Integrating the results of system-oriented ecotoxicological research into a validated, operational ecological risk assessment toolbox for evaluating the influence of exposure from mixtures of toxic substances at the ecosystem-level
Hoofdaanvrager: Dr. L. Posthuma, RIVM, Laboratorium voor Ecotoxicologie
Aanleiding
Overschrijding van de milieukwaliteitsnormen voor toxische stoffen is in
Nederland schering en inslag. Grote oppervlaktes bodem en sediment bevatten
toxische stoffenmengsels, in concentraties boven de Streefwaarde. Hetzelfde
geldt voor de regionale wateren en rijkswateren van Nederland. Omdat preventie
in het verleden onvoldoende was, of omdat er buitenlandse bronnen zijn, is
risicobeheer nodig. Bij nieuwe en ernstige gevallen wordt de vervuiling
opgeruimd. Maar wat moet er gebeuren bij bestaande diffuse verontreinigingen
met cocktails van stoffen?
Deze vraag werd voor lokale beheerders steeds klemmender en urgenter. Welke effect hebben de cocktails op bodem, water en sediment? Welk effect zou er zijn op soorten uit het natuurbeleid, of op ecosystemen?
Deze vragen waren aan het eind van de vorige eeuw de aanleiding voor het starten van een onderzoeksprogramma, het Stimuleringsprogramma Systeemgericht Ecotoxicologisch Onderzoek (SSEO). In dit programma zijn veel onderzoekers op 3 verschillende locaties actief geweest, en er is een grote verzameling gegevens beschikbaar gekomen. Al die onderzoekers hebben zich specifiek gericht op onderwerpen die het lokale optreden van effecten van stoffen (kunnen) beïnvloeden zijn, varierend van de biologische beschikbaarheid van stoffen in het veld, via voedselketenanalyses en mengselseffecten, tot aan de diversiteit van optredende veldeffecten.
Integratie- en
validatiestudies
Aan het eind van het programma werden alle onderzoeksgegevens
samengevoegd, en werd de aandacht gericht op de integratie van alle gegevens. In het zogenaame integratie-onderzoek werden de samengevoegde gegevens nog eens
bekeken, nu met modellen die de overheid gebruikt bij de uitvoering van het
milieubeleid. Dit integratie-onderzoek werd uitgevoerd door een
onderzoeksconsortium van de Radboud Universiteit Nijmegen, Alterra, en RIVM,
samen met een groot aantal onderzoekers uit het programma, onder leiding van
RIVM. Via dit onderzoek werd bestudeerd of de modellen die gehanteerd worden
voor het kwantificeren van blootstelling of risico’s de door SSEO-ers gevonden
veldeffecten juist voorspelden.
Resultaat
De integrale beschouwing van de SSEO-gegevens toonde
in de allereerste plaats aan, dat de effecten van de cocktails van de
onderzochte stoffen overal verschillend zijn, zowel van aard als van omvang. Elke blootgestelde soort organismen (of functies) heeft een typerende eigen
gevoeligheid. Elk mengsel heeft typerende toxiciteitskenmerken. En elk
substraat (water-, sediment-, of bodemtype) heeft typerende sorptiekenmerken. Door de lokale, unieke combinaties van mengsel, substraat en blootgestelde
soorten varieren de effecten van de cocktails tussen geen effecten bij hoge
normoverschrijding tot gevoelige effecten bij geringe normoverschrijding. Via
de beschikbare modellen werden de
verschillende onderdelen van de oorzaak-gevolg keten bestudeerd. De modellen
blijken behulpzaam bij het inschatten van de lokale betekenis van een bestaande
verontreiniging. Door van de beschikbare modellen, tesamen met de overige
kennis en technieken (zoals metingen), een toolbox (gereedschapskist) samen te
stellen, kan het lokatiespecifieke risicobeheer ondersteund worden. Zonodig
gebeurt dit door de toepassing van de Weight of Evidence (WOE)-benadering,
waarbij de resultaten van verschillende Lines of Evidence (LOE’s) gecombineerd worden. Verschillende, bestaande LOE’s zijn (1) de kwantificering van lokale risico’s
door risicomodellering, (2) het uitvoeren bioassays met veldgrond,
veldsedimenten of watermonsters, en (3) het uitvoeren van ecologische
veldinventarisaties ter plekke) Het SSEO-programma heeft de ontwikkeling van
methodieken voor de ondersteuning van risicogericht, lokaal beheer een impuls
gegeven, omdat de onderzoekslijnen en de modelleeractiviteiten concrete
werkwijzen toegepast hebben die voor lokale beheerders (aantoonbaar) van belang
kunnen zijn.
Betekenis
Het integratie-onderzoek zal, via de betrokkenheid van
diverse overheidsinstituten, een concrete beleidsvertaling moeten krijgen. Deze
zal zich uitstrekken van het preventieve stoffenbeleid, via het lokale
risicobeheer, tot het natuur- en soortenbeleid. Op al deze beleidsterreinen
spelen problemen met toxische cocktails. Elke beleidsveld stelt daarbij eigen,
typerende vragen. Om deze vragen goed te beantwoorden dient een getrapte
methodiek beschikbaar te komen om de risico’s van de mengsels, gegeven de
specifieke vragen, te beoordelen. Eenvoudige vragen van preventieve aard worden
met eenvoudige en goedkope methodes beantwoord, en de uitkomsten daarvan zijn
naar de aard van de vraag conservatief (dat wil zeggen: bij onzekerheid wordt
gekozen ‘aan de veilige kant’). Complexere, lokatie- of soort- of
ecosysteemspecifieke vragen kunnen met complexere en duurdere methodieken
beantwoord worden, maar geven dan ook beter – minder conservatief – inzicht
voor milieuhygiënisch verantwoord
en kosteneffectief risicobeheer. Het SSEO-programma ondersteunt de ontwikkeling
van de getrapte toolbox in algemene zin, doordat de resultaten van het
SSEO-onderzoek zo’n grote variabiliteit aan responsies toonden. Specifiek leidt
de in dit project ontwikkelde toolbox tot een aanmerkelijke
verfijning/verbetering van de risico-beoordeling, zowel voor preventief
stoffenbeleid als curatief milieu/water/bodembeleid. Dit betekent dat we beter
dan voorheen de prioriteiten voor te verbieden stoffen en te saneren locaties
kunnen stellen, en het biedt ook een veel betere basis voor
risicocommunicatie.
