The role of bioturbators in the purifying capacity of floodplains
Hoofdaanvrager:
Prof. Dr. A.J.M. Smits, Katholieke Universiteit Nijmegen, Afdeling Ecologie
Resultaat van het programma
Resultaat van de projecten
Drs. S. Wijnhoven Loopduur: 16-08-2000 tot
16-08-2004
Mw. Dr. M. Zorn Loopduur: 01-09-2000 tot
01-09-2004
014.23.021 Drs. S. Wijnhoven
Zware metalen zijn alom
aanwezig in de uiterwaarden van een groot aantal rivieren. Er wordt steeds meer
actie ondernomen om ecologisch verarmde uiterwaarden systemen te herstellen. Echter het effect van de aanwezigheid van de zware metalen verontreinigingen op
de natuur, en natuurontwikkeling in het bijzonder, is onduidelijk. Om hier meer
duidelijkheid in te krijgen, is het nodig om meer inzicht te krijgen in de
interacties tussen verontreinigingen en organismen in de dynamische
uiterwaarden systemen. Het onderzoek van de Radboud Universiteit in het
NWO-SSEO ‘Bioturbatie-project’ richtte zich in het bijzonder op de interacties
tussen zware metalen en kleine zoogdieren. De resultaten van het onderzoek
laten zien dat de overstromingsfrequentie en –duur en de ruimtelijke samenhang van hoogwatervrije
terreinen en overige leefgebieden van grote invloed is op de verspreiding van
kleine zoogdieren in rivieruiterwaarden. De jaarlijkse overstromingen voorkomen
de volledige herkolonisatie van uiterwaarden door kleine zoogdieren. Dit heeft
tot gevolg dat de grootste aantallen kleine zoogdieren (ware muizen, woelmuizen
en spitsmuizen) gedurende het jaar, te vinden zijn op en rond de hoogwatervrije
terreinen. Verder blijkt dat de verschillende kleine zoogdiersoorten geen
gebruik maken van grote delen van de uiterwaarden, zoals maïsakkers en schaars
begroeide zandgronden.
Graafactiviteiten door
organismen (bioturbatie) net na overstroming stimuleert het transport van zware
metalen gebonden aan fijn organisch materiaal en kleideeltjes vanuit de toplaag
van de bodem naar diepere lagen. Het gaat hier om transport via regen- en/of
bodemwater. Daar dit proces slechts optreedt onder de vochtige omstandigheden
net na een overstroming, is de fysieke verplaatsing van verontreinigde grond
door gravende organismen, een veel belangrijker proces voor de herverspreiding
van zware metalen. Gravende organismen (met name regenwormen maar ook kleine
zoogdieren) werken op jaarbasis twee keer zoveel verontreinigde grond naar het
oppervlak dan dat er door de rivier wordt aangevoerd. Tien procent hiervan
wordt door mollen en woelmuizen verplaatst. Eenderde deel van de sedimentatie
tijdens overstromingen is afkomstig van bioturbatie. Dit geldt dan voor zowel
de hoeveelheid substraat, als voor de afzonderlijke metalen cadmium, koper en
zink. Voor lood, waarvan de
concentraties in het rivierwater de laatste decennia sterk zijn afgenomen,
blijkt zelfs dat driekwart van de totale hoeveelheid die tijdens overstromingen
in uiterwaarden sedimenteerd, afkomstig is van herspreiding binnen de
uiterwaard zelf ten gevolgen van bioturbatie. Alle transport processen in
ogenschouw nemend; sedimentatie, erosie, en naar nu dus blijkt ook bioturbatie,
wordt er in uiterwaarden op natuurlijke wijze zoveel grond en verontreinigingen
verplaatst, dat men nog eens kritisch naar het zeer voorzichtige beleid ten
aanzien van het op kleine schaal verplaatsen en in beweging brengen van
verontreinigde bodem moet kijken.
De ecotoxicologische risico’
s van zware metalen verontreinigingen voor kleine zoodieren en hun predatoren
zijn op de hoogwatervrije terreinen minsten zo groot als in sterker
verontreinigde overstromende delen. Dit komt o.a. door een grotere
biobeschikbaarheid van metalen, waardoor deze eerder worden opgenomen door
organismen. Dit resulteert in vergelijkbare, en voor lood zelfs hogere, metaal
concentraties op de hoogwatervrije terreinen in een belangrijke voedselbron; de
grassen. De metaal concentraties in regenwormen als voedselbron, zijn alleen
voor zink hoger in de periodiek overstromende gebieden dan op de hoogwatervrije
terreinen, en dit is dan grotendeels het resultaat van de inname van
verontreinigde grond door wormeneters, daar deze zich nog in het maagdarm
kanaal van de regenworm bevind. Verder worden de hoogwatervrije terreinen
intensiever gebruikt door kleine zoogdieren dan een groot gedeelte van de
periodiek overstromende delen van de uiterwaarden. Rekening houdend met de
beschikbaarheid van zware metalen, kan men zeggen dat voor de prioritering bij
sanering, men zich zou moeten richten op de zware metalen verontreinigingen
aanwezig op hoogwatervrije terreinen.
De hoogste metaal
concentraties worden aangetroffen in de bosspitsmuis (vleeseter), maar ook de
woelmuizen (voornamelijk planteneters) vertonen in tegenstelling tot de
verwachtingen hoge metaalgehaltes. De metaalconcentraties in de andere in
Nederlandse uiterwaarden algemene spitsmuizensoort; de huisspitsmuis, liggen op
hetzelfde niveau als die van de rosse woelmuis, en verschillen vaak ook
nauwelijks van die van veldmuizen, aardmuizen en bosmuizen. Een belangrijke
reden hiervoor is dat de risico’s voor kleine zoogdieren in uiterwaarden tot nu
toe werden overschat vanwege een te hoog veronderstelde blootstellingduur; de
gemiddelde leeftijd van een muis in de uiterwaarden ligt veel lager dan in
binnendijkse gebieden. Verder zijn de berekeningen van doorvergiftiging veelal
gebaseerd op de hoge totaal concentraties die in de laaggelegen delen van de
uiterwaarden worden aangetroffen. Dit blijkt niet reëel te zijn vanwege de lage
beschikbaarheid van deze verontreinigingen en het feit dat blootstelling voor
een groot gedeelte op de minder vervuilde niet overstromende terreinen plaats
vindt. Verder zijn woelmuizen wellicht ook minder strikte planteneters dan tot
nu toe werd verondersteld.
Samenvattend kan men zeggen
dat een groot gedeelte van de onnauwkeurigheid in de berekeningen van de risico’
s op doorvergiftiging van zware metalen in het voedselweb van de uiterwaarden
zijn terug te brengen op het gebruik van dezelfde modellen en input gegevens in
uiterwaarden als in binnendijkse gebieden. Er wordt te weinig rekening gehouden
met de ecologie; zoals de variatie in de verspreiding van dieren en hun
voedselbronnen in uiterwaarden ten gevolgen van overstroming, migratie en de
geschiktheid van het gebied. En er wordt te weinig rekening gehouden met
daadwerkelijke beschikbaarheid van verontreinigingen en blootstellingroutes,
die in uiterwaarden aanzienlijk verschillen van gebieden zonder rivierinvloed
en overstromingsdynamiek.
Toch blijken de metaal
concentraties in dieren van verschillende soorten geregeld het niveau te
bereiken waarbij in de literatuur beschreven laboratorium experimenten toxische
effecten laten zien. Er zijn in onze studie ook afwijkingen waargenomen bij
zowel spitsmuizen als woelmuizen die er op duiden dat de huidige metaal
concentraties (in de toch matig verontreinigde uiterwaarden) toxische effecten
kunnen veroorzaken. Op populatie niveau lopen de kleine zoogdieren echter geen
gevaar, daar de levensverwachting van deze dieren in uiterwaarden door andere
factoren wordt bepaald (o.a. overstroming en predatie), en de soorten zich snel
voortplanten. Toxische effecten op populatie niveau voor de toppredatoren, die
veelal van kleine zoogdieren afhankelijk zijn, zijn op basis van ons onderzoek
echter niet uit te sluiten.
014.23.022 Mw. Dr. M. Zorn
Uiterwaarden omgekeerd: interacties tussen
regenwormen, overstroming en vervuiling.
De
uiterwaarden van de grote rivieren in Nederland zijn in het verleden vervuild
geraakt met zware metalen. Vooral in de jaren 1920-1930 en 1960-1975 bracht
rivierwater verontreinigd sediment in de uiterwaarde. Tegenwoordig zijn het
rivierwater en sediment veel schoner, waardoor de oude vervuiling bedekt is
geraakt met schonere grond en er een verontreinigde laag in het bodemprofiel is
ontstaan. Verschillende bodemorganismen graven door de bodem en komen daarmee
mogelijk in contact met die verontreinigde laag. Vooral regenwormen kunnen een
grote hoeveelheid grond verplaatsen. Dit verplaatsen en mengen van de grond
wordt bioturbatie genoemd. Bioturbatie kan effect hebben op de zuurstof- en
vochthuishouding van de bodem, en ook op de beschikbaarheid van zware metalen
in de bodem.
Onderzocht is op welke wijze regenwormen omgaan met de periodieke
overstromingen en de aanwezige zware metalen in uiterwaardbodems. Door hun
verschillen in lichaamsbouw, (graaf)gedrag en voedselvoorkeur, kunnen
verschillende soorten regenwormen (ecologische klassen) anders reageren op
overstromingen en een andere invloed hebben op de bodem en dus op verspreiding
en beschikbaarheid van zware metalen. Onderzocht is hoe verschillende soorten
regenwormen reageren op overstromingen, en welke invloed regenwormen hebben op
de verplaatsing en beschikbaarheid van zware metalen in de
bodem.
Regenwormpopulaties in de Afferdensche en Deestsche Waarde, een
uiterwaarde langs de Waal, bleken op een verschillende manier op regelmatige
overstromingen te reageren. De dichtheden en biomassa’s van Allolobophora chlorotica en Aporrectodea caliginosa waren niet
afhankelijk van overstromingen. De populatie van Lumbricus rubellus nam echter zowel in biomassa als in aantallen
sterk af na een overstroming, maar bereikte weer hoge aantallen voordat er weer
een overstroming optrad. Uit laboratoriumexperimenten bleek dat A. chlorotica vrij goed tegen
overstroming kan. Toch heeft deze soort een voorkeur voor niet-overstroomde
gronden en zijn conditie neemt af in overstroomde bodems. A. caliginosa heeft meer moeite met een
extra aan de grond toegevoegde metaalverontreiniging dan met de overstroming
zelf. L. rubellus probeert uit
overstroomde gronden weg te komen. Deze soort kon wel gedurende tenminste 42
dagen in overstroomde grond overleven, maar bleef daarbij voornamelijk
bovengrond en zijn conditie nam daarbij af. Deze experimenten bevestigen de
waarnemingen in het veld en laten zien dat verschillende soorten regenwormen
anders reageren op overstroming van hun leefomgeving. Uit modelberekeningen en
aanvullende veldwaarnemingen in de Biesbosch, een uiterwaardgebied dat ook af
en toe overstroomt, bleek dat regenwormen van de soort L. rubellus zich aanpassen aan de
frequentie van overstroming van hun leefomgeving. Door de tijd die nodig is om
volwassen te worden en zich voort te planten te verkorten, kunnen regenwormen
zich toch handhaven bij een kortere droge periode tussen twee overstromingen. De regenwormen in de natste gebieden hebben het laagste gewicht als ze
volwassen worden, waardoor er ook sneller tot voortplanting kan worden
overgegaan. De lengte van de droge periode in de uiterwaarden is dus van het
grootste belang voor de handhaving van de populatie van L. rubellus.
De
invloed van regenwormen op de verplaatsing van een metaalverontreiniging is
onderzocht in grondkolommen in het laboratorium. In deze grondkolommen was een
dunne met zink verontreinigde laag aangebracht. Na een periode van 175 dagen
was het zink meer verspreid over de kolommen; vrij gelijkmatig voor A. chlorotica, maar voor A. caliginosa voornamelijk in opwaartse
richting. De uitwerpselen die op het grondoppervlak waren afgezet hadden
verhoogde zinkconcentraties in vergelijking met de niet verontreinigde grond. A. caliginosa verlaagde de
beschikbaarheid van zink, gemeten als de extraheerbaarheid met een
Uit een
aanvullende laboratoriumtest bleek dat de hoeveelheid uitwerpselen die A. caliginosa, A. chlorotica, L. rubellus
en L. terrestris aan het
grondoppervlak brengen afhankelijk is van de tijd. De meeste uitwerpselen
werden in de eerste 20 dagen boven gebracht, waarna de hoeveelheid duidelijk
minder werd. Met de verkregen hoeveelheden uitwerpselen en de
regenwormdichtheden in het veld, kon worden berekend dat in 80 dagen een
hoeveelheid van 2 kg/m2 naar het grondoppervlak wordt gebracht. Dit
komt overeen met een laag met een dikte van
De
huidige aanwezige vervuiling met zware metalen in de uiterwaarde lijkt weinig
invloed te hebben op de regenwormpopulaties, maar de effecten van overstroming
zijn veel groter. Naar aanleiding van de hoge waterstanden in de rivieren in de
jaren 1990 wordt een verlaging van de uiterwaarden overwogen ten behoeve van
waterberging. Dit zal leiden tot een toename van de overstromingsduur en –
frequentie. Dit zal negatieve effecten hebben op de aanwezige regenwormen, met
name op soorten die gevoelig zijn voor overstroming, zoals L. rubellus. Bij afgraven van de
uiterwaarde zal de aanwezige kleilaag met de hoogste vervuiling worden
verwijderd, maar daardoor wordt ook de buffercapaciteit van de bodem
verminderd. Vervuilende stoffen die in de toekomst in de uiterwaarde worden
afgezet kunnen daardoor meer negatieve effecten hebben. Bovendien zijn er
duidelijk minder regenwormen aanwezig in zandbodems dan in kleibodems. Verlaging van uiterwaarden zal daardoor negatieve ecologische effecten kunnen
hebben, met name omdat regenwormen een belangrijke schakel vormen in
verschillende bodemprocessen en omdat ze een belangrijke voedselbron zijn voor
onder andere vogels en zoogdieren.
