Changing consortia of algae and bacteria in polluted rivers and lakes: discriminating the roles of toxicants and natural variables
Hoofdaanvrager:
Prof. dr. W. Admiraal, Universiteit van Amsterdam, Afdeling Biologie, Fysische Geografie
en Milieukunde
Resultaat van het programma
Resultaat van de projecten
Onderzoeker:
Dr. F.P. van den Ende Loopduur: 01-06-2000 tot
01-10-2003
Msc. B. Massieux Loopduur: 15-10-2000 tot 15-10-2004
Dr. M-H. Boivin Loopduur: 01-12-2000 tot
30-11-2004
014.23.051 Dr. F.P. van den Ende
Micro-organismen worden nogal eens gezien als erg tolerant, immers er
zijn hoge concentraties gifstoffen nodig om b.v. alle bacteriën in een
watermonster te doden. Dit is echter geen juist beeld, omdat onder de grote
verscheidenheid van bacteriën en algen wel tolerante vormen voorkomen, maar ook
heel gevoelige. De grote verscheidenheid betreft zowel de fotosynthetische
microalgen, die zorgen voor de productie van organisch stof alsook de
heterotroof groeiende bacteriën, die voor de afbraak van reststoffen in
oppervlaktewater zorgdragen. Tezamen vormen deze organismen de basis voor de
aquatische voedselketen. Dit project gaat er vanuit dat er associaties van
micro-algen soorten en bacteriesoorten bestaan die onderling afhankelijk zijn,
d.w.z. dat de stoffen geproduceerd door de een gebruikt worden door de ander. Deze consortia zijn onderworpen aan natuurlijke selectie door de steeds
wisselende milieuomstandigheden. Wordt deze natuurlijke selectie nu beïnvloed
of zelfs overheerst door de aanwezigheid van gifstoffen in het milieu? Deze vraag staat centraal in het SSEO
project en werd onderzocht voor de plasjes in de uiterwaarden van de Rijn en de
Hollandse Biesbosch en sloten in gebied met toemaakdek. In deze gebieden is
sprake van historische afzettingen van slib, dat vervuild is met allerlei
stoffen o.a. metalen. In dit project werdt onderzocht of effecten van toxicanten op alg/bacterie consortia in
deze nogal complexe situatie aantoonbaar zijn. Het onderzoek verliep in drie
stappen. In de eerste plaats werd geinventariseerd welke soorten (‘taxa’)
microalgen en bacteriën tezamen voorkomen. Hiervoor werden in samenwerking met
het NIOO nieuw ontwikkelde genetische fingerprints van de bacteriegemeenschap
toegepast, in tegenstelling tot de algen gemeenschap is deze nl. niet
microscopisch te identificeren. Daarnaast werden technieken ontwikkeld om de
gevoeligheid van de microalgen associaties voor gifstoffen te bepalen. Daarvoor
werd een procedure ontwikkeld waarin kleine porties van de toplaag van het
sediment met algenbegroeiing in micro-well platen te brengen en deze te testen
op hun acute gevoeligheid voor geselecteerde gifstoffen. Bij deze tests wordt
gebruik gemaakt van een fluorometrische techniek, Pulse Amplitude Modulated
fluorometry (PAM), waarmee een door toxicanten verminderde fysiologische
conditie bepaald kan worden. Het bleek mogelijk deze techniek toe te passen en
karakteristieke verschillen in tolerante van natuurlijke algen associaties vast
te stellen. Deze methodische stap is zo belangrijk omdat een belangrijk
criterium voor de lange termijn effecten van gifstoffen op levensgemeenschappen
niet zozeer de remming van een activiteit is maar juist de successie naar meer
tolerante levensvormen. In veldonderzoek werd eveneens aanwijzingen gevonden
dat de veronderstelde associaties tussen fotosynthetische organismen en
bacterie soorten inderdaad soortspecifiek is: in pilot studies bleken de
bacterieprofielen geassocieerd met diatomeën-rijke gemeenschappen te
verschillen van die van die gedomineerd door cyanobacterieën. De variabiliteit
tussen monsterstation is echter groot en de verschillen in concentraties
gifstoffen was gering. De bewerking van de data is op dit moment nog gaande,
zodat er geen definitief uitsluitsel gegeven kan worden m.b.t. de effecten van
historische belasting.
De
sturende kracht van gifstoffen werd eveneens onderzocht in getransplanteerde gemeenschappen waar de
potentiële effecten om de gemeenschappen van algen en bacteriën onderzocht
werden. Onder deze gecontroleerde omstandigheden was het mogelijk om te
onderscheiden tussen natuurlijke successie en metaalgestuurde successie. De
waarnemingen aan de bacteriën in deze systemen tijdens belasting met gifstoffen
en tijdens het herstel dwingen overigens tot een herbezinning op het begrip
“pollution induced community tolerance” (PICT). Successie vastgesteld met
genetisch parameters lijkt wel beperkter te zijn dat metingen met fysiologische
methoden aangeven. Ook onder goed gecontroleerde omstandigheden is een
significante belasting met gifstoffen nodig om een verandering teweeg te
brengen die de natuurlijke variabiliteit
overstijgt.
Een
groot aantal soorten microalgen uit de uiterwaarden is als een kloon in culture
gebracht en nagegaan is of er een specifieke relatie bestaat tussen soorten
diatomeeën, groenalgen, en cyanobacterieën enerzijds en soorten (‘taxa’) heterotrofe bacteriën,
die als commensaal in de isolaten voorkomen. Deze commensale relaties zijn nog
nauwelijks onderzocht en zullen worden gerapporteerd worden in een artikel en
als onderdeel van een proefschrift (B. Massieux, NIOO). De gevoeligheid van de
geïsoleerde algenklonen voor mengsels van metalen bleek zeer uiteen te lopen en
niet of weinig verband te houden met de metaalgehaltes van de sedimenten,
waaruit ze geïsoleerd werden. Ook deze waarneming versterkt de voorlopige
conclusie dat in de onderzochte sediment systemen de natuurlijke variabiliteit
de eventuele successie door gifstoffen overtreft.
014.23.052 B. Massieux
014.23.053 Dr. M-H. Boivin
Diversiteit van microbiële
gemeenschappen bij heterogene metaalverontreinigde
milieus
Wanneer de overheidsnormen voor
metaalvervuiling in de bodem worden overschreden, treden veranderingen op in de
microbiële gemeenschap in die bodem. Dat hebben Marie-Elène Boivin en Gerdit
Greve aangetoond in hun studie naar de invloed van zware metalen op bacteriële
gemeenschappen. Die veranderingen kunnen het bodemecosysteem aantasten. Bacteriën zijn overal en onmisbaar voor een gezond ecosysteem, ze spelen een
sleutelrol in bijvoorbeeld de omzetting van organisch materiaal, zodat
voedingsstoffen weer bruikbaar worden voor andere organismen. Hun diversiteit
is indrukwekkend. Een gram grond telt ongeveer 104-105
verschillende soorten bacteriën. Een hectare akkergrond bevat 3000 kg bacteriën
in de bovenste 25 cm, dat is gelijk aan de biomassa van ongeveer vier koeien of
zestig schapen. Door de extreme diversiteit is de studie van bacteriële
gemeenschappen niet eenvoudig en is de combinatie van technieken de meeste
geschikte aanpak om bacteriële gemeenschappen te analyseren. Boivin en Greve
pasten in hun onderzoek fysiologische en genetische methoden toe. De
onderzoekers bestudeerden bacteriële gemeenschappen van akkergrond van
Vinkeveen en van sediment van de Afferdensche en Deestsche waarden en van de
Sliedrechtse Biesbosch. Deze drie locaties zijn vervuild met zware metalen, en
dat kan een negatieve invloed op het ecosysteem hebben. Boivin en Greve
vergeleken de effecten op bacteriegemeenschappen daar met de classificatie van
grond en sedimenten gebaseerd op de Nederlandse Streef- en Interventiewaarden. Metaaleffecten bij de bacteriegemeenschappen kwamen alleen voor op die plaatsen
waar de Interventiewaarden voor lood en koper werden
overschreden.
Management
samenvatting
Effecten van metalen in
bodemecosystemen van graslanden in de Gemeente De Ronde Venen werden aangetoond
op het niveau van de interventiewaarde voor lood en koper. Effecten van metalen
op bacteriegemeenschappen in biofilms van sedimenten in de Afferdensche en
Deestsche waarden en de Sliedrechtse Biesbosch konden niet worden aangetoond,
waarschijnlijk als gevolg van een te sterke dynamiek in deze systemen en een
relatief lage belasting. Voor het onderzoek werden drie verschillende
technieken ingezet om subtiele veranderingen in de samenstelling van
bacteriegemeenschappen aan te tonen, namelijk op het niveau van de
fysiologische en genetische eigenschappen, en op het niveau van de gevoeligheid
van de gemeenschap voor het verontreinigende metaal. Optimalisatie en validatie
van de methoden voor bemonstering, extractie en opslag van bacteriën in het
laboratorium, en voor de verschillende analyses vormde een integraal onderdeel
van het onderzoek. Geconcludeerd werd dat deze methoden zeer gevoelig en
ecologisch relevant zijn, en uitermate geschikt voor ‘higher tier testing’ in
een locatie-specifieke ecologische
risicobeoordeling.
Uitgebreide samenvatting
van het onderzoek
Het effect van metalen op de
diversiteit van microbiële gemeenschappen op de drie metaalverontreinigde
onderzoekslocaties van SSEO werd onderzocht. Micro-organismen zijn onmisbaar
voor een gezond (bodem)ecosysteem. Ze spelen een sleutelrol in belangrijke
processen zoals de omzetting van organisch materiaal, stofkringlopen, de
afbraak van milieuvreemde verbindingen, en ze vormen het voedsel voor hogere
trofische niveaus. Aantasting van de microbiële gemeenschap in bodem en
oppervlaktewater als gevolg van milieuverontreiniging heeft rechtstreekse
gevolgen voor het functioneren van het ecosysteem. Technieken voor de
bestudering van de diversiteit van bacteriën werden geoptimaliseerd voor de
detectie van effecten van heterogene metaalverontreiniging in het veld, en
toegepast op de drie SSEO-locaties.
Om
de effecten van metalen op bacteriën in ecosystemen te bestuderen zijn drie
technieken gebruikt. Profielen van de bacteriegemeenschap werden gemaakt met
Community-Level Physiological Profiling (CLPP) en Denaturing Gradient Gel
Electrophoresis (DGGE). Deze technieken hebben als overeenkomst dat in één
experiment meerdere eigenschappen van één gemeenschap worden bepaald,
zogenaamde multi-eindpunt technieken. De derde techniek, Pollution-Induced
Community Tolerance (PICT), is gebruikt om de gevoeligheid van de gemeenschap
voor verschillende metalen te bepalen. Door deze verschillende technieken te
combineren is het mogelijk om de correlatieve verbanden tussen de aanwezigheid
van metalen in het veld en de waargenomen effecten te
versterken.
Ondanks de voordelen van PICT om sterke
verbanden te vinden, is niet onomstotelijk aangetoond dat PICT een bruikbare
indicator is voor negatieve effecten van verontreiniging op het ecosysteem. Uit
een literatuurstudie gericht op bodemonderzoek bleek dat in de meeste gevallen
waarbij PICT werd aangetroffen het aannemelijk is dat ook andere veranderingen
in het ecosysteem optraden, zoals verschuivingen in de structuur en het
functioneren, inclusief veranderende relaties naar andere organismen en
processen. Er zijn slechts weinig publicaties waarin deze relaties expliciet
gelegd zijn en de conclusie was dat meer onderzoek nodig is voordat PICT opgenomen kan worden in een
raamwerk voor ecologische risicobeoordeling.
De
onderliggende modelconcepten voor het aquatische en terrestrische onderzoek op
de drie SSEO-locaties waren steeds hetzelfde. De hypothese is dat effecten van
metaalverontreiniging nauwkeurig in beeld gebracht kunnen worden via het
aantonen van subtiele veranderingen in de fysiologische eigenschappen en de
samenstelling van bacteriegemeenschappen en veranderingen in de
gevoeligheid van de gemeenschap voor de betreffende contaminant. Bacteriën
leven in innig contact met hun omgeving, en dus ook met de verontreiniging,
zodat effectieve blootstelling aangenomen kan worden. Bacteriën hebben een zeer
beperkte mobiliteit zodat de relatie tussen de gemeten metaalconcentraties en
de samenstelling van de bacteriegemeenschap in één monster stevig is. Dit
aspect is vooral van belang in sterk heterogene situaties, zoals bij de drie
SSEO-locaties het geval was. Tenslotte hebben bacteriën vanwege hun geringe
afmeting een grote oppervlakte inhoud ratio zodat de kenmerken van de omgeving,
inclusief verontreiniging, in zijn algemeenheid sterker tot expressie komen in
de fysiologie van de bacteriën en de samenstelling van de gemeenschap dan bij
grotere bodemorganismen. Analyse van bacteriegemeenschappen met behulp van
multi-eindpunt technieken en multi-variate analyse wordt daarom geacht een
gevoelig instrument te vormen voor het aantonen van effecten van
verontreiniging in het veld.
Voor de bestudering van bacteriegemeenschappen bij de drie
SSEO-locaties zijn technieken ontwikkeld, geoptimaliseerd en uitgetest voor de
verschillende milieucompartimenten. Bij het onderzoek aan bodemecosystemen in
De Ronde Venen is de techniek voor het nemen en selecteren van monsters
verbeterd en vereenvoudigd zodat een optimale gradiënt met
metaalconcentraties verkregen werd die representatief is voor de locatie. Bovendien werd een methode ontwikkeld om monsters in te vriezen en langdurig
bij -70° te bewaren, zonder significante aantasting van de onderliggende
structuur in de bacteriegemeenschap. Voor het onderzoek aan aquatische
ecosystemen in de Afferdensche en Deestsche waarden en de Biesbosch werd een
methode ontwikkeld om de bacteriën uit sedimentmonsters te extraheren en te
analyseren voor CLPP en PICT. Tevens werden aquatische organismen via hechting
aan glasplaten bemonsterd, om deze te gebruiken voor additionele blootstelling
in het laboratorium onder gecontroleerde omstandigheden in aquaria.
Heterotrofe bacteriegemeenschappen in fotosynthetiserende biofilms op
glasplaten werden gedurende 26 dagen blootgesteld aan koper in aquaria in het
laboratorium. Onder invloed van koper veranderden de CLPP- en de DGGE-patronen
en werd PICT aangetoond. Er werden geen effecten van de temperatuur gevonden op
de bacteriegemeenschappen. Dit betekent dat de temperatuur niet de
belangrijkste factor was in het veroorzaken van veranderingen onder deze
laboratorium condities. Er werd wel een effect van de temperatuur gevonden op
de tolerantieontwikkeling. Het herstel van de biofilms na koperblootstelling werd ook bestudeerd
gedurende ## dagen. De veranderingen aan de bacteriegemeenschappen bleken
omkeerbaar voor wat betreft de CLPP, maar slechts gedeeltelijk omkeerbaar voor
de DGGE-patronen gedurende de herstelfase. Ook de gevoeligheid van de
gemeenschap voor koper keerde weer gedeeltelijk terug. De conclusie was dat de
fysiologische eigenschappen van bacteriegemeenschappen sneller herstellen
dan de genetische samenstelling.
Het
mogelijke effect van metalen op bacteriegemeenschappen in biofilms van
riviersedimenten werd onderzocht op twee SSEO-locaties, namelijk de
Afferdensche en Deestsche waarden (Figuur 3) en de Sliedrechtse Biesbosch
(Figuur 4). Het onderzoek liet zien dat genetische en fysiologische diversiteit
van bacteriegemeenschappen gecorreleerd is met de aanwezigheid van bepaalde
algensoorten en nauwelijks met het niveau van metaalverontreiniging. Daarom
werd geconcludeerd dat de correlaties tussen de genetische en fysiologische
diversiteit van bacteriegemeenschappen en micro-algensoorten geïnterpreteerd
moet worden als een indicatie voor een sterke en soortspecifieke verbintenis
tussen algen- en bacteriesoorten in sedimenten van de uiterwaarden. Eventuele
effecten van metalen werden bij dit onderzoek gemaskeerd door de effecten van
de seizoenen en andere verschillen in de omgevingsvariabelen.
Effecten van zware metalen op bacteriegemeenschappen in de bodem van
graslanden in de gemeente De Ronde Venen (zogenaamde Toemaakdek; Figuur 2)
werden onderzocht. Verbanden werden waargenomen tussen CLPP en DGGE en de
metaalconcentraties in het veld, de pH in de bodem en de hoeveelheid organisch
materiaal. De effecten van alle bekende omgevingsvariabelen werden statistisch
van elkaar gescheiden, waardoor aannemelijk werd dat metalen inderdaad een
effect hebben op de fysiologische en genetische samenstelling van de
bacteriegemeenschappen in de grasland van De Ronde Venen, los van de andere
omgevingsvariabelen. SSEO-onderzoek van de Wageningen Universiteit (A. van
der Wurff) in dezelfde bodemmonsters maakte duidelijk dat ook bij de
nematodengemeenschap effecten van metalen aannemelijk zijn. PICT bij bacteriële
gemeenschappen werd niet gevonden. Dit negatieve resultaat kan waarschijnlijk
toegekend worden aan het overheersende optreden van indirecte effecten of een
methodische tekortkoming.
De resultaten werden geëvalueerd
en geplaatst in een kader voor de ontwikkeling van een raamwerk voor
ecologische risicobeoordeling. Metaaleffecten op de bacteriegemeenschappen
kwamen voor bij monsters waarin lood en koper de Interventiewaarden
overschreden. Geconcludeerd werd dat er geen aanleiding is om de
Interventiewaarden te versoepelen, ook niet in het geval van het Toemaakdek in
De Ronde Venen. De veranderingen in de microbiële diversiteit onder invloed van
hoge metaalbelasting konden worden uitgedrukt in simpele maten die geschikt
zijn voor een ecologische risicobeoordeling. De technieken CLPP, DGGE en PICT
worden aanbevolen voor een “higher tier testing” bij ecologische
risicobeoordeling.
