De Juniorquiz van 2009 - de antwoorden
Vraag 1: Met welke sneeuw kun je het makkelijkste sneeuwballen maken?
| A. | Papsneeuw |
| B. | Sneeuw die kraakt als je er op loopt |
| C. | Stuifsneeuw |
Het juiste antwoord is A, met papsneeuw. De beste plaksneeuw krijg je als de temperatuur rond het vriespunt is. Om te kunnen plakken, moet sneeuw een beetje nattig, papperig zijn. Als je het dan samendrukt, ontstaan er ‘ijsbruggen’ die sneeuw bij elkaar houden. Sneeuw gaat pas kraken als het echt heel koud is, meer dan tien graden onder nul. Stuifsneeuw ontstaat ook pas bij harde vorst, en heeft hele platte kristallen met uitsteeksels, die elkaar niet willen vasthouden. Als het buiten erg koud is en de sneeuw niet goed plakt, kun je het beste zoeken naar een plek waar het net iets warmer zal zijn (onder een bruggetje bijvoorbeeld), of met je handen de sneeuw een beetje opwarmen.
Vraag 2: Je laat een stinkscheet in een leeg jampotje en sluit het potje meteen af met het deksel. Ruik je hem nog wanneer je een half uur later het deksel er afschroeft?
| A. | Nee, een half uur lukt nooit |
| B. | Ja, maar hij ruikt wel anders dan wanneer je hem niet opsluit |
| C. | Ja, altijd |
Het juiste antwoord is C, ja. Darmgas bestaat voornamelijk uit reukloze gassen: stikstof, zuurstof en methaan. Het zijn kleine hoeveelheden andere stoffen, bijvoorbeeld zwavelverbindingen, die voor de stank zorgen. Wanneer je een stinkscheet goed opvangt en in een goedafgesloten potje doet, dan zou je de scheet nog moeten ruiken na een half uur. Denk maar aan iemand die een scheet heeft gelaten in de lift. Zelfs wanneer deze persoon de lift heeft verlaten, kan de stank nog tijden blijven hangen.
Vraag 3: Hoe spant een spin een draad tussen twee bomen die een stukje uit elkaar staan?
| A. | Hij loopt via de grond met de draad van de ene naar de andere boom en trekt de draad strak |
| B. | Hij schommelt aan de draad naar de andere boom |
| C. | Hij wacht op een windvlaag en laat de draad vastwaaien aan de andere boom |
Het juiste antwoord is C, de wind zorgt ervoor dat de draad ergens blijft plakken. Wanneer een spin een web wil weven of wanneer hij zich wil verplaatsen, wacht hij op wind. Zodra hij wind voelt, spint hij gauw een draad. De draad wordt door de wind meegevoerd en plakt uiteindelijk ergens aan vast. Wanneer de spin merkt dat de draad vast zit, loopt hij naar de overkant. Waar de spin terechtkomt, of tussen welke objecten hij zijn web weeft, is dus puur toevallig en afhankelijk van de richting van de wind.
Vraag 4: Waarom werkt het touchscreen van sommige telefoons wel met je vinger, maar niet met een pennetje?
| A. | Een pennetje is niet warm genoeg |
| B. | Een pennetje drukt niet hard genoeg |
| C. | Een pennetje haalt niet genoeg elektriciteit van het scherm af |
Het juiste antwoord is C, een pennetje haalt niet genoeg elektriciteit van het scherm af. Touchscreens kunnen op verschillende manieren werken. Voor sommige touchscreens heb je een speciaal pennetje, maar voor een touchscreen van bijvoorbeeld een iPhone moet je gewoon je vinger gebruiken. Je vinger kan heel goed elektriciteit geleiden. Dat merk je als je bijvoorbeeld met je vinger langs een wollen doek hebt gewreven en daarna je haar aanraakt: dat gaat dan overeind staan van de elektrische lading. In een touchscreen zitten zogenaamde condensatoren: dit zijn een soort bewaarplaatsen voor elektrische lading. Zodra je daar met je vinger tegenaan komt, stroomt de lading uit zo’n condensator via je vinger weg. Omdat een pennetje veel kleiner is, stroomt er minder lading weg dan wanneer je het scherm aanraakt met je vinger. Het scherm vindt de stroom te klein, en reageert dan niet op de aanraking.
Vraag 5: Je hebt twee glazen met evenveel water. In een glas voeg je een scheutje zeepsop toe. In welk glas kun je de meeste knikkers stoppen, zonder dat het overstroomt?
| A. | In beide glazen evenveel |
| B. | In het glas met zeepsop gaan er meer |
| C. | In het glas met zeepsop gaan er minder |
Het juiste antwoord is C, in het glas met zeepsop gaan er minder. In het glas zonder zeep kun je zoveel knikkers stoppen dat het water zelfs hoger staat dan de rand! Hoe kan dat? Water bestaat uit moleculen, die elkaar heel goed vasthouden. Als je knikkers in het glas stopt, komt het water boven de rand uit en zou het eigenlijk moeten overstromen. Maar de watermoleculen houden elkaar zo stevig vast dat er geen moleculen over dan rand vallen. Dit heet oppervlaktespanning. Zeep gaat tussen de watermoleculen in zitten. Daardoor kunnen ze elkaar minder goed vasthouden, en stroomt het glas sneller over.
Vraag 6: Hoe weet een pijnstiller waar je pijn hebt?
| A. | De pijnplek geeft een signaal en daar komt de pijnstiller op af |
| B. | Dat weet de pijnstiller niet, je voelt overal minder pijn |
| C. | De pijnplek trekt meer bloed aan, dus komt daar een groot deel van de pijnstiller terecht |
Het juiste antwoord is B, dat weet een pijnstiller niet. Op een plek waar iets mis is, ontstaan pijnprikkels: elektrische signalen die razendsnel langs de zenuwen via het ruggenmerg naar je hersenen gaan. Je hersenen weten dan dat je pijn hebt, en waar dat is. Deze elektrische signalen worden versterkt door chemische stoffen, die extra vrijkomen op de pijnplek. Sommige pijnstillers zorgen ervoor dat je hersenen het elektrische signaal van de pijnplek niet ontvangen. Maar ook signalen uit andere plekken in je lichaam komen dan niet aan bij je hersenen. Andere pijnstillers zorgen ervoor dat er minder van die chemische stoffen zijn. De hoeveelheid chemische stoffen neemt dus af in je hele lichaam. Voor beide pijnstillers geldt dus dat je overal tegelijk minder pijn voelt.
Vraag 7: Hoe kun je met tegenwind zeilen?
| A. | Door te zigzaggen |
| B. | Door achteruit te zeilen |
| C. | Door je zeilen zo klein mogelijk te maken |
Het juiste antwoord is A, door te zigzaggen. Als de wind pal tegen is, kun je overigens helemaal niet zeilen. Maar zolang je de wind een beetje schuin tegen hebt, kun je er zigzaggend toch tegenin varen. Wat doe je dan? Je draait je boot een beetje verder naar links dan waar je wilt zijn. Het zeil buigt de wind af, en daardoor ontstaat er een kracht op het zeil. Een heel groot deel van deze kracht zorgt ervoor dat je naar links gaat varen, maar een klein beetje van deze kracht is vooruit gericht. Dan draai je je boot naar rechts, er ontstaat door de zeilen een kracht naar rechts en naar voren, en je vaart naar rechtsvoor. Met een grote omweg naar links en naar rechts, vaar je dan alsnog vooruit.
Vraag 8: Is het eten van je eigen snot ongezond?
| A. | Ja, want snot zit vol vuil en bacteriën |
| B. | Ja, je krijgt er keelpijn van |
| C. | Nee, want iedereen eet elke dag snot |
Het juiste antwoord is C, nee. Zonder dat je het merkt, slik je iedere dag snot in. Als er snot of harde stukjes in je neus zitten en je haalt je neus op, komt die rommel achterin je keel terecht. Dat slik je door. Snot bestaat uit slijm en wat stoffen van buiten zoals roet en bacteriën. Al deze stoffen krijg je ook binnen als je geen snot 'eet'. Niet alleen als je snot inslikt, maar ook als je door je mond ademt. Zelfs heel erge neuspeuteraars zullen met een gram snot per week niet zoveel bacteriën binnenkrijgen dat je er ziek van kan worden. Als je moeder zegt: "niet doen dat is vies", dan heeft dat dus alleen met smaak en niet met hygiëne te maken.
Vraag 9: Hoe glij je het snelst van een glijbaan naar beneden?
| A. | Op een stuk karton |
| B. | Op een fleece deken |
| C. | Op een rubbermatje |
Het juiste antwoord is A, op een stuk karton. Als je van een glijbaan gaat, word je altijd een beetje afgeremd. Dat heet wrijving. Om zo snel mogelijk naar beneden te glijden, moet je deze wrijving zo klein mogelijk maken. Een fleecedeken of een rubbermatje glijdt stroef: de wrijving is groot. Met een stuk karton heb je de minste wrijving met de glijbaan en ben je dus het snelst beneden.
Vraag 10: Waarom hebben raketten altijd een scherpe neus?
| A. | Omdat ze daarmee de bliksem in de wolken kunnen afleiden |
| B. | Omdat ze dan sneller en stabieler kunnen vliegen |
| C. | Omdat ze dan makkelijker door de wolken kunnen schieten |
Het juiste antwoord is B, omdat ze dan sneller en stabieler kunnen vliegen. Met een scherpe neus, stroomt de lucht heel mooi vlak rondom de raket. Als je een andere vorm zou gebruiken, zoals bijvoorbeeld een rechthoek, ontstaan er luchtwervelingen rondom de neus van de raket. Dit heet turbulentie. Hierdoor wordt de raket heen en weer geschud en is hij moeilijker te besturen.
Met dank aan:
Carlo Beenakker, Universiteit Leiden
Bella Boender, VPRO
Nicole Cremers, VPRO
Rob van Hattum, VPRO
Ralf Hartemink, Wageningen Universiteit en Researchcentrum
Peter Koomen, Natuurmuseum Fryslan
Biba Krklec, VPRO
Inge Oskam, VU Medisch Centrum Amsterdam
Isabel Poyck, VPRO
Marie Lou Schoenmakers, VPRO
Gosse Schraa, Wageningen Universiteit en Researchcentrum
Ciske van den Oever, Poli-apotheek Sint Franciscus Gasthuis Rotterdam
Redactie:
Sonja Knols-Jacobs, NWO
Avital Lievendag, NWO
Kim van den Wijngaard, NWO
