannemertje mogen spelen en geacht worden serieus tegenspel te bieden aan beleidshypes. Een ander wees erop dat onderzoekers in staat moeten zijn om bruggen te slaan naar andere onderzoeken en kennisbronnen. Weer iemand herinnerde de zaal eraan dat de meeste academische gevormde jongeren niet in de wetenschap terecht komen, maar juist op beleidsplekken. De kunst is om dat denkpotentieel te behouden en te blijven aanwenden om kritisch en analytisch problemen te doordenken met elkaar. Een beleidsmaker noemde nog dat er ook aandacht moet zijn voor interactie met de politieke beslissers, aangezien die nog veel verder te zoeken is dan die met ambtelijke beleidsmakers. Een andere (oud-)beleidsmaker schetste dat de manieren van samenwerken tegenwoordig veel meer ‘horizontaal’ plaatsvinden en dat kenniswerkers in feite gewoon mee aan tafel zitten – gelukkig. Een hoogleraar vroeg aandacht voor het onderzoekspotentieel dat bij andere actoren en stakeholders aanwezig is.
Meer ruimte voor sociaalwetenschappelijk duurzaamheidsonderzoek?
Charles Vlek en Ton Dietz spraken de afsluitende 'minuutpraatjes' uit. Vlek vroeg aandacht voor de intensieve evaluatie die de GaMON-betrokkenen met elkaar hadden uitgevoerd en sprak de hoop uit dat NWO vruchtbaar zou voortborduren op de conclusies en aanbevelingen daarin. Hij vond de jarenlange GaMON-tijd ‘een leerzame periode’. Dietz herhaalde nogmaals zijn stelling uit het begin en maande NWO om meer werk van sociaalwetenschappelijk duurzaamheidsonderzoek te maken en zich bovendien op te stellen als specialist in vraagarticulatie. Hij merkte ook op dat de oogst van GaMON en VAM misschien ‘iets te parochiaal’ van karakter is. ‘Het is te weinig op de grotere wereld buiten Europa gericht.’ Pieter Hooimeijer sloot de middag af door nog iets te vertellen over de discussies die momenteel binnen NWO lopen over een nieuwe strategieperiode. Hij verwacht dat duurzaamheidsvraagstukken – ook vanuit de maatschappij- en gedragswetenschappelijke invalshoek – daarin steeds meer nadruk krijgen. Ook gaf hij aan dat als derde partner in kennisdeling we de geïnteresseerde burger niet moeten vergeten. Renée van Kessel, directeur Maatschappij- en Gedragswetenschappen van NWO, vertelde vervolgens dat kennisdisseminatie richting kennisgebruikers bij NWO ook steeds belangrijker wordt. Na de nodige bedankjes aan sprekers en NWO-medewerkers werd er nog lang verder gepraat tijdens de borrel.
