Introductie
Het onderzoeksprogramma 'The Future of the Religious Past' stelt zich tot doel religie aan het begin van de eenentwintigste eeuw te onderzoeken. Aan het begin van het nieuwe millennium vindt er een hernieuwde participatie in de traditionele religies als Christendom, Islam en Hindoeïsme plaats . Ook zien we de opkomst van nieuwe vormen van gefragmenteerde religie en persoonlijke spiritualiteit, zoals bijvoorbeeld New Age. Deze nieuwe vormen van religiositeit vragen om een nieuw interpretatiekader. Het onderzoeksprogramma beoogt dit te ontwikkelen. De vraag of ‘religie’ slechts onderdeel van de geschiedenis is of dat er toekomst is voor godsdienst is een van de centrale vragen van dit onderzoeksprogramma. (Zeker gezien de recente – religieus geïnspireerde - gebeurtenissen in de Verenigde Staten en het Midden-Oosten heeft deze vraagstelling een grote actualiteitswaarde)
Het onderzoeksprogramma beoogt een nieuwe interpretatiekader omtrent nieuwe vormen van religiositeit te ontwikkeling aan de hand van vier foci: woorden ('words'), zaken ('things'), gebaren ('gestures') en machten ('powers'). Het subprogramma 'woorden' richt zich op de betekenis van teksten, canonieke tradities en vocabulaires. Ook wordt aandacht besteed aan de manier waarop teksten worden overgedragen, bijvoorbeeld door middel van het internet. Het subprogramma 'zaken' houdt zich bezig met de materiële cultuur, dat wil zeggen de betekenis van objecten en plaatsen in de religieuze beleving. Rituelen en andere voorstellingen van het religieuze vormen het onderwerp van het subprogramma 'gebaren'. 'Machten', tenslotte, behandelt de wisselwerking tussen maatschappij en religie, in het bijzonder de relatie tussen religie en politiek, macht, autoriteit, geweld en media. Iedere focus wordt onderzocht vanuit een historische, tekstuele, conceptuele en empirische benadering.
Het onderzoeksprogramma is niet voor een discipline geschreven. Juist een complex fenomeen als religie in de eenentwintigste eeuw kan alleen onderzocht worden vanuit diverse disciplines als de theologie, de geestwetenschappen, de antropologie en sociologie. De brede achtergrond van de sprekers op de workshop die tot doel had de programmanotitie aan ‘het veld’ te toetsen, reflecteert die multidisciplinaire aanpak. Hoewel het onderzoeksprogramma aanvankelijk ontwikkeld is voor Nederland en Europa, kan de beoogde onderzoekssystematiek ook goed toegepast worden voor onderzoek naar religie in Niet-Westerse regio's.
