Een actor-georienteerde ex ante evaluatie van transitietrajecten
Uitkomsten explorerend onderzoek Roald Suurs, Marko Hekkert, Marius Meeus en Evert Nieuwlaar (UU)
Download the full English edition of the report here.
Er zijn verschillende wegen die naar een duurzamer energiesysteem kunnen leiden. Het is natuurlijk uitgesloten dat één enkele actor deze energietransitie volledig zou kunnen beheersen. Integendeel, er zijn vele partijen in het spel en zij houden er allemaal eigen visies en belangen op na. In deze studie hebben de onderzoekers gekeken naar de succeskansen van verschillende transitiepaden, waarbij het doel was om een instrument te ontwikkelen dat ondersteunend kan zijn in het nemen van beslissingen door verschillende betrokken actoren.
Centraal in de studie staat het begrip ‘Willingness To Participate (WTP)’ van de actoren oftewel de bereidheid zelf mee te werken aan verschillende stappen binnen de transitiepaden. Deze participatiebereidheid wordt bepaald door de inschatting die actoren zelf maken van de wenselijkheid en haalbaarheid van de verschillende stappen binnen een transitiepad. De onderzoekers zijn daarbij uitgegaan van de theorie van het rationele handelen waarin intenties worden beschouwd als functie van de waardering van een optie en de waarschijnlijkheid dat deze optie ook haalbaar zal zijn. Ze hebben een waarderingsmodel ontwikkeld, waarin drie clusters van criteria zijn opgenomen: criteria rond wenselijkheid (zoals duurzaamheid, veiligheid, winstgevendheid), rond financiële belemmeringen (allerlei soorten kosten) en rond haalbaarheid (bijvoorbeeld samenwerking met belangrijke partijen, maar ook het adoptiepotentieel en enkele belangrijke technologische systeemcondities).
Het model werd vervolgens toegepast via een casus op het gebied van klimaatneutrale transportbrandstoffen. Er zijn actoren geïnterviewd over twee mogelijke routes die kunnen leiden tot transport op waterstof, waarbij in ogenschouw is genomen dat strategieën georiënteerd kunnen zijn op het vervoermiddel (gekarakteriseerd als incrementeel en ‘demand driven’) of juist op de infrastructuur (gekarakteriseerd als een radicale ‘technology push’). Met behulp van de interviews en het model kon vervolgens worden vastgesteld wat de gemiddelde participatiebereidheid van de betrokken actoren en de mate van onderlinge spreiding was. Op basis van de casus is, met de nodige voorzichtigheid, geconcludeerd dat het meten van deze bereidheid van individuele actoren een goede impressie geeft van de haalbaarheid van verschillende stappen in een traject dat uiteindelijk leidt tot transitie. De WTP-benadering kan dan ook dienen als een ‘quick scan’-haalbaarheidsonderzoek. Lastiger is het om de verschillen in de participatie bereidheid die zijn gevonden goed te verklaren. De lijst met criteria lijkt hierin een rol te spelen, aangezien veel criteria een significante correlatie laten zien met de participatiebereidheid. Probleem is echter dat er op dit gebied weinig data voor handen zijn; de methode is bovendien arbeidsintensief omdat er lange interviewsessies nodig zijn om de actoren op alle criteria te kunnen laten scoren. Wel zijn er met betrekking tot de casus interessante uitkomsten te melden. Transport op waterstofbasis wordt in het algemeen als zeer wenselijk gezien, maar op de korte termijn is niet iedereen even bereid om hierin te investeren en lopen de WTP scores uiteen. Als het om de langere termijn gaat, zijn de actoren het meer met elkaar eens en meer bereid om zelf mee te werken. De onderzoekers geven tot slot aan dat de uiteenlopende waardering van de criteria op typisch intermediaire stappen in de transitieketen, met zich mee kan brengen dat naarmate een transitieproces meer leunt op zogenaamde hybride of ‘add-on’- technologie, er ook een grotere kans is op problemen bij de uitvoering van dergelijke tussenstappen en daardoor ook bij het verloop van de transitie als geheel.
