Nutsvoorzieningen op wijkniveau
Het milieu dichter bij de mensen: duurzamer of niet?
J. de Boer, M.A. van Drunen, P.E.M. Lammers en A.A. Olsthoorn
Huishoudens zijn door hun verscheidenheid een moeilijke doelgroep voor het milieubeleid. De meeste huishoudens beschikken momenteel over voorzieningen voor energie, water en afvalverwijdering die er niet op zijn ingericht om hen direct te confronteren met de milieubelasting die hun gedrag veroorzaakt. Verder laten huishoudens zich niet alleen door economische prikkels leiden, maar ook door allerlei sociale en culturele. Een manier om huishoudens sociaal, cultureel en ook economisch te prikkelen is het aanbieden van technologische voorzieningen die een extra bijdrage aan duurzaamheid leveren. Bijvoorbeeld doordat de voorziening huishoudens aanzet tot milieubewuster of zelfs duurzamer gedrag.
Deze verkennende studie is gewijd aan de vraag of het schaalniveau waarop die voorzieningen worden georganiseerd deze extra bijdrage tot duurzaamheid kan opleveren. Hierbij is de werkhypothese gekozen dat huishoudens in grotere mate tot een duurzaam patroon van productie en consumptie zullen bijdragen wanneer hun energie-, water- en afvalvoorzieningen op wijkniveau worden gedecentraliseerd dan wanneer die voorzieningen op micro- of macroschaal worden ingericht. De keuze voor de wijk sluit aan bij ecologisch geïnspireerde inzichten en is ook van praktisch belang, immers, het woningbestand breidt zich grotendeels wijksgewijs uit, en technologische vernieuwing in nutsvoorzieningen komt in de praktijk ook wijksgewijs tot stand.
In deze verkenning hebben we gekeken naar de stimulansen (incentives) waarmee huishoudens kunnen worden aangezet tot duurzamer gedrag, en hebben we met globale scenario's onderzocht welke nutsvoorzieningen passen bij de onderzochte schaalniveaus en wat de implicaties zijn voor de duurzaamheid van het geheel. De conclusie die we trekken na deze verkenning is niet erg positief voor het idee om nutsvoorzieningen op wijkniveau aan te gaan bieden. Gelet op de bestaande sociaal-culturele ontwikkelingen lijkt het niet verstandig 'het milieu in negatieve zin dichter bij de mensen te brengen', ofwel huishoudens steeds te confronteren met de ongewenste effecten van hun milieugedrag. Beloning werkt namelijk beter dan bestraffing. Met dit in het achterhoofd lijkt het niet zo vruchtbaar om bij de keuze van (in de toekomst) beschikbare technologieën louter te kijken naar het schaalniveau waarop nutsvoorzieningen worden aangeboden. Het schaalniveau is als zodanig geen factor die maakt dat huishoudens zich duurzamer gaan gedragen. Bovendien is het maar de vraag of een voorziening op wijkniveau wel het meest duurzaam is als de hele keten in ogenschouw wordt genomen. Veel vruchtbaarder is het om aan te haken bij andere maatschappelijke trends, zoals esthetisering en dematerialisatie. Hier liggen goede mogelijkheden om duurzaamheid te cultiveren, opdat het zoeken naar ecologisch efficiëntere oplossingen een even vanzelfsprekend onderdeel van de cultuur wordt als het zoeken naar technische verbeteringen. Ontwikkelingen van bestaande of nieuwe woningbouwprojecten moeten dan bijvoorbeeld passen in de culturele of landschappelijke omgeving. De nutsvoorzieningen horen daarbij aan te sluiten of daarmee te worden geïntegreerd. Bij een vervolgonderzoek op deze verkenning lijkt het ons dan ook verstandig om de originele werkhypothese te verlaten. Dat betekent echter niet dat het gedrag van wijkbewoners niet kan worden beïnvloed door de inrichting van hun woonmilieu. Het meest kansrijk lijken die duurzame voorzieningen die zijn afgestemd op het culturele of landschappelijke karakter van de wijk. Het precieze schaalniveau is daarbij van ondergeschikt belang. Een geschiktere werkhypothese zou dus zijn: Huishoudens zullen in grotere mate tot een duurzaam patroon van productie en consumptie bijdragen wanneer hun energie-, water- en afvalvoorzieningen zowel fysiek als esthetisch zijn afgestemd op het culturele of landschappelijke karakter van het woonmilieu dan wanneer die voorzieningen op thans meest gangbare manier worden ingericht.
Deze hypothese zou getoetst moeten worden met LCA-achtige methoden. Van groot belang daarbij is dat het gedrag van huishoudens (in LCA-termen de gebruiksfase van de levenscyclus) goed wordt meegenomen. Dat betekent onder meer dat moet worden onderzocht wat de relatie is tussen het type nutsvoorziening en het gedrag van de bewoners die gebruik maken van zo'n nutsvoorziening. Met zo'n analyse is het ook mogelijk om uit te zoeken welke mix van nutsvoorzieningen zal leiden tot een voor een specifieke wijk maximaal haalbare duurzaamheid (in termen van energiegebruik, watergebruik en afvalvorming). Een scenario-achtige benadering zal ook hier behulpzaam zijn. Het gaat hier om sociaal-culturele (leefstijl-)scenario's, economische scenario's, ruimtelijke-ordeningscenario's (inrichting van woongebieden) en milieubeleidscenario's. Zo'n scenario is de context waarbinnen gezocht kan worden naar duurzame nutsvoorzieningen.
In deze verkenning is geen rekening gehouden met transport en ICT-voorzieningen, zoals glasvezelnetwerken die thuiswerken beter mogelijk maken. Studies wijzen uit dat ook bij deze nutsvoorzieningen grote milieuvoordelen te behalen zijn. Het is daarom van belang ook deze voorzieningen mee te nemen in een vervolgstudie.
Meer informatie kunt u verkrijgen bij:
dr. Michiel van Drunen (VU), tel. 020-4449534, fax 020-4449553, e-mail michiel.van.drunen@ivm.vu.nl
De volledige publicatie kunt u hier downloaden.
