Interactions between nutrients and contaminants in flood plain lake ecosystems
Hoofdaanvrager: Prof. Dr. A.A. Koelmans,
Wageningen Universiteit, Leerstoelgroep Aquatische ecologie
en waterkwaliteitsbeheer
Resultaat van het programma
014.23.010
Uiterwaardplassen zijn verontreinigd met
vele toxische stoffen, hebben een complexe hydrologie en komen in verschillende
trofietoestanden voor. Deze factoren beinvloeden het functioneren van het
ecosysteem maar het is niet duidelijk op welke wijze dit gebeurt en welke
interacties daarbij van belang zijn. Het uitgevoerde onderzoekprogramma had tot
doel de interacties te analyseren, nieuwe kennis te genereren en de resultaten
te gebruiken voor de verbetering van instrumenten voor het beheer, bijvoorbeeld
modellen. Het werk werd gemotiveerd vanuit de beheersmaatregelen die gepland
zijn voor het rivierengebied, zoals rivierbedverruiming en daarmee verhoging
van de overstromingsfrequentie. Het programma heeft laten zien dat de
trofiegraad van Nederlandse uiterwaardplassen (via voedselkwaliteit), in
samenhang met bepaalde toxicanten, een grote invloed
In model-ecosysteem experimenten die de
ecologische en chemische condities in uiterwaardplassen nabootsten, werd de
voor benthische macrofauna beschikbare concentratie aan PCBs met 40% verlaagd
door de aanwezigheid van waterplanten. Zij kunnen dus een groot deel van de
potentieel beschikbare toxicanten uit het sediment mobiliseren. Effecten op
systeem niveau kunnen goed gemodelleerd worden met het SSD
modelinstrumentarium. In gecontroleerde ecosysteemexperimenten bleek dat de
gevoeligheid van de levensgemeenschap voor acute stressoren niet meetbaar
toeneemt bij sediment met een verontreinigingsgraad zoals die van de
Nederlandse uiterwaardplassen.
Resultaat van de individuele
projecten
Onderzoeker:
Mw. Ir. C.T.A. Moermond Loopduur: 01-07-2000 tot 30-06-2005
Ir. I. Roessink Loopduur: 01-10-2000 tot 30-09-2004
Mw. Dr. E.M. de Haas Loopduur: 01-07-2000
tot 30-06-2004
014.23.011 Mw. Ir. C.T.A. Moermond
In uiterwaarden zijn nog
veel giftige stoffen aanwezig die er vooral in de zeventiger jaren met het
rivierslib zijn afgezet. De vervuiling van het rivierslib met bijvoorbeeld PAK’
s (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) en PCB’s (polychloorbiphenylen)
is weliswaar sterk verminderd, maar omdat deze stoffen niet of zeer langzaam
afbreken, zijn ze wel nog steeds in de uiterwaarden aanwezig. Deze stofgroepen
staan in het onderzoek model voor een veel groter aantal POPs die in de
uiterwaarden aanwezig zijn. Voor de beheerders is een belangrijke vraag of
zulke stoffen beschikbaar zijn voor de daar aanwezige diersoorten. Veel
uiterwaard-plassen en andere oppervlaktewateren in Nederland worden gedomineerd
door bodemwoelende vis, zoals brasem. Doordat deze vissen het sediment flink
opwoelen als ze naar eten zoeken en daarbij ook veel sediment opnemen, worden
deze vissen blootgesteld aan de in het sediment aanwezige verontreinigingen. Dit maakt de vraag of sediment-gebonden verontreinigingen wel of niet
beschikbaar zijn voor opname in vissen zeer actueel. Bovendien speelt dan ook
de vraag mee of de beschikbaarheid juist ook wordt beïnvloed door de
aanwezigheid van deze bodemwoelende vis en/of andere ecologische structuren,
iets waarmee bij de inrichting van uiterwaarden rekening gehouden kan
worden.
Naarmate de tijd vordert,
komen de verontreinigingen steeds vaster in het sedimentdeeltje te zitten,
waardoor de beschikbaarheid voor dieren of planten afneemt. Ook door zeer
sterke binding aan roet en kooldeeltjes of verweerde olie-residuen, kan een
deel van de aanwezige organische verontreinigingen slecht beschikbaar worden. Bij normale sedimentanalyses worden alle PCB-fracties ‘losgeweekt’
(geëxtraheerd) van het sediment. Het is echter ook mogelijk om met behulp van
een absorberend materiaal zoals Tenax korrels alleen de snel desorberende
fractie te extraheren en vervolgens te analyseren. Deze methode is mede door
het RIZA ontwikkeld, en in het huidige onderzoek uitgebreid getest op
ecologische relevantie.
De doelstellingen van het
onderzoek in het hier beschreven project
zijn:
(1) Het meten en modelleren
van de opname van PCB’s door bodemwoelende vissen in veld enclosures met
verschillende nutriëntbelastingen
(2) Het bepalen van
beschikbare fracties van PCB’s en PAH’s in het
sediment.
(3) Het onderzoeken van de
lotgevallen en beschikbaarheid van PCB’s en PAH’s in uiterwaard-plassen met
verschillende ecologische structuren tijdens verschillende
seizoenen.
(4) Het onderzoeken van de
opname van PCB’s en PAH’s in modelecosystemen met verschillende ecologische
structuren, waarbij aan verontreinigd uiterwaardsediment nieuwe
verontreinigingen zijn toegevoegd om te bepalen wat het effect is van de
contacttijd tussen verontreiniging en
sediment.
(5) Het ontwikkelen en
verbeteren van modellen om de bioaccumulatie van organische verontreinigingen
te beschrijven.
De resultaten van
veld-enclosure experimenten wijzen erop dat bodemwoelende vissen in enkele
weken tijd, aanzienlijke hoeveelheden organische microverontreinigingen vanuit
het sediment opnemen. Deze internal loading is belangrijk: Ondanks het
feit dat de waterkwaliteit de afgelopen jaren sterk verbeterd is, de
verontreinigingen al minstens decennia in het sediment aanwezig zijn en met de
tijd minder beschikbaar zijn geworden, is de opname van bijvoorbeeld PCB’s in
de aquatische voedselketen nog steeds substantieel. De toevoeging van
nutriënten aan de enclosures verhoogde de opname van PCBs. Dit is een directe interactie tussen
nutrienten-belasting en risico’s
van organische
micro-verontreinigingen.
Een redelijk grote fractie
van deze verontreinigingen is echter niet beschikbaar voor opname. De wel
beschikbare fractie kan gemeten worden met solid phase extracties, zoals de
Tenax extractie methode. Gebleken is dat de Tenax-methode een veel betere
voorspelling oplevert van PCB opname door bodemwoelende vissen in de veld
enclosures dan meting van het totaalgehalte van PCB’s in sediment. In
model-ecosysteem experimenten is voor andere belangrijke biologische
compartimenten die in uiterwaard plassen aanwezig zijn, de voorspellende waarde
van Tenax extracties onderzocht. Tenax extracties zijn dan in staat
beschikbaarheid slechts ten dele te verklaren. Voor PCBs wordt vooral voor
macrofyten, perifyton en invertebraten een redelijk resultaat bereikt. Voor
PAKs zijn de resultaten iets beter; bij macrofyten, perifyton, invertebraten,
en drijvende algen correleert opname doorgaans beter met Tenax- dan met
Soxhlet-geextraheerde (‘totaal’) concentraties. Opvallend is dat in deze laatstgenoemde experimenten, Tenax
niet altijd een duidelijke verbetering voor vis opleverde. Dit kan verklaard
uit verschillen in blootsellingscondities tussen de vis in veld-enclosures, en
in indoor model ecosystemen.
De invloed van seizoenen en
van de ecologische structuur, zowel als de invloed van de soorten-samenstelling
van de benthische levensgemeenschap, blijken in drie verschillende uiterwaard
plassen slechts een kleine, (maar statistisch significante) invloed te hebben
op de op lipiden genormeerde accumulatie van organische verontreinigingen
(BSAF). Het verschil is mechanistisch interessant, maar niettemin te klein om
in de manier van risico analyse tussen ecologische structuren te
differentieren. Ook dit is een belangrijk resultaat.
Een beter gecontroleerd modelecosysteem-experiment liet echter zien dat
inrichting van de cosms wel significante effecten had op de bioaccumulatie van
PCBs in oligochaeten en in zooplankton. Deze kennis draagt bij aan beter
inzicht in de effecten van de inrichting van aquatische ecosystemen
(bijvoorbeeld uiterwaardplassen) op de risico’s van biomagnificatie in
top-predatoren (vissen, vis-etende vogels). De aanwezigheid van macrofyten in
het testsysteem leidt tot een lagere concentratie en dus risico’s, van
sediment-gebonden verontreinigingen in evertebraten en vis. Dit heeft een
belangrijke beheersimplicatie. Immers, het stimuleren van waterplanten in
uiterwaardplassen zal dan mogelijk leiden tot een lagere biobeschikbaarheid van
sediment-gebonden contaminanten voor evertebraten en vis.
Er waren grote verschillen
in bioaccumulatie tussen de verschillende stoffen, zowel in het
veld als in de model ecosysteem experimenten. Bioaccumulatie van PAK’s was veel
geringer dan die van PCB’s, door de aanwezigheid van ‘roet-achtige’ stoffen in
het sediment (10-15% van total organic carbon in Nederlands rivier sediment). Deze stoffen binden de pyrogene PAK’s in veel belangrijkere mate dan PCB’s. Uit
deze nieuwe gegevens, en uit eerdere gegevens uit onze groep blijkt dat dit
remmende effect van roet (‘hard carbon’) op bioaccumulatie en biologische
beschikbaarheid erg belangrijk is voor de risico-analyse van sediment-gebonden
organische stoffen in het rivierengebied. Een belangrijke beheersimplicatie is
dat normen voor PCBs en PAKs in waterbodems wellicht onnodig veilig zijn, omdat
de binding aan sediment veel sterker is dan evenwichts-partitie doet
veronderstellen.
Een ander verschil tussen PCBs en PAKs is
dat de laatste door bijvoorbeeld vissen afgebroken worden, terwijl dat voor PCB’
s niet het geval is.
De contacttijd tussen de
verontreiniging en het sediment bleek met name voor de benthische organismen
een grote invloed te hebben op de bioaccumulatie. Stoffen die al langer in het
sediment zitten (zoals in uiterwaardsediment het geval is) bleken beduidend
minder beschikbaar (zowel met Tenax-extracties als voor opname door biota) dan
stoffen die pas onlangs aan het sediment zijn toegevoegd.
Met de resultaten van dit onderzoek zijn bioaccumulatie modellen
opgesteld. Hierin is ook opname van sediment-gebonden verontreinigingen in het
maag-darm kanaal als route opgenomen, en is de biobeschikbaarheid van de
verontreiniging gemodelleerd met Tenax-extraheerbare fracties en de
aanwezigheid van roet in het sediment. Deze modellen geven duidelijk betere
resultaten dan de conventionele bioaccumulatie
modellen.
Deze inzichten geven aan dat
bij de risicobeoordeling van stoffen rekening gehouden moet worden met meer dan
alleen de totaal aanwezige concentraties. Ook het roetgehalte in het sediment,
en de tijd dat een stof in het sediment aanwezig is spelen een grote rol bij de
daadwerkelijke opname door organismen. Met de soorten-samenstelling van de
benthische gemeenschap, seizoensinvloeden en de ecologische structuur
hoeft wellicht minder rekening gehouden te
worden.
Aangezien in Nederland
bodemwoelende vissen zoals brasem veel voorkomen, is sediment als opnameroute
in normstelling en modelberekeningen voor zowel de benthische gemeenschap als
de bodemwoelende vis erg belangrijk. Het meten van beschikbare, snel
desorberende fracties en het opnemen van binding aan ‘hard carbon’ in
bioaccumulatiemodellen kan een goede aanvulling zijn om van een worst case
blootstellingsscenario naar een realistisch scenario te komen.
014.23.012 Ir. I. Roessink
De (her)inrichting van zgn. natuurgebieden langs de rivieren kan met bepaalde problemen te kampen krijgen. Een van deze problemen heeft te maken met de situering van deze natuurgebieden. Daar tot vrij recent de rivieren erg vervuild waren is er in de Nederlandse
delta slib afgezet dat verontreinigd is met (o.a.) persistente organische
verontreinigingen (POPs, zoals PCBs en PAKs) en zware metalen. De laatste
decennia echter is de waterkwaliteit van de grote rivieren sterk verbeterd en
zijn de ‘vervuilde’ lagen afgedekt met een relatief schone laag slib die deze
verontreinigingen min of meer afsluit van het aquatische mileu. Echter, wanneer
er werkzaamheden in het kader van natuurontwikkeling plaatsvinden in de
uiterwaarden kunnen de afgedekte ‘vervuilde’ lagen weer in contact komen met
het aquatische milieu, wat ongewenste effecten met zich mee zou kunnen brengen. Dit onderzoek heeft getracht duidelijkheid te verschaffen over de actuele
risico’s van dit type verontreinigde waterbodems. Het onderzoek richtte zich op
(a) hoe sediment-gebonden verontreinigingen zich vanuit het sediment door een
aquatische ecosysteem kunnen bewegen, (b) wat de invloed is van dergelijke
sediment-gebonden vervuiling op het reageren van een aquatische gemeenschap op
een additionele stress, (c) of het voor de reactie op een additionele stressor
uitmaakt of het aquatisch systeem zeer voedselrijk (eutroof) of minder
voedselrijk (mesotroof) is en (d) of recente en/of historische vervuiling de
kolonisatie van bentische macroinvertebraten vanuit schone locaties naar
‘vervuilde’ sedimenten beinvloed.
Een experiment naar
verdeling en stofstromen van organische microverontreinigingen (PAK/PCB) in
modelecosystemen met uiterwaard-sediment is succesvol uitgevoerd. Het
experiment liet zien dat veroudering (‘ageing’) en binding van
verontreinigingen in het sediment leidt tot een lagere biologische
beschikbaarheid en minder verspreiding in het voedselweb. Daarnaast liet het
experiment zien dat inrichting van de cosms (macrofyt gedomineerd, fytoplankton
gedomineerd, macrofyt gedomineerd+vis, fytoplankton gedomineerd+vis) wezenlijke
effecten had op de bioaccumulatie van polychloorbiphenylen in oligochaeten en
in zooplankton. Deze kennis draagt bij aan beter inzicht in de effecten van de
inrichting van aquatische ecosystemen (bijvoorbeeld uiterwaardplassen) op de
risico’s van biomagnificatie in top-predatoren (vissen, vis-etende vogels).
Vervuiling in het sediment
kan dus een belasting vormen voor organismen. Als er een additionele stress
optreedt kan de eerstgenoemde belasting vanuit het sediment er net voor zorgen
dat organismen wel of niet kunnen overleven (het z.g.n. stress-op-stress
principe). Experimenten naar de invloed van dergelijke sediment-gebonden
verontreinigingen op de reactie van aquatische levensgemeenschappen op een
additionele stressor lieten zien dat verschil in sediment (vervuild of schoon)
bepaalde wat voor levensgemeenschap zich kon ontwikkelen. Hoewel deze
levensgemeenschappen verschilden, bevatten ze beiden groepen organismen die
gevoelig waren voor de additionele stressor (in dit geval het fungicide
triphenyltin-actetaat). Zowel platwormen, wormen, kreeftachtigen, insecten,
algen en hogere waterplanten waren gevoellig voor het fungicide, terwijl
bentische nematoden geen respons vertoonde. In alle, behalve de laagste
concentratie (1 μg/L), konden de verschillende gevoellige groepen zich niet
meer herstellen gedurende de duur van het experiment (40 weken). Hoewel er
enige verschillen waren in intensiteit en/of duur van TPT gerelateerde effecten
op de twee verschillende sedimenten was de algemene gevoeligheid van beide
levensgemeenschappen gelijk. Echter, op het vervuilde sediment was de snelheid
van het herstel van de macroinvertebraten en zooplanktongemeenschap iets hoger. De invloed van sedimentkwaliteit (vervuild of schoon) beperkte zich echter tot
de structurering van de levensgemeenschap en beinvloedde de gevoeligheid van
deze gemeenschappen voor additionele TPT-stress
niet.
Een verschillende trofische
toestand (voedselrijkheid) van het ecosysteem heeft tot gevolg dat er andere
levensgemeenschappen voor komen (o.a. meer algen gedomineerd in voedselrijke en
meer waterplanten gedomineerd in voedselarmere omstandigheden). In zeer
voedselrijke systemen zijn vaak armere levensgemeenschappen te vinden en deze
worden vaak verondersteld robuster te zijn. Deze verschillende
levensgemeenschappen kunnen een zeer andere gevoeligheid hebben en anders
reageren op stress. Experimenten lieten zien dat in onze systemen inderdaad
verschillende levensgemeenschappen voorkwamen. Niet alleen verschilden deze
gemeenschappen in planten (algen vs. macrofyten) maar ook in
soortensamenstelling m.b.t. macrofauna en zooplankton. Bij het optreden van een
additionele stress in het systeem (bespuiting met een insecticide) bleek dat de
hoeveelheid algen (eutroof) evenveel insecticide uit de waterfase ‘wegving’ als
de waterplanten, waardoor de blootstellingsconcentraties voor de overige
organismen in beide systemen gelijk waren. In eerste instantie werden er vooral
effecten waargenomen op arthropoden, het meest gevoellige organisme was de
spookmug Chaoborus obscuripes. Ecologische drempelwaarden waren gelijk in beide systemen. Effecten van kleine
en/of tijdelijke aard werden waargenomen bij lage concentraties van het
insecticide (10 hg/L) terwijl er bij concentraties boven 25 hg/L een
duidelijke gemeenschapsrespons werd waargenomen. Verschillen tussen systemen
werden waargenomen bij herstel na het moment van stress (ging langzamer in het
mesotrofe, waterplanten gedomineerde systeem) en bij indirecte effecten (de
toename van rotiferen en ander zooplankton waren sterker in de eutrofe, algen
gedomineerde systemen).
Of organismen vervuilde
systemen opnieuw koloniseren als ze daartoe de mogelijkheid hebben kan o.a. afhangen van het feit of er voldoende voedsel aanwezig is om de mogelijk
nadelige effecten van verontreinigingen te compenseren. Experimenten laten zien
dat een recent toegevoegde zink vervuiling een sterk structurende invloed heeft
op de organismen die deze sedimenten kunnen koloniseren. Het toedienen van
extra voedsel heeft niet tot gevolg dat er meer soorten op de vervuilde
sedimenten kunnen leven, maar heeft eerder tot gevolg dat de soorten die er al
voorkomen in aantal toenemen. Experimenten met historisch vervuild sediment
laten zien dat in deze gevallen de organische microverontreinigingen (o.a. PAKs) in het sediment een belangrijke factor zijn. Het toevoegen van extra
voedsel geeft in deze gevallen een minder duidelijk effect daar veel van deze
sedimenten al van origine voedselrijk zijn. Als deze sedimenten naar
vervuilingsklasse gerangschikt worden blijkt dat de kolonisatie hier beter
verloopt dan op de sedimenten met toegevoegde zink. Naar alle
waarschijnlijkheid zijn substantiele grote fracties van deze ‘oude’
veronteinigingen zo goed gebonden aan het sediment dat ze minder beschikbaar
zijn voor de organismen en daardoor minder effect
hebben.
Samenvattend kan gesteld
worden dat uit deze experimenten blijkt dat ‘verouderde’ toxicanten in het
sediment minder mobiel zijn. In deze studie kon een merkbare bijdrage tijdens
een zogenaamde ‘stress-op-stress’ gebeurtenis niet worden aangetoond. Een deel
van deze verontreinigingen is echter wel beschikbaar en accumuleert in het
voedselweb. Deze verontreigingen hebben samen met nutrienten wel een
structurende invloed op de invertebratengemeenschap in het aquatisch milieu. Deze invloed leverde echter geen meetbaar verschil in de gevoeligheid van deze
gemeenschap voor de gebruikte additionele
stressor.
014.23.013 Dr. E.M. de
Haas
Hoe overleven ongewervelde bodembewoners
in verontreinigd sediment?
E.M. de Haas, M.H.S. Kraak, A.A. Koelmans
en W. Admiraal
De geschiktheid van een sediment voor
bodembewonende ongewervelde organismen wordt bepaalt door een groot aantal
factoren, zoals de structuur van het sediment, de beschikbaarheid van voedsel,
de aanwezigheid van predatoren, competitie met andere soorten en eventuele
vervuiling. De effecten van deze verschillende, gelijktijdig opererende
factoren zijn onderzocht op twee bodembewonende modelsoorten: een haft en een
dansmug. Uiteindelijk werd geëvalueerd of de invloed van gecombineerde factoren
op de modelsoorten op individueel niveau, de aanwezigheid van populaties in het
veld kan verklaren.
Eerst werd de reactie van beide
modelsoorten op natuurlijke sedimenten onderzocht. Zeven meren gelegen in de
uiterwaarden van de Waal, een tak van de Rijn, die verschilden in
voedselrijkdom en vervuilingsgraad, werden geselecteerd. De respons van de
testorganismen op de sedimenten verschilde sterk. De haft werd geremd door de
aanwezige toxicanten, onafhankelijk van het voedsel in de sedimenten. De
dansmug werd nauwelijks beïnvloed door de aanwezige toxicanten en reageerde
positief op de voedselrijkdom van de sedimenten. De dansmug is echter niet per
definitie tolerant voor toxicanten, maar het verhoogde voedselaanbod heeft –
tot een bepaald contaminatieniveau - de overhand op de potentiële negatieve
effecten van de toxicanten. In experimenten waarin dansmuglarven telkens tussen
twee sedimenten konden kiezen, vertoonden de larven een duidelijke voorkeur
voor sedimenten met een hogere voedselkwaliteit. Deze voorkeur was sterker dan
de vermijding van sedimenten met een hogere vervuilingsgraad. De
voedselkwaliteit in sedimenten is dus de drijvende kracht in de selectie van
een geschikte leefomgeving door dansmuglarven, zelfs als dit resulteert in een
verhoogde blootstelling aan toxicanten. Geconcludeerd werd dat de
voedselrijkdom van een ecosysteem het risico van vervuiling voor bodembewonende
ongewervelden op een soort-specifieke manier beïnvloedt.
Om de ecologische relevantie van de studie
te vergroten werd geanalyseerd of de respons van dansmuglarven in laboratorium-
en veldtesten overeenkwamen met de aanwezigheid van (verwante) dansmuggen in
het veld. In deze veldstudie werden in sedimenten met een hoge vervuilingsgraad
hoge dichtheden dansmuggen aangetroffen. De laboratoriumtesten bevestigden dat
de vervuilingsgraad in de geteste sedimenten geen effect had op de dansmug. Wel
werden er meer afwijkingen aan de kaken waargenomen naarmate de sedimenten meer
vervuild waren. Hieruit blijkt dat dansmuglarven kunnen overleven in sterk
vervuilde, voedselrijke sedimenten, waar de competitie met andere organismen
laag is.
Tenslotte zijn de soort-specifieke reacties
van de twee modelorganismen op een aantal omgevingsfactoren en biotische
interacties vergeleken. De verschillende reacties van de modelsoorten toonden
aan dat de aanwezigheid van bodembewonende ongewervelde organismen vaak
gebonden is aan een reeks van karakteristieken. Dit onderzoek heeft niettemin
aangetoond dat de vervuilingsgraad in een aantal meren in de uiterwaarden van
de Rijn de belemmerende factor kan zijn voor bodembewonende insecten, zoals de
haft. In de meeste gevallen zijn het echter combinaties van factoren die de
aanwezigheid van bodembewonende ongewervelde organismen bepalen. Deze
gecombineerde factoren kunnen limiterende condities veroorzaken voor bepaalde
soorten, maar indirect weer de aanwezigheid van andere soorten bevorderen,
zoals waargenomen voor de dansmug. Ook al veroorzaakt sedimentvervuiling
toxische stress (vervormde kaken), de afwezigheid van minder tolerante
concurrerende en prederende soorten leidt tot een verhoogde
voedselbeschikbaarheid voor dansmuglarven waardoor ze in staat om in deze
sedimenten te overleven.
Een vergelijking van de concentraties van
toxicanten in de sedimenten met de sedimentkwaliteitsrichtlijnen toont aan dat
in enkele van de in dit proefschrift geteste sedimenten de minimum
sedimentkwaliteitseisen worden overschreden. In deze sedimenten werden de
overleving en de groei van de haft ernstig gereduceerd. Hoewel er geen effecten
werden waargenomen op de overleving van de dansmug, is er een verhoogde
frequentie van misvorming van de kaken geconstateerd na blootstelling aan deze
sedimenten. Uit dit onderzoek blijkt echter, dat zelfs bij aanwezigheid van
concentraties van stoffen beneden de minimum sedimentkwaliteitseisen de
effecten van sedimentgebonden toxicanten op haften en dansmuggen niet
uitgesloten kunnen worden. Ook werden maar in één van de onderzochte
uiterwaardplassen gevoelige soorten, zoals haften en kokerjuffers, waargenomen. Deze studie toont dus aan dat concentraties van toxicanten beneden huidige
sedimentkwaliteitseisen nog altijd een waarneembaar ecologische effect kunnen
veroorzaken op gevoelige bodembewonende ongewervelde
organismen.
Producten
| Mw. Ir. C.T.A. Moermond | Ir. I. Roessink | Mw. Drs. E.M. de Haas |
| Artikel H2O | ||
