Soil functioning and species redundancy in contaminated soils; the relevance of environmental heterogeneity
Hoofdaanvrager: Dr. J.H. Faber, ALTERRA, Afdeling Ecologie en RuimteOnderzoeker:
Mw. Drs. D.A. Heemsbergen Loopduur: 01-07-2000 tot 01-07-2004
Resultaat van het project In de uiterwaarden van de grote
rivieren zijn de komende jaren vele inrichtingsmaatregelen voorzien in het
kader van veiligheidsbeleid en natuurbeleid. De uitvoering van grootschalig
grondverzet stuit op de aanwezigheid van grote hoeveelheden verontreinigde
grond. De ecologische risico´s die dat met zich meebrengt voor
natuurontwikkeling zijn onduidelijk omdat onder meer verontreinigingen
heterogeen verspreid zijn. Bodemverzet en verontreiniging hebben potentieel een
effect op de aanwezige bodemfauna. Indien het functioneren van bodemfauna
negatief wordt beinvloed door de vervuiling kan dit leiden tot verlaagde
incorporatie en afbraak van organisch materiaal in de bodem, wat weer een
negatieve invloed kan uitoefenen op de vegetatie. Dit onderzoeksproject heeft onderzocht hoe het functioneren van
bodemfauna wordt beinvloed door de aanwezigheid van de vervuiling. Dit werd
uiteengezet in 2 hoofdlijnen qua onderzoek. Eerste onderzoekslijn was het
bestuderen van het effect van bodemfauna op bodemprocessen; welke groep van
bodemfauna (pissebedden, wormen en miljoenpoten) speelt een grote rol in de
afbraak van organisch materiaal; hoe belangrijk is de soortenrijkdom in
bodemfauna; welke interacties vinden er plaats tussen soorten als het gaat om
afbraakprocessen. Hiervoor werd in het laboratorium een experiment uitgevoerd
met microecosystemen waarbij de veldsituatie wordt nagebootst onder
gecontroleerde omstandigheden. Acht verschillende soorten werden gebruikt die
ook in het veld voorkwamen en ze werden in verschillende combinaties in de
micro-ecosystemen geplaatst, of individueel. De resultaten laten zien dat een
pissebed heel anders is dan een regenworm als het gaat om het effect op
bodemprocessen. Maar binnen de groep van de wormen bleek ook een duidelijk
verschil te bestaan tussen soorten. De regenworm Lumbricus rubellus blijkt een relatief grote bijdrage te leveren
aan deze processen, en kan daarom worden beschouwd als een sleutelsoort voor
graslanden in uiterwaarden. In
micro-ecosystemen met een gering aantal strooisel en grond etende soorten gaf
een verhoging van het aantal soorten een sterke stimulans aan bodemprocessen
als stikstofmineralisatie, strooiselfragmentatie en verrijking van organisch
materiaal in de bodem. Bij verdere verhoging van het aantal soorten werd echter
nauwelijks meer effect vastgesteld. De toename van soorten heeft een positief
effect maar dit effect wordt steeds minder belangrijk bij hoge soortsaantallen. Dit houdt niet in dat bij hoge soortenrijkdom soorten zomaar zonder gevolgen
kunnen verdwijnen. Met verschillende soortencombinaties in deze
micro-ecosystemen werden interacties tussen soorten aangetoond, zowel positieve
interacties (de aanwezigheid van soort A doet het functioneren van soort B
toenemen) als competitie (soort A en B zitten elkaar in de weg). Positieve of
negatieve interacties tussen soorten op bodemprocessen konden worden voorspeld
met het ‘functional niche concept’. Het functional niche concept kwantificeert hoe verschillend of gelijk soorten
zijn als het gaat om effecten op bodemprocessen. Soorten die niet op elkaar
lijken qua effect op bodemprocessen hebben positieve invloed op elkaar, terwijl
soorten die sterk op elkaar lijken een negatieve interactie vertonen. Dit
effect van interacties tussen soorten werd waargenomen bij belangrijke
bodemprocessen als microbiële activiteit (bodemademhaling), de inbreng van
organisch materiaal in de bodem, en de mineralisatie van
stikstof.
De tweede hoofdlijn in het onderzoek
ging uit naar de betekenis van heterogene bodemkwaliteit voor de aanwezigheid
en het functioneren van de bodemfauna. In de uiterwaarden ligt de
bodemverontreiniging niet direct aan het bodemoppervlak, maar is afhankelijk
van de sedimentatiesnelheid te vinden op enkele centimeters of decimeters
diepte. Niet alle bodemdieren zullen daarom in dezelfde mate worden
blootgesteld. Er werd in het veld en in het laboratorium onderzoek gedaan. In
de Afferdensche en Deestsche Waarden werd gedurende 3 jaar een
monitoringsprogramma uitgevoerd, waarbij vier locaties met verschillende
diepteprofielen van vervuiling werden geïnventariseerd op regenwormen,
pissebedden, en andere zgn. detritivore (strooisel en grondetende) bodemdieren. De onderzochte locaties betroffen een schoon bodemprofiel, een diep
verontreinigd profiel (dieper dan 15 cm -mv), een oppervlakkig verontreinigd
profiel (tot 20 cm -mv) en een totaal verontreinigd profiel (tot 40 cm –mv). Direkte aanwijzingen voor effecten van de vervuiling op de bodemfauna werden
niet gevonden. Ontwijking van verontreinigde bodemlagen werd ook niet
waargenomen in het veld. De aantallen individuen van verschillende soorten
regenwormen leken wel samen te hangen met het type bodemprofiel. De regenworm
A. caliginosa had hoge biomassa op
schone locaties, terwijl de regenworm A. chlorotica hoge biomassa had in vochtigere, en meer vervuilde locaties. Echter, deze verschillen waren waarschijnlijk toe te schrijven aan het hogere
vochtgehalte in de bodem, aangezien A. chlorotica een vochtminnende soort is. Ook het herstel van de populaties
van bodemfauna na droogte of kou was niet negatief beïnvloed door
verontreiniging, noch de locatie in vervuiling. In het najaar was regenworm
biomassa gecorreleerd met regenval, wat aangeeft dat vochtgehalte in de bodem
een limiterende factor is voor herstel van de populatie na zomerdroogte. In het
voorjaar was de biomassa gecorreleerd aan de minimum temperatuur in mei, wat
suggereert dat de bodemtemperatuur, en dus activiteit en metabolisme, de
limiterende factor lijkt te zijn voor herstel van regenworm populaties na
winterkou en overstroming.
De resultaten in het veld gaven aan
dat de aanwezige verontreiniging geen effect heeft op bodemfauna of dat
variatie in omgevingsfactoren als bodemvocht en klimaat eventuele effecten van
vervuiling op bodemfauna hebben gemaskeerd. Een micro-ecosystemen proef werd
daarom opgezet in het laboratorium om onder gestandardiseerde
klimaatomstandigheden het effect van vervuiling te onderzoeken. De vier
profielen van bodemverontreiniging werden op verkleinde schaal nagebootst en
drie soorten werden getest; een diepgravende, grondetende regenworm, een
oppervlakkig-gravende, strooiseletende regenworm en een oppervlak bewonenden,
strooiseletende pissebed. Er waren geen observaties van ontwijkgedrag van
vervuilde lagen door de regenwormen, noch waren er indicaties in graafgedrag of
het gehalte organische stof van de bodem dat een verandering in functioneren
van de dieren zou indiceren. Echter, er werd een direct effect van de
verontreiniging op bacteriën en schimmels gevonden, waarbij ook bodemademhaling
en nitraatproductie geremd waren. In aanwezigheid van regenwormen werden deze
negatieve effecten voor een groot deel gecompenseerd door de stimulerende
werking van regenwormen op de activiteit van microorganismen, al bleven
bodemademhaling en nitrificatie iets verlaagd.
Het feit dat er geen direct effect
van bodemverontreiniging op biomassa van regenwormen is gevonden, valt
waarschijnlijk toe te schrijven aan de ouderdom van de vervuiling en de kleiïge
bodem van het uiterwaardengrasland. Totaalgehalten van contaminanten in de
bodem zijn niet altijd indicatief voor ecologische risico’s. De biologische
beschikbaarheid van die contaminanten hangt sterk samen met het bodemtype en
hoe lang de stoffen al in de grond aanwezig zijn. Kleideeltjes en organisch
materiaal binden de contaminanten sterk, waardoor bodemdieren minder worden
blootgesteld, minder stoffen opnemen, en daardoor minder toxische effecten
ondervinden. Mettertijd zullen niet gebonden contaminanten uitspoelen naar
diepere lagen. Hierdoor blijven sterk gebonden contaminanten over, zodat de
blootstelling in de tijd vermindert. Dit neemt niet weg dat de resterende
bodemverontreiniging in deze inactieve vorm zeer lang aanwezig zal blijven; bij
veranderende milieuomstandigheden (bijvoorbeeld een flinke daling van de
zuurgraad) zal ook deze sterke binding tussen bodem en contaminanten minder
worden. Dit aspect van risicobeoordeling valt echter buiten de scope van dit
project.
