Linking pollution-induced community tolerance (PICT) and community shifts induced by chronic exposure to metal contamination for microbial and nematode communities
Hoofdaanvrager:
Dr. M. Rutgers, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Laboratorium der Ecotoxicologie
Resultaat van het programma
Het doel van het
programma was het aantonen van veldeffecten van diffuse
metaalverontreiniging op bodemecosystemen in het gebied van de Ronde
Venen. Drie projecten bij drie onderzoeksinstellingen (Vrije Universiteit
Amsterdam, Wageningen Universiteit en Rijksinstituut voor Volksgezondheid en
Milieu) maakten onderdeel uit van het programma waarin 2 AIO’s (1,5 fte over 4
jaar; Boivin en Kools), 1 postdoc (1 fte over 3 jaar; Van der Wurff), en een
analist (0,33 fte over 3 jaar; Greve) figureerden. Beide AIO’s zijn
gepromoveerd, en het programma is afgerond. AIO’s, postdoc en de analist hebben
nieuw werk gevonden.
Het doel is bereikt,
namelijk het onderzoek heeft aannemelijk gemaakt dat in het zogenaamde
Toemaakdek in de Ronde Venen de zware metalen effecten hebben op het
bodemecosysteem. In de drie projecten van het programma werden verschillende
aanwijzingen hiervoor gevonden, op het niveau van de microbiële gemeenschap, de
nematodengemeenschap, functionele bodemparameters, en de potwormen. De
verschillende aanwijzingen zijn in diverse artikelen gepubliceerd.
Resultaat van de projecten
Onderzoeker:
Ing. G. Greve Loopduur: 01-03-2002 tot 30-04-2005
Dr. S.A.E. Kools Loopduur: 01-01-2001 tot 01-01-2005
Dr. A.W.G. van der Wurff
Loopduur: 01-09-2001 tot 01-09-2004
014.23.061 Ing. G. Greve
Diversiteit van microbiële gemeenschappen bij heterogene
metaalverontreinigde milieus
Management
samenvatting
Om de effecten van metalen op bacteriën in ecosystemen te bestuderen
zijn drie technieken gebruikt. Profielen van de bacteriegemeenschap werden
gemaakt met Community-Level Physiological Profiling (CLPP) en Denaturing
Gradient Gel Electrophoresis (DGGE). Deze technieken hebben als overeenkomst
dat in één experiment meerdere eigenschappen van één gemeenschap worden
bepaald, zogenaamde multi-eindpunt technieken. De derde techniek,
Pollution-Induced Community Tolerance (PICT), is gebruikt om de gevoeligheid
van de gemeenschap voor verschillende metalen te bepalen. Door deze
verschillende technieken te combineren is het mogelijk om de correlatieve
verbanden tussen de aanwezigheid van metalen in het veld en de waargenomen
effecten te versterken.
Ondanks de
voordelen van PICT om sterke verbanden te vinden, is niet onomstotelijk
aangetoond dat PICT een bruikbare indicator is voor negatieve effecten van
verontreiniging op het ecosysteem. Uit een literatuurstudie gericht op
bodemonderzoek bleek dat in de meeste gevallen waarbij PICT werd aangetroffen
het aannemelijk is dat ook andere veranderingen in het ecosysteem optraden,
zoals verschuivingen in de structuur en het functioneren, inclusief
veranderende relaties naar andere organismen en processen. Er zijn slechts
weinig publicaties waarin deze relaties expliciet gelegd zijn en de conclusie
was dat meer onderzoek nodig is
voordat PICT opgenomen kan worden in een raamwerk voor ecologische
risicobeoordeling.
De onderliggende modelconcepten voor het aquatische en terrestrische
onderzoek op de drie SSEO-locaties waren steeds hetzelfde. De hypothese is dat
effecten van metaalverontreiniging nauwkeurig in beeld gebracht kunnen
worden via het aantonen van subtiele veranderingen in de fysiologische
eigenschappen en de samenstelling van bacteriegemeenschappen en
veranderingen in de gevoeligheid van de gemeenschap voor de betreffende
contaminant. Bacteriën leven in innig contact met hun omgeving, en dus ook met
de verontreiniging, zodat effectieve blootstelling aangenomen kan worden. Bacteriën hebben een zeer beperkte mobiliteit zodat de relatie tussen de
gemeten metaalconcentraties en de samenstelling van de bacteriegemeenschap
in één monster stevig is. Dit aspect is vooral van belang in sterk heterogene
situaties, zoals bij de drie SSEO-locaties het geval was. Tenslotte hebben
bacteriën vanwege hun geringe afmeting een grote oppervlakte inhoud ratio zodat
de kenmerken van de omgeving, inclusief verontreiniging, in zijn algemeenheid
sterker tot expressie komen in de fysiologie van de bacteriën en de
samenstelling van de gemeenschap dan bij grotere bodemorganismen. Analyse
van bacteriegemeenschappen met behulp van multi-eindpunt technieken en
multi-variate analyse wordt daarom geacht een gevoelig instrument te vormen
voor het aantonen van effecten van verontreiniging in het
veld.
Voor de bestudering van bacteriegemeenschappen bij de drie
SSEO-locaties zijn technieken ontwikkeld, geoptimaliseerd en uitgetest voor de
verschillende milieucompartimenten. Bij het onderzoek aan bodemecosystemen in
De Ronde Venen is de techniek voor het nemen en selecteren van monsters
verbeterd en vereenvoudigd zodat een optimale gradiënt met
metaalconcentraties verkregen werd die representatief is voor de locatie. Bovendien werd een methode ontwikkeld om monsters in te vriezen en langdurig
bij -70° te bewaren, zonder significante aantasting van de onderliggende
structuur in de bacteriegemeenschap. Voor het onderzoek aan aquatische
ecosystemen in de Afferdensche en Deestsche waarden en de Biesbosch werd een
methode ontwikkeld om de bacteriën uit sedimentmonsters te extraheren en te
analyseren voor CLPP en PICT. Tevens werden aquatische organismen via hechting
aan glasplaten bemonsterd, om deze te gebruiken voor additionele blootstelling
in het laboratorium onder gecontroleerde omstandigheden in aquaria.
Heterotrofe bacteriegemeenschappen in fotosynthetiserende biofilms op
glasplaten werden gedurende 26 dagen blootgesteld aan koper in aquaria in het
laboratorium. Onder invloed van koper veranderden de CLPP- en de DGGE-patronen
en werd PICT aangetoond. Er werden geen effecten van de temperatuur gevonden op
de bacteriegemeenschappen. Dit betekent dat de temperatuur niet de
belangrijkste factor was in het veroorzaken van veranderingen onder deze
laboratorium condities. Er werd wel een effect van de temperatuur gevonden op
de tolerantieontwikkeling. Het herstel van de biofilms na koperblootstelling werd ook bestudeerd
gedurende ## dagen. De veranderingen aan de bacteriegemeenschappen bleken
omkeerbaar voor wat betreft de CLPP, maar slechts gedeeltelijk omkeerbaar voor
de DGGE-patronen gedurende de herstelfase. Ook de gevoeligheid van de
gemeenschap voor koper keerde weer gedeeltelijk terug. De conclusie was dat de
fysiologische eigenschappen van bacteriegemeenschappen sneller herstellen
dan de genetische samenstelling.
Het mogelijke effect van metalen op bacteriegemeenschappen in
biofilms van riviersedimenten werd onderzocht op twee SSEO-locaties,
namelijk de Afferdensche en Deestsche waarden (Figuur 3) en de Sliedrechtse
Biesbosch (Figuur 4). Het onderzoek liet zien dat genetische en fysiologische
diversiteit van bacteriegemeenschappen gecorreleerd is met de aanwezigheid van
bepaalde algensoorten en nauwelijks met het niveau van metaalverontreiniging. Daarom werd geconcludeerd dat de correlaties tussen de genetische en
fysiologische diversiteit van bacteriegemeenschappen en micro-algensoorten
geïnterpreteerd moet worden als een indicatie voor een sterke en
soortspecifieke verbintenis tussen algen- en bacteriesoorten in sedimenten van
de uiterwaarden. Eventuele effecten van metalen werden bij dit onderzoek
gemaskeerd door de effecten van de seizoenen en andere verschillen in de
omgevingsvariabelen.
Effecten van zware metalen op bacteriegemeenschappen in de bodem van
graslanden in de gemeente De Ronde Venen (zogenaamde Toemaakdek; Figuur 2)
werden onderzocht. Verbanden werden waargenomen tussen CLPP en DGGE en de
metaalconcentraties in het veld, de pH in de bodem en de hoeveelheid organisch
materiaal. De effecten van alle bekende omgevingsvariabelen werden statistisch
van elkaar gescheiden, waardoor aannemelijk werd dat metalen inderdaad een
effect hebben op de fysiologische en genetische samenstelling van de
bacteriegemeenschappen in de grasland van De Ronde Venen, los van de andere
omgevingsvariabelen. SSEO-onderzoek van de Wageningen Universiteit (A. van
der Wurff) in dezelfde bodemmonsters maakte duidelijk dat ook bij de
nematodengemeenschap effecten van metalen aannemelijk zijn. PICT bij bacteriële
gemeenschappen werd niet gevonden. Dit negatieve resultaat kan waarschijnlijk
toegekend worden aan het overheersende optreden van indirecte effecten of een
methodische tekortkoming.
De resultaten werden
geëvalueerd en geplaatst in een kader voor de ontwikkeling van een raamwerk
voor ecologische risicobeoordeling. Metaaleffecten op de
bacteriegemeenschappen kwamen voor bij monsters waarin lood en koper de
Interventiewaarden overschreden. Geconcludeerd werd dat er geen aanleiding
is om de Interventiewaarden te versoepelen, ook niet in het geval van het
Toemaakdek in De Ronde Venen. De veranderingen in de microbiële diversiteit
onder invloed van hoge metaalbelasting konden worden uitgedrukt in simpele
maten die geschikt zijn voor een ecologische risicobeoordeling. De technieken
CLPP, DGGE en PICT worden aanbevolen voor een “higher tier testing” bij
ecologische risicobeoordeling.
014.23.062 Dr. S.A.E. Kools
Het poldergebied in
de gemeente de Ronde Venen is op veel plaatsen verontreinigd met zware metalen
doordat men vroeger de veengrond ophoogde met stadsafval. De nu aanwezige bodem
onder de graslanden is feitelijk volledig door de mens gemaakt en niet
natuurlijk. Het wordt "toemaakdek" genoemd. Op verschillende plaatsen worden
behoorlijk hoge concentraties van metalen aangevonden. De concentratie van lood
overschrijdt veelvuldig de interventiewaarde, dat wil zeggen dat er een
noodzaak is tot sanering. Het hier uitgevoerde onderzoek stelde zich ten doel
om vast te stellen welke effecten de aanwezige verontreiniging had op het
ecologisch functioneren van de bodem.
Ecologische functies
worden meestal onderscheiden van ecologische structuur. Met het laatste wordt
de aanwezigheid van soorten bedoeld, inclusief hun biomassa, interacties en
voedselrelaties. Over het algemeen wordt aangenomen dat beschadiging van de
ecologische structuur, bijv. door afname van soortendiversiteit, negatieve
gevolgen heeft voor het ecologisch functioneren van een bodem omdat een zekere
mate van soortenrijkdom nodig is voor een goed verloop van bodemprocessen zoals
afbraak van organisch materiaal, nutriëntenmineralisatie en bodemvorming. Het
is echter niet zo dat alle soorten een gelijke of evenredige invloed hebben op
de bodemprocessen. Over het algemeen wordt verondersteld dat het verlies van
enkele soorten nog niet merkbaar is in het functioneren. Deze veronderstelling,
die in de internationale ecologische literatuur veel aandacht krijgt, vormde de
achtergrond van het onderzoek.
De aanpak van het
onderzoek maakte gebruik van zogenaamde terrestrische modelecosystemen (TMEs). Deze bestonden uit bodemkolommen waarvan er in het veld zo'n 80 voor één
experiment gestoken werden; deze kolommen werden in het laboratorium bij
constante luchtvochtigheid, temperatuur en licht opgesteld en er werd op veel
verschillende manieren aan gemeten. Onder andere werd in het laboratorium van
de Vrije Universiteit in het Instituut voor Ecologische Wetenschappen, gekeken
naar de bodemademhaling, de mineralisatie van stikstof, de afbraak van een
toegevoegd herbicide en de biomassa van een groot aantal bodembewonende
organismen. Ook werd bekeken of een bodem door de aanwezige vervuiling
kwetsbaarder was voor nieu aangebrachte stressfactoren
("stress-op-stress").
De TME-benadering
heeft als voordeel dat de laboratoriummetingen gestandaardiseerd en
reproduceerbaar zijn, terwijl er toch gekeken wordt naar een situatie die erg
lijkt op die in het veld. Het onderzoek had daarom een typisch "systeemgericht"
karakter, wat ook de bedoeling was in het programma "systeemgerichte
ecotoxicologie" van NWO, waarin het project viel. De kolommen werden gestoken
op plaatsen die van te voren in kaart gebracht waren, zodat de verschillen
tussen de TME-kolommen in de hand te houden waren. Door deze voor-screening
konden effecten gemakkelijker vastgesteld worden, omdat een brede reeks aan
vervuiling in de kolommen aanwezig was. Naast het TME-onderzoek werden
veldwaarnemingen verricht die aansloten bij het landelijk meetnet
bodemkwaliteit, dat door het RIVM gecoördineerd
wordt.
Uit het onderzoek
blijkt dat de biomassa van sommige groepen bodemdieren negatief beïnvloed wordt
door de vervuiling, waarschijnlijk vooral door het element lood. De dieren die
het meest te leiden hadden waren de potwormen, een groep van kleine, witte
wormen, behorend tot de familie Enchytraeidae (een zusterfamilie van de meer
bekende Lumbricidae, de regenwormen). Over potwormen is nog weinig bekend; desondanks zijn ze speciaal in verzuurde graslanden zeer dominant aanwezig en
numeriek belangrijker dan regenwormen. Naast de effecten op potwormen werden
ook effecten gevonden op verschillende activiteitsmetingen, zoals de meting
waarbij een staafje met gaatjes gevuld met een organische pasta in de bodem
gebracht wordt en gekeken wordt naar het openvallen van de gaatjes, wat een
maat is voor de afbraak van het organisch materiaal ("bait lamina"). Deze
uiterst simpele methode bleek heel goed bruikbaar en in verschillende
experimenten te reageren op vervuiling. Ook in de mineralisatie van stikstof
werden effecten gevonden. Naast deze min of meer duidelijk effecten werden ook
bij een groot aantal metingen geen effecten
gevonden.
De conclusie van het
onderzoek is dat het ecologisch functioneren van de toemaakdek in de Ronde
Venen op verschillende punten verstoord is. Die verstoringen worden
aangetroffen in situaties waarbij de interventiewaarde wordt overschreden. Bij
lagere concentraties worden echter geen effecten gevonden. Hiermee is wordt dus
bevestigd dat met de interventiewaarden een goede scheiding aangebracht kan
worden tussen situaties die niet en die wel ecologisch verontrustend zijn. Door
de enorme ruimtelijke variatie ontstaat in de praktijk een mozaïek van
pleksgewijze vervuiling en lokale effecten, die niet gelijkelijk over een kavel
verdeeld zijn, maar zich als een vlekkenpatroon
uitstrekken.
Ook opvallend is dat
de in het bodembeleid gehanteerde formules om concentraties van stoffen om te
rekenen naar een "standaardbodem" voor de toemaakdek niet lijken op te gaan. In
plaats dat met deze formules op een goede manier gecorrigeerd wordt voor het
kleigehalte en het gehalte organische stof, wordt juist een tegencorrectie
aangebracht. Normaal gesproken is er een positief verband tussen het
kleigehalte en de concentratie aan metalen, maar dit verband is in de
toemaakdek vaak negatief. Daarom wordt op basis van het onderzoek aanbevolen
het continusysteem voor bodemtypecorrectie niet toe te passen op de
toemaakdek.
Uit het onderzoek
volgen ook belangrijke implicaties voor de ecologische theorie. Zoals boven
vermeld, wordt meestal aangenomen dat er in een ecosysteem een onderscheid
aangebracht kan worden tussen de structuur van het systeem en zijn
functioneren. Gaat men in de praktijk meten dan blijkt dat onderscheid niet
altijd duidelijk te zijn. Zeker is het niet zo dat metingen gedaan op een hoger
hiërarchisch niveau (levensgemeenschap, ecosysteem) altijd ongevoeliger
reageren dan metingen op een lager niveau (populatie, individu). Uit het
onderzoek blijkt dat gekeken moet worden naar het aantal verschillende
onderliggende processen dat door een bepaald hiërarchisch niveau geïntegreerd
wordt. Het onderzoek laat zien dat de gangbare theorie over de indeling van
niveaus in de ecologie opnieuw bekeken moet worden.
014.23.063 Dr. A.W.G. van der Wurff
Het gebied de Ronde
Venen, polder Demmerik (52°13’ Noord 4°56’ Oost) is een grasland ecosysteem dat
gedomineerd wordt door m.n. engels raaigras (Lolium perenne) en smalbladig
weegbree (Plantago lanceolata). Het van oorspronkelijk veengebied werd
afgegraven vanaf de veertiende eeuw. Grote hoeveelheid duinzand en vuil uit de
grote steden gebruikt om de bodem op te vullen en te verstevigen om het
vervolgens in het gebruik te nemen voor landbouw. Dit heeft geresulteerd in een
mozaïek van vervuilde plekken met een mix van o.a. zware metalen en poly-
aromatische koolwaterstoffen (PAK). Vooral de zware metaal concentraties
overschrijden de waarden zoals vastgelegd in de Nederlandse
Bodembeschermingwet.
Onze resultaten laten zien dat de
nematoden gemeenschap, ondanks de ongelijkmatige verdeling van de vervuiling,
grosso modo in de Ronde Venen getekend is door de vervuiling (gemiddelde
Maturity Index = 2.18). Opvallend is dat er in het veld twee duidelijke
gradiënten (hiermee wordt Principal Component gradiënten bedoeld en geen
fysieke gradiënten in het veld) zijn gevonden die gerelateerd zijn aan een
verandering in nematode gemeenschappen, namelijk totale zink concentratie en
organische fractie. Beide gradiënten zijn negatief gecorreleerd.
De locale verschillen in zink
concentraties zijn gecorreleerd met subtiele verschillen in locale
gemeenschappen, zoals verschillen in aantallen van gevoelige soorten
(gevoeligheid van cp2 tot 5, waar
5 is meest gevoelig) zoals de plant parasieten Trichodorus (cp4) en
Tylenchorhynchus (cp3), de
bacterie-eter Alaimus (cp4) , de carnivoor Mononchus (cp4) en de omnivoor
Oxidirus (cp5).
De locale verschillen in de organische
fractie hebben invloed op een bepaalde groep bacterie-etende nematoden die
gekenmerkt worden door een snelle turn -over en relatief ongevoelig zijn voor
vervuiling (zgn. verrijkingsopportunisten van de nematode families Rhabditidae
en Dilpogastridae). De aantallen van deze nematoden hangt samen met de
aantallen van bacteriën (gemeten op basis van colony forming units
CFU).
Om te kijken of zink verantwoordelijk
is voor de verstoorde nematode gemeenschap is er een experiment uitgevoerd
waarbij extra zink werd toegevoegd aan de bodem. De gedachte hierachter is dat
als de nematoden gemeenschap lange tijd onder invloed heeft gestaan van zink,
er weinig verandert als er extra zink wordt toegevoegd. Dit idee staat bekend
onder de naam PICT (Pollution Induced Community Tolerance). Er zijn grond
kolommen gestoken en meegenomen naar het laboratorium (zgn. Terrestrial Model
Ecosystems, d.i. TME). Onder gecontroleerde omstandigheden zijn er eenmalig
hoge concentraties (1600 mg/Kg) zink toegevoegd aan een deel van de kolommen om
de reactie (gedurende 16 weken) te vergelijken met onbehandelde referenties. Daarnaast zijn er ook kolommen blootgesteld aan hitte (40oC in 24 uur). Dit is
gedaan om te kijken of nematode gemeenschappen die lange tijd hebben
blootgestaan aan zink extra gevoelig zijn met betrekking tot andere
verstoringen zoals verhoogde temperatuur bij een
klimaatsverandering.
Uit de analyse blijkt dat de nematode
gemeenschappen van zowel de relatief laag vervuilde plekken als wel de hoog
vervuilde plekken weinig reageren als er extra zink wordt toegediend. Dit geeft
aan dat een duidelijk PICT effect niet kon worden aangetoond. Deze uitkomst
komt overeen met bacteriestudies van Boivin et al. (Appl. Soil Ecol, accepted). Vermoedelijk is de verdeling in hoge en lage verontreiniging niet homogeen
genoeg. De diversiteit in reactie van de nematode gemeenschap compositie was
echter hoger in de laag vervuilde bodem.
De hitte schok veroorzaakte echter wel
een significant andere reactie tussen de nematode gemeenschappen van laag en
hoog vervuilde plekken. De structuur en de diversiteit in soorten namen sterk
af toen de gemeenschappen van hoog vervuilde locatie werd blootgesteld aan
hitte. Opvallend is dat ook de relatief ongevoelige soorten zoals de
verrijkingsopportunisten (Rhabditidae) sterk afnemen in abundantie. De relatief
ongevoelige plant parasitaire nematode Paratylenchus (cp2) floreert onder zowel
zink als wel hitte stress en neemt in hoge mate in aantal
toe.
