Wat doen de beoordelingscommissies precies?
Binnen het Gebied Geesteswetenschappen functioneert een aantal beoordelingscommissies. Voor hen is een belangrijke rol weggelegd bij de beoordeling van ingediende onderzoeksvoorstellen. De meeste leden van deze commissies zijn ervaren en gerenommeerde onderzoekers die zelf actief wetenschappelijk werk verrichten. Vanwege het grote belang van de beoordelingscommissies in het traject van besluitvorming besteedt het Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen veel aandacht aan de samenstelling ervan.
Het gebiedsbestuur streeft naar een gelijkelijke verdeling van vrouwen en mannen, een zo breed mogelijke spreiding over de universiteiten en spreiding in leeftijd. Voor commissies die zich buigen over aanvragen in de open competitie geldt bovendien dat er een zo ruim mogelijke spreiding van disciplines is. Dat geldt minder voor beoordelingscommissies van thematische programma's. Daarvoor geldt echter, dat ook leden zitting kunnen hebben die vanuit hun maatschappelijke functie of bijzondere achtergrond kennis inbrengen die van belang kan zijn om specifieke aspecten van aanvragen te beoordelen. Te denken valt aan medewerkers van museale instellingen, beleidsmakers etc.
Van commissieleden wordt heel wat gevraagd: de beoordeling van vooraanmeldingen doet primair een beroep op hun eigen expertise, terwijl voor de beoordeling van definitieve aanvragen een ruime wetenschappelijke ervaring en een brede blik op het gehele gebied van de geesteswetenschappen een absolute vereiste is. In het eerste geval worden namelijk geen externe adviseurs ingeschakeld, zodat alleen de eigen vakkennis en wetenschappelijke ervaring het instrumentarium vormen voor het uiteindelijke oordeel. In het tweede geval dienen commissieleden zich juist primair te verlaten op de ingebrachte referentenadviezen, die de commissie kritisch weegt en die - naast de aanvraag, het weerwoord en in sommige gevallen een interview met de onderzoeker - een zeer belangrijk onderdeel vormen van het dossier waarop de uiteindelijke kwalificatie wordt gebaseerd.
De commissies brengen aan het gebiedsbestuur advies uit over de kwalificaties van de afzonderlijke voorstellen en over de rangorde van de aanvragen. Het gebiedsbestuur toetst de werkzaamheden van de commissies. Het kan bij zijn uiteindelijke besluitvorming afwijken van het uitgebrachte advies op basis van beleidsoverwegingen.
Aan het eind van elke ronde delen de commissievoorzitters hun ervaringen mee aan het gebiedsbestuur. Naar aanleiding van dat overleg kan het gebiedsbestuur, indien nodig en voorzover de NWO-kaders dat toestaan, de procedures aanpassen. Het streven van alle betrokkenen is er immers op gericht om een beoordelingstraject zó vorm te geven, dat het leidt tot de selectie van de beste voorstellen en daarmee tot onderzoek waar iedereen het meest van verwacht in termen van kwaliteit en vernieuwing.
